Einde inhoudsopgave
De cyberverzekering vanuit civielrechtelijk perspectief (O&R nr. 129) 2021/I.2.3.1
I.2.3.1 Kader: plaats van cyberverzekeringen in het vermogensrecht
mr. N.M. Brouwer, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. N.M. Brouwer
- JCDI
JCDI:ADS278846:1
- Vakgebied(en)
Informatierecht / ICT
Verzekeringsrecht / Schadeverzekering
Voetnoten
Voetnoten
L. Schuurs, ‘De verzekeringsovereenkomst’, in: W.M.A. Kalkman, W.G.A. van Gerner & K.J.L. Verschoor (reds.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu 2019, p. 36; N. Vloemans, ‘Inleiding: de overeenkomst van verzekering’, in: M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen & J.G.J. Rinkes (reds.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 3.
HR 16 januari 1959, NJ 1960/46 (m.nt. Heijmans van den Bergh). Zie uitgebreid over de verhouding tussen het algemeen vermogensrecht en het verzekeringsrecht J.G.C. Kamphuisen, ‘De verzekering als bijzondere overeenkomst’, AV&S 2004/10.
Kamphuisen 2004 en de in dat artikel genoemde literatuur (voetnoten 65-68).
Vgl. N. van Tiggele-van der Velde, ‘Contractsvrijheid: Hoe vrij is de verzekeraar in (de wijze van) begrenzing van de door hem geboden dekking’, in: N. van Tiggele-van der Velde & J.H. Wansink (reds.), Contractsvrijheid in het verzekeringsrecht, Deventer: Kluwer 2010, p. 3.
Vgl. ook het welbekende arrest Valschermzweeftoestel, HR 9 juni 2006, NJ 2006/326.
HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5203 (Herbouwwaarde); HR 10 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679 (Bosentan) en HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1736 (Ziektebeeld). Zie ook N. van Tiggele-van der Velde, ‘De vrijheid van de verzekeraar tien jaar na het Valschermzweeftoestel’, TREMA 2016/5, p. 142-162. Zie voor een diepgravende en kritische beschouwing over het effect van de gekozen polistechniek (primaire dekkingsomschrijving of preventieve garantie) op de werking van de redelijkheid en billijkheid J. Overes, ‘Primaire dekkingsomschrijvingen, preventieve garanties en de redelijkheid en billijkheid: naar een inhoudelijke benadering?’, AV&S 2020/3, p. 15-28.
Zie zowel Hendrikse 2019, p. 4 als Asser/Wansink & Van Tiggele 7-IX 2019/25, p. 21. Over de duiding van de verzekeringsovereenkomst wordt in de literatuur discussie gevoerd, zie de in voornoemde werken in de voetnoot opgenomen literatuur, alsmede Asser/Wansink & Van Tiggele 7-IX 2019/21, p. 18 en de aldaar genoemde literatuur.
J.H. Wansink, ‘De verzekeringsovereenkomst in titel 7.17 NBW: een nieuwe wettelijke regeling, een nieuw geluid?’, in: Het nieuwe verzekeringsrecht: een eerste verkenning van 7.17 NBW, Deventer: 2000, p. 1 e.v.; Wansink 2003; zie ook HR 8 juli 1982, NJ 1983/465.
Kamphuisen 2004.
Ibid.
M.L. Hendrikse e.a., ‘Verzekeringsrecht en algemene voorwaarden’, in: M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen & J.G.J. Rinkes (reds.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 25.
Zie voor een uitgebreide bespreking over het verschil tussen bijvoorbeeld dwaling en verzwijging Kamphuisen 2004. Een ander voorbeeld is de begrippen ‘opzet’ en ‘roekeloosheid’, waarbij in het verzekeringsrecht geen bewustheidsvereiste is opgenomen (zie bijvoorbeeld artikel 7:952 BW), in tegenstelling tot bijvoorbeeld het arbeidsrecht (artikel 7:658 BW en artikel 7:661 BW). Zie over de verschillende betekenis van de begrippen ‘opzet’ en ‘bewuste roekeloosheid’ ook B. Schouten, Opzet en bewuste roekeloosheid in het arbeidsrecht en het privaatrecht (diss. EUR), Den Haag: Boom Juridisch, 2020.
