Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/19.2.2.3:19.2.2.3 Aanbevelingen voor de nationale rechter
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/19.2.2.3
19.2.2.3 Aanbevelingen voor de nationale rechter
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS452183:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de nationale rechter is de aanbeveling die uit het voorgaande voortvloeit tweeledig: aan de ene kant dient de feitenrechter de ruimte te krijgen en in voorkomende gevallen te nemen om het vertrouwensbeginsel niet de doorslag te laten geven en de samenwerking te weigeren. In mijn benadering kan in bepaalde gevallen een normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel worden aangenomen, maar is het niet zo dat het vertrouwensbeginsel zonder meer tot terughoudendheid bij de toetsing van een bepaald aspect van de samenwerking dwingt, laat staan dat het vertrouwensbeginsel toetsing zonder meer uitsluit. De keerzijde hiervan is dat het (al dan niet) hanteren van het vertrouwensbeginsel een nauwkeurige beoordeling van de casus en (veelal) het gevoerde verweer vereist. In een concreet geval dient de rechter aan de hand van de eerder geformuleerde dimensies nauwkeurig na te gaan op welke vraag een bepaald onderdeel van de samenwerking of daarop gericht verweer precies ziet. Veelal leidt dit tot de conclusie dat een bepaald aspect wel of niet onderworpen is aan toetsing zonder dat het vertrouwensbeginsel behoeft te worden ingeroepen. In een aantal situaties is de slotsom echter dat het vertrouwensbeginsel wel een expliciete rol heeft te spelen. De uitvoerende autoriteiten kunnen daar dan toe gehouden zijn, maar dienen daarbij wel aan te geven op grond waarvan het vertrouwen in een dergelijk geval wordt aangenomen en hoe ver dat vertrouwen reikt. Bij verdragloze samenwerking is er in beginsel geen rol weggelegd voor enige werking van het vertrouwensbeginsel, tenzij dat wordt gebaseerd op bijvoorbeeld een vigerend mensenrechtenverdrag.
Door op deze wijze de casus nauwkeurig en concreet te beoordelen, wordt inzichtelijk waarom een bepaald aspect van de samenwerking wel of niet wordt getoetst, of dat wel of niet toetsen samenhangt met verondersteld vertrouwen of niet en dus ook welke verwachting met de beoordeling wordt uitgesproken in de autoriteiten van de andere staat. Een simpel voorbeeld betreft de specialiteitsregel: bij verdraggebonden samenwerking is die regel doorgaans als verplichting voor de toekomst in het verdrag opgenomen, zonder dat het verdrag toestaat te beoordelen of die regel zal worden nageleefd. De nationale rechter treedt dan ook niet in die beoordeling, maar dat vloeit op zichzelf niet voort uit (een normatief -beperkende werking van) het vertrouwensbeginsel. Meer dan het nakomen van een verdragsverplichting door de aangezochte staat (te weten de verplichting tot bijvoorbeeld uitlevering) is het niet-toetsen in dit voorbeeld niet. De aanname daarbij is uiteraard wel dat de verzoekende staat op eenzelfde manier het verdrag (te weten de specialiteitsregel) zal naleven. De achtergrond van het probleem in dit voorbeeld is uiteraard wel in verband te brengen met het vertrouwensbeginsel: bij het aangaan van een verdrag is er voldoende vertrouwen in de andere staat dat die staat het ‘contract’ zal naleven. Is dat vertrouwen er niet, dan heeft het aangaan van het verdrag geen zin. Maar het niet-toetsen van de verwachte naleving van de specialiteitsregel is vervolgens niet meer dan waartoe de betreffende staat volgens het volkenrecht gehouden is.
Door op deze manier nauwkeurig te beoordelen waar de opgeworpen vraag op ziet en of er ruimte is voor het aannemen van een normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel, wordt dat vertrouwen expliciet gemaakt. De rechter benoemt op grond waarvan het vertrouwen kan worden aangenomen en die aanname kan door de verdediging worden bekritiseerd, bijvoorbeeld door te wijzen op veranderde omstandigheden in de vreemde staat ten opzichte van het aangaan van de verdragsrelatie (als die verdragsrelatie de grondslag vormt voor aan te nemen vertrouwen).