Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.3.4.6
7.3.4.6 Gedwongen verkrijging materiaal buiten verdachte om beschikbaar: nemo tenetur-bescherming?
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS493609:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over dit onderscheid § 7.4.3.2.1 hierna.
EHRM 25 februari 1993 (Funke t. Frankrijk),BNB 1993/350 (m.nt. Wattel); FED 1993/628 (m.aant. Feteris); NJ 1993, 485 (m.nt. Knigge): ‘The Court notes that the customs secured Mr Funke’s conviction in order to obtain certain documents which they believed must exist, although they were not certain of the fact. Being unable or unwilling to procure them by some other means, they attempted to compel the applicant himself to provide the evidence of offences he had allegedly committed. (…).’
Feteris, noot onder EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk), BNB 1997/254, pt. 9.
Zie Hartmann 2002, p. 171, die ook los van de onzekerheid over het bestaan van de gevraagde documenten mogelijk acht dat de uitlevering van schriftelijke informatie onder de nemo tenetur-rechtsborg valt. Zie ook Van Toor 2011, onderdeel 3.2.1, die meent dat het onderscheid tussen materiaal dat afhankelijk en onafhankelijk van de wil bestaat alleen van belang is voor de beoordeling welke mate van dwang mag worden gebruikt.
A-G Wattel, conclusie bij HR 24 april 2015, RvdW 2015/606, pt. 6.5 en pt. 7.6.
Pt. 7.8. Het lijkt Wattel dan ook praktisch om al het materiaal dat wordt verkregen door ‘coercion or oppression in defiance of the will’ van de verdachte/belastingplichtige als wilsafhankelijk te beschouwen: dan hoeft niet beoordeeld te worden of het materiaal theoretisch wellicht ook anders dan door dwang verkregen zou kunnen worden en wordt voorkomen dat de waarborg tegen zelfincriminatie afhangt van de vraag of de autoriteiten het materiaal niet willen of kunnen verkrijgen zonder ‘coercion or oppression’ jegens de verdachte/belastingplichtige.
A-G Niessen, conclusie bij HR 29 mei 2015, V-N 2015/8.4, pt. 4.31. Het arrest van 12 juli 2013 komt ter sprake in § 16.4.3.
Pt. 4.38.
Pt. 4.41.
Pt. 4.56.
In min of meer gelijke zin Van Kempen in zijn noot onder EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007).
Zie over de compenserende werking van procedurele waarborgen hoofdstuk 10 hierna.
Keer ik terug naar de ruime lezing van de Straatsburgse rechtspraak over het niet-meewerkrecht die in § 7.3.4.3 aan de orde kwam, dan is een uiterste consequentie van de uitleg en toepassing van nemo tenetur als ‘due process’-waarborg waarbij de bescherming van de verdachte tegen ‘improper compulsion’ voorop staat, dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting ook of zelfs in het geding is wanneer de autoriteiten ‘real evidence’ buiten de verdachte om kunnen verkrijgen, maar ervoor kiezen om de verdachte te dwingen dat zelf af te geven. Vgl. stukken die bij de autoriteiten bekend zijn en die zij op grond van een uitleveringsbevel vorderen, terwijl zij die stukken ook bij een doorzoeking in handen kunnen krijgen. In het laatste geval hoeft de verdachte niet actief mee te werken aan de bewijsverkrijging en enkel de uitoefening van dwangmiddelen te dulden.1
De Straatsburgse rechtspraak biedt naar mijn oordeel geen uitsluitsel over de vraag of materiaal dat de autoriteiten ook buiten de verdachte om kunnen verkrijgen, eventueel nemo tenetur-bescherming heeft. Voor het Hof heeft (nog) geen klachtzaak gediend waarin deze vraag speelde. In Jalloh hadden de agenten weliswaar gezien dat de klager een bolletje cocaïne inslikte en konden zij dat langs natuurlijke weg van hem verkrijgen, maar in deze zaak kwam het niet tot een zelfstandige beoordeling van de klacht over schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Dit vanwege de al geconstateerde schending van art. 3 EVRM.
In § 44 van het arrest in de zaak Funke lijkt wel een aanwijzing schuil te gaan dat het Hof voor de toepassing van het recht tegen gedwongen zelfbelasting geen belang hecht aan de eventuele beschikbaarheid van het bewijs buiten de verdachte om, wanneer het overweegt dat de Franse autoriteiten niet in staat waren om de van klager gevorderde documenten te verkrijgen ofdat niet wilden.2 Enkele jaren erna wijst Feteris in zijn noot onder Saunders erop dat het laatstgenoemde arrest geen aanleiding is om in de trant van HR 1 juli 1992, nr. 26 331, een uitzondering te maken in gevallen waarin de overheid de informatie ook langs een andere rechtmatige weg had kunnen verkrijgen, zoals op grond van een onderzoek bij derden.3
De opvatting dat ook materiaal dat de autoriteiten buiten de verdachte om kunnen, maar niet willen verkrijgen binnen het toepassingsbereik van het niet-meewerkrecht valt, heeft in ieder geval tot aan de zaak Chambaz in de literatuur weinig weerklank gevonden.4 Dit kan worden verklaard doordat schrijvers (blijven) vasthouden aan het Saunders-criterium en onvoldoende oog hebben voor de bescherming van de verdachte tegen ‘improper compulsion’. Het door het Hof gemaakte onderscheid tussen ‘real evidence’ en – als uitzondering daarop – Saunders-materiaal, dat naast het direct belastende karakter van het materiaal steunt op de verkrijgingswijze ervan door de autoriteiten, blijft hierdoor onderbelicht.
