Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.2
IX.3.2 Beknopt overzicht van de jurisprudentie van de Hoge Raad
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS356432:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 26 maart 1982, NJ 1982, 615, m.nt. WMK.
Zie HR 30 januari 1987, NJ 1987, 530, m.nt. G.
De Hoge Raad spreekt over “terstond bij het sluiten van een overeenkomst reeds hun bestaan aanvangende vorderingen onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling of tot terstond vaststaande periodieke betalingen”.
Zie reeds in vergelijkbare zin: Rb. ’s-Hertogenbosch 29 november 1985, NJ 1987, 113.
Zie HR 25 maart 1988, NJ 1989, 200, m.nt. WMK.
Vgl. reeds in verband met het bepaalde in art. 1292 BW (oud): HR 28 mei 1952, NJ 1953, 394, m.nt. PhANH. Onjuist is de opvatting dat de Hoge Raad in het arrest geoordeeld zou hebben dat elke vordering die afhankelijk is van een wilsverklaring (dus ook indien het een wilsverklaring van de schuldeiser betreft) een toekomstige is die eerst ontstaat indien de wilsverklaring is afgelegd. Zie voor deze opvatting: Mijnssen & Van Mierlo 2009, p. 96. Een vordering die afhankelijk is van een wilsverklaring van de schuldeiser kan zeer wel een bestaande vordering zijn. Zie ook: nrs. 879 en 888.
Zie HR 24 mei 1991, NJ 1992, 246, m.nt. PvS.
Zie ook: HR 11 september 1992, NJ 1992, 746, alsmede HR 29 september 1995, NJ 1997, 419 en HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 139, m.nt. MS. Vgl. reeds met betrekking tot wanprestatie: HR 20 juni 1924, NJ 1924, p. 1107 e.v.
Zie voor deze opvatting: Lindenbergh 2008, nrs. 35 en 51; Van Boom 1993, p. 702; Olthof 1988, p. 124 en Bloembergen 1965, nr. 94. In dezelfde zin: Parl. Gesch. Overgangsrecht (Inv. 3, 5 en 6), p. 149-150 en p. 160. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 381.
Zie Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nr. 324 en hierna: § IX.3.5.6.1.
Zie HR 3 mei 2002, NJ 2002, 393, m.nt. PvS.
Zo ook: HR 9 juli 2004, NJ 2004, 618, m.nt. PvS (Bannenberg q.q./NMB-Heller) met betrekking tot een contractueel overeengekomen regresvordering. Vgl. reeds: HR 3 juni 1994, NJ 1995, 340, m.nt. HJS (Nederlandse Antillen/Komdeur q.q.); HR 8 november 1974, NJ 1975, 268 en HR 13 november 1903, W 7986 (De Veije q.q./Waterreus). Zie ook: TK 1992-1993, 22 969, nr. 3, p. 45. De Hoge Raad wijst met zijn arrest de in de literatuur verdedigde opvatting dat de regresvordering een toekomstige vordering is, van de hand zonder zijn oordeel overigens te motiveren. Zie voor deze literatuur in het bijzonder: Faber 1995, p. 35-40; H.J. Snijders, noot in NJ 1995, 342, onder nr. 2 en Asser-Van Schaick 5-IV 2006, nrs. 235 en 238. In HR 6 juni 2008, NJ 2010, 12, m.nt. Hijma (Bras/The Satisfactorie BV), lijkt de Hoge Raad daarentegen weer te oordelen dat de regresvordering van de borg een toekomstige vordering is die eerst ontstaat met de betaling door de borg van de schuldeiser. Zie Hijma in zijn noot onder het arrest onder nr. 6. Vgl. voorts: HR 18 december 1992, NJ 1993, 734, m.nt. PvS (Harko/Groen-Kelderman q.q.); HR 9 januari 1987, NJ 1987, 506, m.nt. G (Delta Lloyd/Zwolsche Algemeene) en HR 26 januari 1973, NJ 1973, 219, m.nt. HB (Pierson/Ontvanger) waaruit eveneens leek te volgen dat regresvorderingen toekomstige vorderingen zijn. Vgl. daarnaast nog: Koops 2009, p. 116 e.v.
Zie HR 3 december 2010, NJ 2010, 653.
Zie HR 5 januari 1990, NJ 1990, 325.