Een kernbeding is een ‘beding dat de kern van de prestatie aangeeft’, voor zover het beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd (artikel 6:231 sub a BW). De vuistregel is dat een kernbeding zo wezenlijk is, dat zonder dat beding de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen. Voor verzekeringsovereenkomsten wordt deze vuistregel niet voldoende toegesneden geacht, zie Asser/Wansink & Van Tiggele 7-IX 2019/107 e.v. De vraag of en wanneer sprake is van een kernbeding behandel ik in dit boek verder niet.
Zie voor een overzicht Hendrikse e.a. 2019 hoofdstuk 2 (Verzekeringsrecht en algemene voorwaarden), p. 25-124; Asser/Wansink & Van Tiggele 7-IX 2019/93-115; Kalkman e.a. 2019 hoofdstukken 4 en 5 (Algemene voorwaarden, polisvoorwaarden en oneerlijke bedingen en Uitleg van verzekeringsovereenkomsten), p. 133-170.
HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex) en HR 17 en 24 september 1993, NJ 1994/173 en NJ 1994/174 (cao-norm). Een andere uitlegmethode is het contra-proferentembeginsel en het daarmee samenhangende Transparenzgebot, wat inhoudt dat bij twijfel over de betekenis van een beding, de voor de wederpartij gunstigste uitlegt prevaleert. Dit beginsel geldt voor consumenten: het contra-proferentembeginsel vloeit voort uit de Richtlijn 93/13 EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PbEG 21 april 1993, L95). Bij professionele partijen wordt dit meegenomen als een gezichtspunt, vgl. bijv. R.P.J.L. Tjittes, ‘Uitleg van schriftelijke contracten’, RMThemis 2005/1, p. 22.
HR 20 februari 2004, NJ 2005/493 (DSM/Fox). Zie ook HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1055 (Ovencorrosie).
HR 16 mei 2008, NJ 2008/284, r.o. 3.4.2 (Chubb/Dagenstaed).
Asser/Wansink & Van Tiggele 7-IX 2019/347, p. 287.
Deze begrippen zijn verzekeringsjargon. Met de provinciale polis worden polissen bedoeld die geen beurspolissen zijn en dus niet op de assurantiebeurs worden afgesloten. Zie ook I. van Velzen, ‘Verzekering ter beurze, wat hoe en waarom?’, in: Van Tiggele-van der Velde e.a. (red.), Verzekering ter beurze. Coassurantie in theorie en praktijk (Onderneming & Recht nr. 67), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 3.
Zie de conclusie van A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2019:1153, par. 3.29-3.30 en de daarin genoemde verwijzingen.
HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9435, NJ 2006/326 (Valschermzweeftoestel). Zie uitgebreid over deze materie Van Tiggele-van der Velde 2016 en N. van Tiggele-van der Velde, ‘Het Ziektebeeld-arrest als sluitstuk op twee fronten’, AV&S 2021/2, p. 4-8.
Vgl. HR 20 oktober 2000, NJ 2001/120 (Biçak/Aegon).
Verzekeringen zijn bijzondere, privaatrechtelijke overeenkomsten, waarvan de wettelijke regeling is neergelegd in titel 7.17 BW. Zij zijn wederkerige overeenkomsten, waaruit voor beide partijen verplichtingen voortvloeien (artikel 6:261 BW). Gelet op het gelaagde systeem van het Burgerlijk Wetboek vinden de algemene leerstukken van privaatrecht toepassing op verzekeringsovereenkomsten, bijvoorbeeld boek 3 (algemeen vermogensrecht), boek 5 (zakelijke rechten) en boek 6 (titel 1 en 5, verbintenissen algemeen en overeenkomsten),1 tenzij titel 7.17 BW van deze algemene bepalingen uitdrukkelijk afwijkt.2 Kalkman e.a. noemen in dit kader het voorbeeld dat de verzekeraar zich ex artikel 7:931 BW niet kan beroepen op de vernietigingsgronden bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of dwaling.3 Bij schending van de precontractuele mededelingsplicht door de verzekeringnemer dient de verzekeraar zich te beroepen op artikel 7:928 BW en/of artikel 7:930 BW (het leerstuk verzwijging). Artikel 7:931 BW heeft eenzijdige werking: heeft de verzekerde gedwaald, dan geldt het algemene artikel 6:228 BW wel.