Wattel lijkt inmiddels van opvatting dat materiaal wilsafhankelijk is als de Staat bepaalde documenten – ‘pre-existing’ of niet – niet kan of wil achterhalen zonder ‘coercion or oppression in defiance of the will’ van de belastingplichtige.5 Hij beschouwt als wilsafhankelijk al het materiaal dat ‘in defiance of his will’ van de belastingplichtige afgedwongen wordt en waarvan hij niet kan uitsluiten dat het punitief tegen hem gebruikt zal worden, óók materiaal dat de autoriteiten wel zouden kunnen veilig stellen zonder ‘coercion or oppression’ (bijvoorbeeld door telefoontap of doorzoeking), maar ter zake waarvan zij ervoor kiezen – om reden van efficiëntie of gemak – toch ‘coercion or oppression’ gebruiken.6
Zie ook Niessen die uit Chambaz afleidt dat ‘real evidence’ (waaronder hij verstaat materiaal dat de vervolgende instantie niet zonder medewerking van de betrokkene kan verkrijgen) dat onder dwang wordt afgegeven, niet voor vervolging mag worden gebruikt.7 Het nemo tenetur-beginsel ziet volgens het Hof niet alleen op het afleggen van mondelinge of schriftelijke verklaringen (dus op de totstandkoming van het materiaal), aldus Niessen, maar ook op het gebruik van ‘methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused’ bij het afdwingen van reeds bestaand (wilsonafhankelijk) materiaal, zoals documenten.8 Volgens Niessen vormt de zaak Chambaz het (voorlopige?) sluitstuk van een ontwikkeling waarin de ruimte voor het vorderen van wilsonafhankelijk materiaal is ingeperkt. Wat in Funke en J.B. nog als uitzondering gold, geeft het Hof in Chambaz als vaste regel. Ook wilsonafhankelijk materiaal dat onder meer dan heel lichte dwang is verkregen, mag niet tegen de belanghebbende worden gebruikt bij een vervolging wegens belastingfraude, aldus Niessen.9 Het onderscheid tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk bewijs, dat de HR in zijn arrest van 12 juli 2013, nr. 12/01880, aanbrengt, zou volgens hem niet van belang zijn.10
Eigen opvatting: ruime lezing is minstens zo waarschijnlijk
Ik acht de (ruime) lezing waarin de toepasselijkheid van het niet-meewerkrecht afhankelijk is van de verkrijgingswijze van fysiek materiaal door de autoriteiten, minstens zo waarschijnlijk als de lezing waarin het niet-meewerkrecht wordt geplaatst in het licht van de verklaringsvrijheid en/of het bestaan respectievelijk de beschikbaarheid ervan. Voor de goede orde: dit betekent niet dat alle fysiek bewijs dat de autoriteiten van de verdachte verkrijgen, binnen het toepassingsbereik van het niet-meewerkrecht zou vallen. Hierna zal ik nog toelichten dat het Hof het toepasselijkheidscriterium ‘dwang’ verschillend lijkt uit te leggen, naar gelang sprake is van het gedwongen afleggen van een verklaring of de gedwongen afgifte van ‘real evidence’. Terwijl voor de toepasselijkheid van het zwijgrecht de enkele vaststelling dat sprake is van dwang tot zelfbelasting volstaat, is voor de toepasselijkheid van het niet-meewerkrecht kennelijk aanmerkelijk meer dan geringe dwang vereist.11 De kernvraag is of die dwang in strijd met art. 3 EVRM moet komen, wil er sprake zijn van schending van het niet-meewerkrecht.
Dat ik de ruime lezing waarschijnlijk acht, betekent evenmin dat ik een ruim toepassingsbereik van het niet-meewerkrecht zou voorstaan, waarin alle fysiek materiaal dat de autoriteiten van de verdachte afdwingen nemo tenetur-bescherming krijgt. Hiertegen pleit mijns inziens dat de betrouwbaarheid als grondslag zich in beginsel niet uitstrekt tot materiaal dat bestaat op het moment dat de autoriteiten dat van de verdachte vorderen. De gedwongen verkrijging van (bestaand) fysiek materiaal raakt wel aan het respect voor de menselijke waardigheid en autonomie als tweede grondslag, waarbij ik opmerk dat het respect voor de waardigheid van de verdachte deels wordt afgezekerd door het verbod op foltering en onmenselijke behandeling in art. 3 EVRM en de (proces)autonomie mede wordt ondervangen door andere procedurele (verdedigings)waarborgen dan nemo tenetur.12 In zoverre is de zelfstandige betekenis van het niet-meewerkrecht voor fysiek materiaal beperkt. Een uitleg en toepassing van het niet-meewerkrecht waarin het ‘verklarende’ karakter van de van de verdachte gevorderde (actieve) handeling doorslaggevend is, heeft naar mijn oordeel dan ook de beste kaarten. Temeer omdat dit criterium praktisch werkbaar is, ook al zal de vaststelling dat de autoriteiten al dan niet bekend zijn met het bestaan (en eventueel de locatie en inhoud c.q. de authenticiteit) van het gevorderde materiaal, het nodige (feiten)onderzoek van de autoriteiten (en eventueel de rechter) kunnen vergen.13