Zo ook: Rb. Groningen 21 oktober 2009, RI 2010, 12 (Orinoco/Maas Lastechniek). Waarschijnlijk dient hetzelfde te worden aangenomen met betrekking tot een nog niet verbeurde dwangsom. Zie MvT, Parl. Gesch. Boek 6, p. 531 en M.B. Beekhoven van den Boezem 2006, nr. 21.2.
Zie HR 24 maart 1995, NJ 1996, 447, m.nt. HJS. Zie over het arrest ook: Kortmann 1997, p. 481 e.v. en uitvoerig: Broekveldt 2003, p. 175 e.v.
Zie MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1247-1248, waar er eveneens van wordt uitgegaan (onder verwijzing naar het postgiro- en het loonbeslag-arrest) dat een vordering tot afdracht pas ontstaat, indien de gelden zijn geïnd. Zie echter ook: HR 23 juni 1995, NJ 1996, 566, m.nt. HJS (FMN/PAP), r.o. 3.4.2, waar de Hoge Raad ten aanzien van een vordering op een factormaatschappij tot afdracht van dagelijks door de factor te innen gelden ter zake van aan de factor gecedeerde vorderingen, lijkt te oordelen dat dit een bestaande vordering is.
Zie HR 15 april 1994, NJ 1994, 607, m.nt. PvS.
Zie HR 27 januari 1989, NJ 1989, 422, m.nt. PvS.
Zie HR 10 januari 1975, NJ 1976, 249, m.nt. BW (Giro/Standaardfilms).
Genoemde arresten hebben overigens betrekking op verrekening.
Zie HR 3 december 2004, NJ 2005, 200, m.nt. PvS. Vgl. HR 19 november 2004, NJ 2005, 199, m.nt. PvS (ING/Gunning q.q.) en Hof ’s-Hertogenbosch 29 juni 2010, RI 2010/69 (Curator/Rabobank Maashorst).
Zie o.a.: Rank 1996, p. 261 e.v., met verdere verwijzingen.
Zie HR 7 juni 1929, NJ 1929, p. 1285 e.v., m.nt. PS (De Staat/Buitenlandsche Bankvereeniging).
Zie HR 25 februari 1932, NJ 1932, p. 301 e.v., m.nt. PS.
Zie nr. 861.
Zie nr. 861.
Zie HR 29 oktober 2004, NJ 2006, 203, m.nt. HJS.
Zie r.o. 3.5.
Zie HR 28 september 1990, NJ 1991, 305, m.nt. PvS (De Ranitz q.q./Ontvanger).
Zie HR 12 november 1993, NJ 1994, 229, m.nt. WMK (Frima q.q./Blankers).
Mogelijk volgt de Hoge Raad de conclusie van A-G Koopmans, die stelt dat het feit dat de verbintenis pas ontstaat door het ontslag volgt uit het systeem van de Pensioen- en Spaarfondsenwet en de Regelen Verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en Spaarfondsenwet. In zijn noot verklaart Kleijn daarentegen het arrest aan de hand van het door hem geformuleerde criterium van ‘interne’ en ‘externe’ elementen (waarover hierna: § IX.3.4). In casu zou sprake zijn van een toekomstige vordering, omdat het ontstaan van de verplichting tot affinanciering afhankelijk was van de uitoefening van een daartoe strekkend wilsrecht (de opzegging van de dienstbetrekking). Zie kritisch over het oordeel van de Hoge Raad: Boekraad 1997, p. 76-77 (onder verwijzing in noot 141 naar verdere literatuur), die van mening is dat de affinancieringsverplichting reeds voor de beëindiging van de diensbetrekking bestond onder opschortende tijdsbepaling. Zie in de lijn van het arrest van de Hoge Raad: Rb. Dordrecht 2 april 2003, JOR 2003/180.
Zie reeds: HR 27 november 1981, NJ 1982, 503, m.nt. EAAL en WHH, waar de Hoge Raad evenwel uitdrukkelijk een uitzondering maakt voor aanspraken krachtens de AOW of de AWW (zie ook hierna: nr. 905).
Zie HR 3 december 1999, NJ 2000, 53, m.nt. PvS.
A-G Strikwerda stelt in zijn conclusie (nr. 13) dat dit volgt uit de wettelijke regeling inzake de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen.
