Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging
Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/III.2.1.1:III.2.1.1 Rechtstreekse toepasselijkheid
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/III.2.1.1
III.2.1.1 Rechtstreekse toepasselijkheid
Documentgegevens:
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Rechtstreekse toepasselijkheid is, zoals aangegeven, de meest vergaande vorm van doorwerking van een beginsel van behoorlijke rechtspleging die kan bestaan. Het uitgangspunt naar geldend recht is echter dat de beginselen van behoorlijke rechtspleging niet rechtstreeks gelden voor de bestuurlijke voorprocedures. Het ontbreken van rechtstreekse toepasselijkheid vormde juist een van de redenen om te onderzoeken of de beginselen van behoorlijke rechtspleging desondanks van betekenis zijn voor de bestuurlijke voorprocedures. Op dat algemene uitgangspunt dat de beginselen van behoorlijke rechtspleging niet van toepassing zijn op de bestuurlijke voorprocedures bestaat echter, zoals bekend en onder meer uiteen is gezet in paragraaf 5.7 van Deel II, een belangrijke uitzondering.
Het beginsel van de redelijke termijn
Van één beginsel stond op voorhand — dat wil zeggen voor aanvang van dit onderzoek vast dat het ook rechtstreeks van toepassing wordt geacht op de bestuurlijke voorprocedures: het beginsel van de redelijke termijn. Het beginsel van de redelijke termijn, zoals gepositiveerd in artikel 6 EVRM, maakt onderdeel uit van het nationale decisiebeginsel en valt te herleiden tot het algemene rechtszekerheidsbeginsel. De nationale grondslag voor de geldingskracht wordt in de rechtspraak van de bestuursrechter thans gezocht in dat algemene rechtszekerheidsbeginsel. Een verschil naar bestuurlijke of rechterlijke fase wordt in dat opzicht niet gemaakt. Wat betreft de functie of ratio van het beginsel van de redelijke termijn bestaat er geen noemenswaardig onderscheid tussen procedures bij het bestuur of bij de rechter. Het beginsel van behoorlijke rechtspleging is op dezelfde wijze van toepassing op rechtspraak als op de bestuurlijke voorprocedures. Hoewel de concrete uitwerkingen, wat betreft de duur van de procedure, niet geheel met die voor rechtspraak overeenstemmen, worden in beginsel dezelfde criteria en factoren gehanteerd om te bepalen of het beginsel van de redelijke termijn in acht is genomen in de bestuurlijke voorprocedures. De wijze waarop het beginsel van de redelijke termijn in de rechtspraak wordt toegepast op de bestuurlijke voorprocedures verschilt niet van de wijze waarop dat beginsel wordt toegepast op de rechterlijke procedures. De bestuursrechter toetst er rechtstreeks aan en verbindt dezelfde rechtsgevolgen aan schendingen van dat beginsel in de bestuurlijke voorprocedures en de rechterlijke procedure.
Onzelfstandige toepasselijkheid
De categorie rechtstreekse toepasselijkheid kan, zoals eerder aangegeven, weer onderverdeeld worden in twee subcategorieën: onzelfstandige en zelfstandige (rechtstreekse) toepasselijkheid. Hoewel sprake is van rechtstreekse toepasselijkheid van het beginsel van de redelijke termijn wordt in de rechtspraak vooralsnog uitgegaan van een onzelfstandige of accessoire rechtstreekse toepasselijkheid. Dat wil zeggen dat de rechtstreekse toepasselijkheid op de bestuurlijke voorprocedures samenhangt met de toegang tot de rechterlijke procedure. Wordt na de bestuurlijke voorprocedure geen rechterlijke procedure doorlopen, dan is de gelding van het beginsel van de redelijke termijn voor de bestuurlijke voorprocedures beperkt. Vooralsnog dient het rechtszekerheidsbeginsel of het beginsel van de redelijke termijn als specificatie daarvan derhalve niet als zelfstandige grondslag voor toepasselijkheid van de redelijke termijn-eis op de bestuurlijke voorprocedures als zodanig. De doorwerking van het beginsel van de redelijke termijn als beginsel van behoorlijke rechtspleging draagt er wel toe bij dat in de doctrine langzaamaan erkenning plaatsvindt van een zelfstandig voortvarendheids- of tij digheidsbeginsel voor de bestuurlijke voorprocedures. Voor een dergelijke invloed van het beginsel van behoorlijke rechtspleging op die procedures bestond ruimte, omdat er tot nog toe geen equivalent algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is aanvaard op grond waarvan vergelijkbare eisen gesteld worden.
Zelfstandige toepasselijkheid
Rechtstreekse toepasselijkheid op de bestuurlijke voorprocedures met een zelfstandig karakter is vooralsnog bij geen enkel beginsel of deelaspect ervan vastgesteld. Een dergelijke zelfstandige rechtstreekse toepasselijkheid of een zelfstandig beginsel voor de bestuurlijke voorprocedures wordt wel voor het beginsel van de redelijke termijn in dit onderzoek bepleit. Gelet op het feit dat in veel gevallen een bestuurlijke voorprocedure het eindstation van de rechtsbescherming vormt, omdat er daaropvolgend geen rechterlijke procedure geïnitieerd wordt, valt voor een zelfstandige toepassing of grondslag veel te zeggen. Bovendien valt niet in te zien op welke grond toepasselijkheid van het (nationale) beginsel van de redelijke termijn uitgesloten moet worden voor bestuurlijke voorprocedures die niet gevolgd worden door een procedure bij de rechter. Het beginsel van de redelijke termijn heeft immers eenzelfde functie voor de bestuurlijke voorprocedures als voor de rechter.