Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.3
7.3 Frans recht in de Nederlanden: 1811-1838
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264478:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2079 Cc; Delvincourt & Drault 1825, p. 420; Troplong 1847, p. 391 en 404-405; Laurent 1877, p. 486; Loynes 1906, p. 10-11, p. 95; Duranton 1834, p. 401-402. Een uitzondering hierop gold voor het pandrecht op vorderingen: art. 2081 Cc.
Duranton 1834, p. 401-402; Troplong 1847, p. 390 en 405.
Troplong 1847, p. 391 en 404-405; Duranton 1834, p. 401-402; Planiol & Ripert 1927, p. 110-111.
Art. 2085 Cc (oud). Delvincourt & Drault 1825, p. 429; Duranton 1834, p. 414-415. Troplong 1847, p. 475-476; Loynes 1906, p. 163-164. Laurent, Principes de droit civil Français. Tome vingt- huitième, p. 527-529.
Delvincourt & Drault 1825, p. 429; Duranton 1834, p. 372; Troplong 1847, p. 448-448 en p. 476; Laurent 1877, p. 529-530.
Art. 2085 Cc. Troplong 1847, p. 489; Duranton 1834, p. 412; Troplong 1847, p. 489. Loynes 1906, p. 170-171. Anders: Laurent 1877, p. 532-533.
Art. 2088 Cc.
Art. 2085 Cc, Loynes 1906, p. 171-172; Duranton 1834, p. 412; Troplong 1847, p. 489; Loynes 1906, p. 170-171.
Duranton 1834, p. 412-413; Troplong 1847, p. 490; Laurent 1877, p. 534.
Delvincourt & Drault 1825, p. 429-430; Troplong 1847, p. 474-475; Laurent 1877, p. 554; Béguin 2012, p. 15; Bobbink 2016, p. 104 en 107-108.
Delvincourt & Drault 1825, p. 429-430; Troplong 1847, p. 474-475; Laurent 1877, p. 554; Mouly e.a. 2010, p. 706; Bobbink 2016, p. 104 en 115.
Delvincourt & Drault 1825, p. 429-430; Troplong 1847, p. 481 en p. 540-542; Duranton 1834, p. 417; Baudry-Lacantinerie & De Loynes 1906, p. 191-195. De opvatting dat de antichrèse wel een goederenrechtelijk recht was, werd met een beroep op het Romeinse recht alleen verdedigd door Pothier 1809, p. 96-97.
Voor een retentierecht met derdenwerking waren Duranton 1834, p. 417-420; Loynes 1906, p. 195-196. Tegen waren Delvincourt & Drault 1825, p. 430; Troplong 1847, p. 540-542; Laurent 1877, p. 547-549, p. 566-569.
Béguin 2012, p. 9.
Delebecque 2012, p. 354-355; Mouly e.a. 2010, p. 709-711.
Art. 2387-2392 Cc.
Zie echter Cour de Cassation 18 december 2002, 01-12143; Delebecque 2012, p. 352-355; Avena-Robardet 2003, p. 491; Béguin 2012, p. 11 en 13; Mouly e.a. 2010, p. 710-711.
Vgl. Planiol/Ripert & Becqué 1953, p. 342.
Troplong 1847, p. 474-475; Laurent 1877, p. 554; Mouly e.a. 2010, p. 706.
Mouly e.a. 2010, p. 706; Malaurie/Crocq 2011, p. 221; Béguin 2012, p. 9.
In 1811 werd de Franse Code civil integraal van kracht in de Nederlanden. Art. 2079 Cc stelde de rechten van de pandhouder gelijk aan die van de bewaarnemer. Dit betekende dat de pandhouder niet stilzwijgend bevoegd was het onderpand te gebruiken.1 Bovendien mocht hij de vruchten niet innen als rentevergoeding of als aflossing op de gesecureerde vordering.2 In afwijking van het Romeinse recht kende het Franse recht dus geen stilzwijgend recht van pandgebruik. Evenmin kende het Franse recht een gebruiksplicht. Het stond partijen wel vrij een verbintenisrechtelijk werkende afspraak te maken op grond waarvan de pandhouder de bevoegdheid verkreeg het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken.3 Deze mogelijkheid was echter niet in de wet voorzien en zij kreeg weinig aandacht in de literatuur. De Franse wet kende wel een zelfstandig recht van antichrese op onroerende zaken: de antichrèse. Een recht van antichrèse kwam tot stand door een schriftelijke overeenkomst.4 Zij trad pas in werking als de schuldenaar de feitelijke heerschappij over het zekerheidsobject aan de schuldeiser toekende.5 Deze overeenkomst bracht mee dat de schuldeiser bevoegd werd de zaak te gebruiken en de vruchten ervan te trekken.6 De schuldeiser verkreeg, anders dan bij het recht van pand (gage) of hypotheek (nantissement) geen recht van voorrang op de verkoopopbrengst van de in antichrèse gegeven zaak.7 Als hoofdregel gold dat de zelfstandige antichrese een aflossingsfunctie had.8 In afwijking van deze hoofdregel konden partijen overeenkomen dat de antichrese een rentefunctie had.9 Het was mogelijk om het recht van antichrèse te combineren met een hypotheekrecht op onroerende zaken. De hypotheekhouder kreeg dan de feitelijke heerschappij over het hypotheekobject, en de bevoegdheid om het object te gebruiken en de vruchten ervan te trekken.10
De regeling van de Franse antichrèse stond bekend als ongelukkig.11 In de negentiende eeuw was de heersende opvatting dat het recht van antichrèse geen goederenrechtelijke werking had. De schuldeiser had slechts een verbintenisrechtelijk recht om de vruchten te innen.12 Sommige auteurs betoogden dat aan de schuldeiser wel een retentierecht toekwam dat hij kon handhaven tegen derden. Hierover bestond in de literatuur geen eenstemmigheid.13 Zo bestond onduidelijkheid over één van de belangrijkste eigenschappen van het recht van antichrèse: derdenwerking. Deze onduidelijkheid duurde voort tot in de twintigste eeuw,14 toen de Code civil al lang geen gelding meer had in Nederland.
In de twintigste eeuw ontwikkelde zich de heersende leer dat de antichrèse een goederenrechtelijk recht was. Dit recht had zaaksgevolg en de schuldeiser kon zijn recht van antichrese handhaven tegen derden, zelfs in faillissement.15 Onder de naam gage immobilier leeft de zelfstandige antichrese voort in het moderne Franse zekerhedenrecht.16 Zij wordt in de rechtspraktijk echter nauwelijks gebruikt.17 De rechten van pand en hypotheek genieten de voorkeur. Zij krijgen ook in de wetenschap veel meer aandacht dan de zelfstandige antichrese.18
Toen de Franse Code civil evenwel in Nederland werd ingevoerd, stond de antichrèse bekend als een ongelukkig geregelde onvolmaakt wederkerige overeenkomst waaraan geen goederenrechtelijke werking toekwam. Het idee dat aan het recht van antichrèse geen goederenrechtelijke werking toekwam maakte deze rechtsfiguur onaantrekkelijk.19 Dit heeft er vermoedelijk aan bijgedragen dat de antichrèse in de negentiende eeuw is verworden tot een dode letter.20