Zie ook nog: HR 18 juni 2004, NJ 2004, 617, m.nt. PvS (Van Galen q.q./Circle Vastgoed), waaruit is af te leiden dat een ontruimingsverplichting bij het einde van een huurovereenkomst eerst ontstaat door de opzegging van de huurovereenkomst door de faillissementscurator van de huurder. Een nadere onderbouwing voor de arresten Frima q.q./Blankers, LISV/Wilderink q.q. en Van Galen q.q./Circle Vastgoed kan mogelijk worden gevonden in het arrest ING Bank/Nederend q.q. (NJ 2010, 653). In dit arrest overweegt de Hoge Raad dat een ontbinding of opzegging van een overeenkomst de rechtsverhouding tussen partijen ingrijpend wijzigt als gevolg waarvan veelal bestaande verbintenissen eindigen en nieuwe verbintenissen (tot ongedaanmaking of restitutie) ontstaan. Mogelijk moet worden aangenomen dat de verbintenis tot affinanciering van de backservice van pensioenpremies en de verbintenis tot uitkering in geld van niet-genoten vakantiedagen, zozeer betrekking hebben op de toestand waarin de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dat deze verbintenissen, evenals restitutie- of ongedaanmakingsverbintenissen, pas ontstaan na opzegging van de arbeidsovereenkomst. Hetzelfde geldt mogelijk met betrekking tot de ontruimingsverplichting bij opzegging van een huurovereenkomst.
In gelijke zin: Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 81. Zie HR 19 april 2002, NJ 2002, 456, m.nt. MMM (Zürich Versicherungsgesellschaft/Lebosch), r.o. 3.4.3, waar de Hoge Raad overweegt dat voor het “intreden” van de betalingsverplichting van de verzekeraar aan “bepaalde voorwaarden” moet zijn voldaan. De conclusie van Bakels (onder nr. 2.10) is evenmin duidelijk. Bakels gebruikt dezelfde bewoordingen als de Hoge Raad, maar duidt, anders dan de Hoge Raad, de betalingsverplichting van de verzekeraar met zoveel woorden als een voorwaardelijke verbintenis. Zo ook: Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nr. 323 en Vermogensrecht (Peter), Art. 97, aant. 10.1.2. Het betrof in casu overigens een verzekeringspolis aan toonder. De Hoge Raad stelt echter dat de genoemde “voorwaarden” gelden onafhankelijk van de vorm en tenaamstelling van de polis. De overwegingen zijn zodoende van betekenis voor schadeverzekeringen in het algemeen. Vgl. verder in uiteenlopende zin ten aanzien van het ontstaan van vorderingen uit verzekering: Verhagen & Rongen 2000, p. 45-46; J.J. van Hees 1997, p. 126; Wery & Mendel 2010, p. 6-7; Van Boom 1993, p. 722; Dirix 1991, p. 43; Mijnssen 1988, p. 13-14; Gem. Hof Nederlandse Antillen en Aruba 16 oktober 2001, NJ 2002, 30; Hof ’s-Hertogenbosch 29 juli 1992, NJ 1993, 310; Hof ’s-Hertogenbosch 20 juni 1990, NJ 1991, 101; Hof ’s-Gravenhage 31 mei 1989, NJ 1990, 554; Rb Amsterdam 6 januari 1988, te kennen uit NJ 1990, 747, alsmede de conclusies van Franx voor HR 8 december 1989, NJ 1990, 747, m.nt.WMK (WUH II), onder nr. 3.1 en Hartkamp voor HR 23 december 1988, NJ 1989, 700, m.nt. EAAL, onder nr. 5.
Vgl. ook: Blom 1988a, p. 23 en Bloembergen in zijn conclusie voor het arrest WUH/Emmerig q.q. (nr. 3.1).
Het is echter aannemelijk dat dit het geval is, indien het ontstaan van de vordering – evenals bij huurvorderingen – nog afhankelijk is van een “toekomstige onzekere omstandigheid”, die niet als een ‘voorwaarde’ kan worden aangemerkt.
Zie HR 3 december 2010, NJ 2010, 653.
Zie over het arrest ook: Koops 2011, p. 51 e.v.
Waarbij het feit dat de rechtsverhouding “ingrijpend” gewijzigd is mede – of vooral – tot uitdrukking komt in het opeisbaar worden van de ongedaanmakingsof restitutieverbintenissen.
Zie r.o. 3.5. In de casus waarover de Hoge Raad moest oordelen ging het immers (mede) om contractueel overeengekomen ongedaanmakings- en restitutieregelingen. In ieder geval lijkt A-G Wuisman het gegeven dat partijen afspraken hebben gemaakt over de mogelijkheid van een (voortijdige) beëindiging van hun overeenkomst, niet van belang te achten. Zie de conclusie van Wuisman onder nr. 3.5. Zie ook hetgeen in de vorige noot is opgemerkt.