Onder het oude verzekeringsrecht vormt het Benzol-arrest uit 1959 een goed voorbeeld van hoe de toepassing van het algemene verbintenissenrecht – in dat geval ontbinding van de overeenkomst wegens wanprestatie van de verzekerde – gelet op het karakter van de verzekeringsovereenkomst tot onaanvaardbare resultaten kan leiden.4 De rechter heeft dus de mogelijkheid om het bijzondere karakter van de verzekeringsovereenkomst te laten meewegen in de beslissing of de ontbinding in het concrete geval gerechtvaardigd is.5
Ook bij verzekeringsovereenkomsten is het beginsel van contractsvrijheid het principiële uitgangspunt.6 Dit beginsel wordt begrensd door algemene privaatrechtelijke leerstukken, zoals artikel 3:40 BW en de in artikel 6:231 BW neergelegde regel dat kernbedingen niet vatbaar zijn voor toetsing op een onredelijk bezwarend karakter. Titel 7.17 BW begrenst de contractsvrijheid bij de verzekeringsovereenkomst op een aantal punten door middel van dwingend recht. Deze dwingendrechtelijke bepalingen vormen een bescherming voor de verzekerde, bijvoorbeeld met de bepaling in artikel 7:941 lid 4 BW dat een verzekeraar bij een schending van de medewerkingsplicht door de verzekerde slechts het verval van dekking mag inroepen indien hij in een redelijk belang is geschaad (tenzij sprake is van het opzet op om de verzekeraar te misleiden, artikel 7:941 lid 5 BW). Met deze extra toets wijkt titel 7.17 bovendien af van de algemene privaatrechtelijke bepalingen (artikel 6:74 BW en artikel 6:265 BW). Afgezien van dergelijke dwingende bepalingen staat het de verzekeraar vrij om zelf te bepalen voor welke risico’s en tegen welke voorwaarden hij dekking wil verlenen.7 De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) kan daarbij in (zeer) bijzondere omstandigheden een rol spelen.8
Het feit dat een verzekering een overeenkomst is, vormt een belangrijk gegeven. Het gaat daarbij bovendien om een kansovereenkomst: het element van onzekerheid is kenmerkend voor de verzekeringsovereenkomst (artikel 7:925 BW).9 De verzekeringsovereenkomst is mede om die reden een bijzondere overeenkomst en onderscheidt zich op verschillende manieren van andere overeenkomsten. Wansink heeft bijvoorbeeld meermaals gewezen op de belangrijke maatschappelijke rol van verzekeringen.10 Kamphuisen wijst erop dat de verzekeringsovereenkomst zich kenmerkt door een grote mate van goed vertrouwen.11 Daarbij komt, zo stelt Kamphuisen, dat tussen de prestaties van beide partijen (betalen van premie respectievelijk uitkeren bij verwezenlijking van het risico) geruime tijd kan verstrijken.12 Ook daarin onderscheidt de verzekeringsovereenkomst zich van bijvoorbeeld de koopovereenkomst.
Verzekeraar en verzekerde leggen de afspraken die zij maken zo goed mogelijk vast in de polisvoorwaarden, waarin zij behoudens dwingend recht een grote vrijheid hebben. Bij de beoordeling van een beroep op de polisvoorwaarden gaat het dus om de uitleg van een overeenkomst. Verzekeringsrecht wordt daarom ook wel aangeduid als polissenrecht.13 Ook de in titel 7.17 BW gebruikte begrippen en leerstukken, bijvoorbeeld opzet, roekeloosheid (eigen schuld, artikel 7:952 BW), de mededelingsplicht (artikel 7:928 BW), medewerkingsplicht en opzet tot misleiding (artikel 7:941 BW) en bereddingsplicht (artikel 7:957) moeten telkens tegen de achtergrond van deze bijzondere overeenkomst worden gezien. Dit betekent dat specifieke begrippen die ook elders in het BW voorkomen, in verzekeringsrechtelijke context een andere betekenis kunnen dragen.14
Bij discussies over verzekeringen komt het dus vaak neer op een uitlegkwestie. Polisvoorwaarden zijn bovendien aan te merken als algemene voorwaarden, waardoor titel 6.5.3. van toepassing is, tenzij het gaat om kernbedingen.15 Over de uitleg van overeenkomsten en algemene voorwaarden is veel rechtspraak ontwikkeld en veel rechtswetenschappelijke literatuur verschenen.16 Bij de uitleg van een beding in een overeenkomst gaat het vooral om de vraag wat een redelijke uitleg van de overeenkomst meebrengt.
