Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/10.3.2
10.3.2 HR 28 april 1999, BNB 1999/283
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS416895:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Door R.W. Otto geannoteerd in FED 1999/570.
Dit arrest is door mij besproken in TFB 1999/5, blz. 2-5. Net als in TFB 1999/5 wordt de casus hier door mij vereenvoudigd weergegeven, waarbij ik op ondergeschikte punten afwijk van de feiten zoals die ten grondslag liggen aan het arrest.
Zie de bespreking van HR 23 oktober 1966, BNB 1967/35, in paragraaf 10.3.1 hiervóór.
Naar ik heb kunnen nagaan, heeft de Hoge Raad niet eerder verwezen naar het beginsel van een juiste jaartoerekening. Jacobs (blz. 13) spreekt over het beginsel der jaartoerekening, zijnde het verschijnsel dat alle opbrengsten en opofferingen moeten worden toegerekend aan de jaren waarop zij betrekking hebben, voorzover de wet of de andere beginselen geen uitzonderingen maken.
In HR 28 april 1999, BNB 1999/2831, werd van de foutenleer gebruik gemaakt om een fout, opgetreden bij de toepassing van de fiscale oudedagsreserve, te herstellen2. De door belanghebbende opgebouwde oudedagsreserve diende in 1986 op grond van het voor dat jaar geldende artikel 44f, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 1964, af te nemen met een bedrag van f 73 134, aangezien deze het ondernemingsvermogen per 31 december 1986 met dat bedrag overtrof. Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting voor dat jaar heeft de inspecteur echter verzuimd deze afname in aanmerking te nemen. De inspecteur heeft getracht deze fout te herstellen door het opleggen van een navorderingsaanslag over 1986, doch deze aanslag werd – omdat een nieuw feit ontbrak – door de rechter vernietigd. Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting 1987 heeft de inspecteur de oudedagsreserve, die hij per 1 januari 1987 op f 73 134 stelde, alsnog in de belastingheffing betrokken. Het Hof oordeelde dat het de inspecteur vrijstond om het ten onrechte in stand gebleven deel van de oudedagsreserve, ten bedrage van f 73 134, in het belastbare inkomen van 1987 te begrijpen, ook al had hij eerder getracht de fout te herstellen door het opleggen van een navorderingsaanslag over 1986. Tegen de beslissing van het Hof kwam belanghebbende in cassatie.
In het eerste cassatiemiddel wordt betoogd dat de inspecteur, gelet op HR 23 november 1966, BNB 1967/35, in beginsel de keuze heeft tussen het herstel van de in 1986 gemaakte fout door het opleggen van een navorderingsaanslag over dat jaar of door toepassing van de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar (1987). Dit standpunt – dat ook werd ingenomen door Smeets (BNB 1967/35) en Van Es (blz. 152)3 – wordt door de Hoge Raad verworpen:
3.4. Anders dan het eerste middel betoogt, is de inspecteur niet vrij in de keuze tussen genoemde herstelmethoden, doch dient hij op grond van het beginsel van een juiste jaartoerekening4 de fout zo mogelijk te herstellen in het jaar, waarin die fout is gemaakt.
De Hoge Raad geeft daarbij aan hoe het (eigenlijk) herstel van een in het voordeel van de belastingplichtige gemaakte fout dient plaats te vinden:
Indien sprake is van een fout in het voordeel van de belastingplichtige, zoals zich voordoet in de onderhavige zaak, kan herstel van die fout plaatsvinden door het opleggen van een navorderingsaanslag over het jaar waarin de fout is gemaakt, of, indien de belastingplichtige daartoe bereid is, door vrijwillige betaling van de over dat jaar te weinig geheven belasting.
In aansluiting op rechtsoverweging 3.4 bevestigt de Hoge Raad in 3.5 het bestaan van de verplichte toepassingsvolgorde:
3.5. Eerst indien de fout niet of niet volledig aldus in dat jaar kan worden hersteld, kan de fout door toepassing van de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar worden hersteld.
Vervolgens past de Hoge Raad de hiervóór weergegeven regels toe op de onderhavige zaak en onderzoekt of de foutenleer kan worden toegepast:
Nu het herstel van de in 1986 gemaakte fout bij de toepassing van de oudedagsreserve door navordering niet mogelijk is gebleken – de door de Inspecteur over dat jaar opgelegde navorderingsaanslag is, omdat deze was gebaseerd op een feit als bedoeld in artikel 16, lid 1, tweede volzin, van de Wet [IB 1964], vernietigd – en belanghebbende kennelijk niet bereid is de over het jaar 1986 te weinig geheven belasting vrijwillig te voldoen, heeft het Hof terecht geoordeeld dat de Inspecteur de vrijval van de oudedagsreserve alsnog in [1987] in aanmerking mocht nemen.
Waarschijnlijk voelde belanghebbende zich in de onderhavige zaak onaangenaam verrast toen hij van de inspecteur vernam dat de FOR-fout – hoewel de navorderingsaanslag over 1986 door de rechter was vernietigd – alsnog kon worden hersteld door toepassing van de foutenleer. In cassatie betoogde belanghebbende dan ook dat, indien de inspecteur heeft gekozen voor het opleggen van een navorderingsaanslag over 1986, het hem niet vrijstaat de FOR-fout alsnog in 1987 herstellen door toepassing van de foutenleer, als (achteraf) blijkt dat de fout niet door navordering over 1986 kan worden hersteld. Daarbij deed belanghebbende een beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
De Hoge Raad overweegt dat het Hof met juistheid heeft geoordeeld dat belanghebbende aan het enkele feit dat de inspecteur in eerste instantie een navorderingsaanslag over 1986 heeft opgelegd, niet het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat de inspecteur ervan zou afzien een correctie aan te brengen ingeval de navorderingsaanslag mocht worden vernietigd. Dit oordeel past naar mijn mening binnen de door de Hoge Raad geformuleerde verplichte toepassingsvolgorde, waarbij de inspecteur geen keuze heeft tussen de herstelmethoden navordering en foutenleer, doch eerst moet proberen na te vorderen.
Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel wordt door de Hoge Raad verworpen. Aan deze problematiek wordt afzonderlijk aandacht besteed in hoofdstuk 11.