Denk aan een overeenkomst onder ontbindende of opschortende tijdsbepaling. Aan de hand van de omstandigheden van het geval zal moeten worden beoordeeld of ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst reeds duidelijk is dat de vervulling van de tijdsbepaling leidt tot een “ingrijpende” wijziging van de tot dat moment bestaande rechtsverhouding.
Afhankelijk van de omstandigheden kan het ontstaan van de vordering wel nog afhankelijk zijn van andere toekomstige onzekere gebeurtenissen en op die grond als een toekomstige vordering kwalificeren.
De vraag of er sprake kan zijn van een “ingrijpende” wijziging van de rechtsverhouding die met zich brengt dat vorderingen die eerst dan opeisbaar worden tot dat moment als toekomstig zijn aan te merken, kan zelfs worden gesteld met betrekking tot het geval van een (duur)overeenkomst die na zijn contractueel bepaalde looptijd tot een einde komt (dus niet na een voortijdige beëindiging). Afhankelijk van de omstandigheden is het mogelijk dat er tussen partijen nog bepaalde verbintenissen opeisbaar worden die betrekking hebben op de afwikkeling van de rechtsverhouding.
Zoals in geval van een voortijdige ontbinding of opzegging die de rechtsverhouding tussen partijen verandert in een die is gericht op ongedaanmaking of restitutie van verrichte prestaties.
Vgl. de conclusie van Wuisman onder nr. 3.5, die de in de opzegging of ontbinding tot uitdrukking komende wil van de schuldeiser van belang acht, aangezien deze een rol zou vervullen die veel gelijkenis vertoont met de rol die de wil van de schuldeiser ook speelt bij het aangaan van een obligatoire overeenkomst.
Vgl. bijvoorbeeld wat betreft de securitisation van huurvorderingen en operational leases, nrs. 123, 397 en 911.
865. Overzicht van de belangrijkste jurisprudentie. In verschillende na Solleveld-II gewezen arresten van de Hoge Raad komt het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen aan de orde. Zo heeft de Hoge Raad in het arrest SOS/ABN1 beslist dat een vordering niet geacht kan worden haar bestaan reeds aan te vangen bij het ontstaan van de rechtsverhouding waarin de vordering haar onmiddellijke grondslag vindt. Met deze uitspraak heeft de Hoge Raad de Fijn van Draat-leer definitief verlaten. De Hoge Raad merkt voorts op dat een toekomstige vordering moet worden onderscheiden van een terstond krachtens overeenkomst ontstane vordering onder een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde of tot periodieke betalingen.
In het arrest WUH/Emmerig q.q.2 herhaalt de Hoge Raad deze omschrijving, zij het wat betreft vorderingen tot periodieke betalingen in duidelijker bewoordingen; vorderingen tot periodieke betaling zijn bestaande vorderingen, indien het gaat om “terstond vaststaande” periodieke betalingen.3 Bovendien oordeelt de Hoge Raad dat huurvorderingen niet als zodanig kunnen worden aangemerkt.4 Het ontstaan van een huurvordering is volgens de Hoge Raad immers
“afhankelijk van toekomstige, vooralsnog onzekere omstandigheden waaronder in het bijzonder de daadwerkelijke verschaffing van het huurgenot, onderscheidenlijk het na de faillietverklaring [van de cedent] nog resterende deel van het huurgenot, waarvoor de betreffende termijn de tegenprestatie vormt”.
Het feit dat het gaat om een huurovereenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan zou aan dit oordeel niet afdoen. Het arrest zal hierna uitvoerig worden besproken (zie § 3.3).
Uit het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q.5 volgt dat een vordering die afhankelijk is van een wilsverklaring van de schuldenaar, pas ontstaat door aflegging van deze wilsverklaring.6 Bovendien lijkt de Hoge Raad in het arrest een onderscheid te maken tussen (i) toekomstige onzekere gebeurtenissen die moeten worden aangemerkt als ‘ontstaansvereisten’ voor de vordering en (ii) toekomstige onzekere gebeurtenissen die geen ontstaansvereisten zijn, maar (opschortende) ‘voorwaarden’ waarvan de opeisbaarheid van een bestaande vordering afhankelijk is gesteld.