Wat een redelijke uitleg meebrengt, kan op verschillende manieren worden vastgesteld. In de jurisprudentie zijn twee belangrijke uitlegnormen ontwikkeld: de Haviltex-norm en de cao-norm.17 Bij de Haviltex-norm komt het neer op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de contractbepaling mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij tevens van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoorden en welke rechtskennis van die partijen kon worden verwacht. Dit is een subjectieve toets. De cao-norm behelst juist een meer objectieve toets: het gaat niet zozeer om de bedoelingen van partijen, maar om de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de contractbepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst. Het verschil tussen beide uitlegmethoden is gelegen in de mate waarin partijen over de overeenkomst hebben onderhandeld. Bij cao-bepalingen zijn de werknemers niet bij de totstandkoming daarvan betrokken geweest. Tussen beide uitlegmethoden bestaat een vloeiende overgang, zo bepaalde de Hoge Raad in het arrest DSM/Fox.18 Van een harde tegenstelling is dus geen sprake.
Ook specifiek voor verzekeringsovereenkomsten geldt dat de mate waarin tussen partijen is onderhandeld, bepalend is voor de te hanteren uitlegmethode. In het arrest Chubb/Dagenstaed heeft de Hoge Raad een objectieve invulling van de Haviltex-norm vormgegeven: bij verzekeringsvoorwaarden waarover tussen partijen normaliter niet wordt onderhandeld (en ook niet onderhandeld is), is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de betreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van eventuele bij de polisvoorwaarden behorende toelichting.19 Of en in hoeverre er over verzekeringsvoorwaarden is onderhandeld, zal vaak afhangen van de (omvang van) de te verzekeren partij. Bij een grote partij met een ‘beurspolis’ zal in de regel sprake zijn van maatwerk, waarbij veelvuldig overleg over de inhoud heeft plaatsgevonden.20 Dit in tegenstelling tot een kleinere partij die een gestandaardiseerde, ‘provinciale’ polis afneemt.21
Uit de rechtspraak volgt dat bij voornoemde uitlegmethode ook andere omstandigheden van belang zijn, bijvoorbeeld de betekenis van een begrip in het algemene spraakgebruik, de betekenis in een specifieke setting (bijvoorbeeld ter beurze), het met de bepaling beoogde doel en de aard van de verzekering en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.22
Ten behoeve van dit onderzoek heb ik groot aantal polisvoorwaarden onderzocht. Dit zijn sets standaardvoorwaarden. Zoals uit het voorgaande volgt, is uitleg van voorwaarden een centraal element. Uitleg is in dit boek echter niet een onderzoeksvraag of -object op zichzelf. Een onderscheid tussen ‘provinciale’ cyberpolissen en beurspolissen heb ik daarom niet gemaakt. Een (model)beurspolis voor cyberverzekeringen is in Nederland bovendien nog niet ontwikkeld. De in cyberverzekeringsvoorwaarden gebruikte begrippen hebben dan ook geen eigen (beurs)betekenis. Uiteraard is het zo dat waar grote bedrijven cyberverzekeringen afsluiten, er meer onderhandeling plaatsvindt en een subjectievere uitleg te bepleiten valt. Als uitgangspunt hanteer ik echter de geobjectiveerde Haviltex-leer zoals door de Hoge Raad in Chubb/Dagenstaed is gehanteerd, tegen de achtergrond van een redelijke uitleg. Daar waar een andere uitlegmethode daadwerkelijk tot een significant andere betekenis van een clausule zou leiden, heb ik dat benoemd.
Wat evenmin een zelfstandig onderzoeksobject vormt in dit boek, zijn clausules waarbij een discussie denkbaar is over de vraag of de clausule moet worden gezien als een primaire dekkingsomschrijving of een preventieve garantieclausule,23 en wat dit betekent voor de werking van de redelijkheid en billijkheid, bijvoorbeeld als er geen verband bestaat tussen de geschonden verplichting en de verwezenlijking van het risico.24 De vraag of sprake is van een primaire dekkingsomschrijving of een preventieve garantieclausule en hoe dat benaderd zou kunnen/moeten worden, is een vraag die, op zichzelf bezien, buiten het bestek van het onderhavige onderzoek valt.