In het arrest Ontvanger/Amro7 oordeelt de Hoge Raad met betrekking tot een schadevergoedingsvordering uit onrechtmatige daad, dat voor het ontstaan daarvan vereist is dat er schade is geleden.8 De vordering ontstaat niet reeds op het moment dat de onrechtmatige daad wordt gepleegd. De betreffende overweging van de Hoge Raad is niet toegespitst op vorderingen uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), zodat de uitspraak tevens van belang is voor schadevergoedingsvorderingen op grond van wanprestatie (art. 6:74 BW) en ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW). De uitspraak lijkt de opvatting te bevestigen dat een schadevergoedingsvordering pas ontstaat, indien aan alle voor aansprakelijkheid door de wet gestelde eisen is voldaan.9 Bovendien ondersteunt het arrest de opvatting dat vorderingen uit de wet pas ontstaan, indien aan alle wettelijke eisen is voldaan.10
Op gespannen voet hiermee staat het arrest Gomez/Joral11 waaruit volgt dat de wettelijke regresvordering van de borg12 ontstaat op het moment van de totstandkoming van de borgtocht, zij het onder de opschortende voorwaarde dat de borg de schuldeiser heeft betaald.13
In het arrest ING Bank/Nederend q.q.14 oordeelt de Hoge Raad dat vorderingen tot ongedaanmaking of restitutie als gevolg van ontbinding of opzegging van een overeenkomst voor toepassing van art. 35 lid 2 Fw moeten worden aangemerkt als toekomstige vorderingen die eerst ontstaan door de ontbinding of opzegging. Door de ontbinding of opzegging zou de rechtsverhouding tussen partijen ingrijpend worden gewijzigd, als gevolg waarvan veelal bestaande verbintenissen eindigen en nieuwe verbintenissen (tot ongedaanmaking of restitutie) ontstaan. Er zou geen sprake kunnen zijn van reeds voordien, bij het sluiten van de overeenkomst of het uit hoofde van de overeenkomst verrichten van bepaalde prestaties, ontstane ongedaanmakings- of restitutievorderingen onder opschortende voorwaarde van ontbinding of opzegging.
Met betrekking tot een vordering uit een boetebeding in een koopovereenkomst oordeelt de Hoge Raad in het arrest Dubbeld/Laman15 dat deze vordering afhankelijk is van de wanprestatie van de schuldenaar en dus eerst door die wanprestatie ontstaat. Van een voor de wanprestatie al bestaande voorwaardelijke vordering is geen sprake.16
Uit het arrest Jahn/Nask17 kan worden afgeleid dat een vordering tot afdracht van door een lasthebber/gevolmachtigde geïnde gelden, pas ontstaat op het moment waarop de gelden door de lasthebber (of diens onderlasthebber) worden ontvangen; voor dat moment betreft het een toekomstige vordering.18
Het arrest Jahn/Nask ligt in de lijn van de arresten Verhagen q.q./INB,19Otex/Steenbergen20 en Giro/Standaardfilms.21,22 In het laatste arrest valt een bevestiging te lezen van de opvatting dat een vordering ter zake van een toekomstige creditering van een bank- of girorekening eerst ontstaat door de creditering van die rekening. Aldus overweegt de Hoge Raad ook expliciet in het arrest Mendel q.q./ABN-AMRO.23 Deze opvatting – die algemeen in de literatuur wordt verkondigd24 – valt terug te leiden tot het postgiro-arrest uit 192925 en het loonbeslag-arrest uit 1932.26 In het postgiro-arrest oordeelde de Hoge Raad dat beslag op een girorekening alleen het ten tijde van het beslag bestaande saldo treft en niet ook het toekomstige saldo. De “verschuldigdheid” van het toekomstige saldo staat immers ten tijde van de beslaglegging nog niet vast, zodat er volgens de Hoge Raad in het postgiro-arrest (nog) geen sprake is van een vordering die deel uitmaakt van het vermogen van de geëxecuteerde.27 In het loonbeslag-arrest oordeelde de Hoge Raad dat voor de (oude) regeling van het derdenbeslag mag worden aangenomen dat een vordering bestaat, indien zij haar onmiddellijke grondslag vindt in een reeds bestaande rechtsverhouding.28 Wat betreft vorderingen uit rechtsverhoudingen tot afdracht van ten behoeve van de schuldeiser te ontvangen gelden of goederen, zou evenwel gelden dat zij daarin niet hun onmiddellijke grondslag vinden, aangezien de vordering tot afdracht afhankelijk is van andere (rechts)handelingen van derden.
Met betrekking tot een kredietfaciliteit overweegt de Hoge Raad in het arrest Van den Bergh/Van der Walle en ABN-AMRO29 dat er pas een verbintenis ontstaat tot uitbetaling van een bedrag uit de kredietruimte, wanneer de geldnemer van zijn bevoegdheid tot afroep van het krediet gebruik maakt. Het enkele bestaan van een kredietovereenkomst tussen de geldgever en de geldnemer brengt dus niet met zich dat de geldnemer reeds op die grond een (voorwaardelijke) vordering op de geldgever heeft tot uitbetaling van het krediet. Daaraan doet niet af dat de vordering die na afroep ontstaat haar onmiddellijke grondslag in de kredietovereenkomst vindt.30
In het kader van de problematiek van de boedelschulden oordeelt de Hoge Raad in het arrest De Ranitz q.q./Ontvanger31 met betrekking tot een vordering tot voldoening van een desinvesteringsbetaling, dat deze pas ontstaat als gevolg van de vervreemding door de faillissementscuratoren van de betreffende bedrijfsmiddelen. Daaraan doet volgende de Hoge Raad niet af dat de WIR-premies waarop de desinvesteringsbetaling betrekking heeft door de vennootschap voor het faillissement zijn genoten. In het arrest Frima q.q./Blankers32 oordeelt de Hoge Raad met betrekking tot de wettelijke verplichting tot affinanciering van de backservice van pensioenpremies, dat deze eerst ontstaat als gevolg van de opzegging (door de faillissementscurator) van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad benadrukt, zonder dit te motiveren, dat er voor de opzegging geen sprake is van een verbintenis onder opschortende voorwaarde als bedoeld in art. 6:22 BW.33 De Hoge Raad bevestigt bovendien dat contractuele pensioenrechten moeten worden beschouwd als voorwaardelijke vorderingsrechten.34 In lijn met deze arresten oordeelt de Hoge Raad in het arrest LISV/Wilderink q.q.35, wederom zonder dit te motiveren, dat de vordering tot uitkering in geld van niet genoten vakantiedagen ontstaat door de beëindiging (door de faillissementscurator) van de arbeidsovereenkomst.36, 37
Tot slot kan worden gewezen op het arrest Zürich Versicherungsgesellschaft/Lebosch waarin de Hoge Raad met betrekking tot een schadevergoedingsvordering uit een schadeverzekering lijkt te oordelen – geheel duidelijk is dit echter niet – dat deze vordering eerst ontstaat, indien het onzeker voorval intreedt waartegen is verzekerd en er bovendien schade is geleden in het verzekerd belang.38
866. Enige kritische opmerkingen. De jurisprudentie van de Hoge Raad biedt geen duidelijke criteria voor het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen. Er laat zich geen algemene regel uit destilleren. Indien men de jurisprudentie overziet, valt op dat in veel gevallen alleen wordt vastgesteld dat een vordering toekomstig is, maar niet of nauwelijks wordt gemotiveerd waarom dat zo is. Weliswaar geeft de Hoge Raad in de arresten SOS/ABN en WUH/Emmerig q.q. een omschrijving van bestaande, nog niet opeisbare vorderingen, maar hij geeft niet aan wat deze vorderingen nu precies onderscheidt van toekomstige vorderingen. Het onderscheid wordt verder vertroebeld doordat de Hoge Raad in deze arresten lijkt te overwegen dat vorderingen onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling of tot periodieke betalingen, alleen dan als bestaande vorderingen kunnen worden aangemerkt, indien zij terstond bij het sluiten van de overeenkomst zijn ontstaan. Dit laat de mogelijkheid open dat de genoemde vorderingen onder omstandigheden niet tegelijk met de overeenkomst ontstaan en derhalve als toekomstige vorderingen moeten worden beschouwd.39 Wanneer dat zo is, maken de arresten echter niet duidelijk.40
Wel lijkt uit het arrest WUH/Emmerig q.q. te kunnen worden afgeleid dat het kenmerkende van een toekomstige vordering is, dat haar ontstaan afhankelijk is van “toekomstige, vooralsnog onzekere omstandigheden”, maar uit het arrest blijkt niet wat dan precies het verschil is met een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde, waarvan de opeisbaarheid eveneens afhankelijk is van een toekomstige onzekere gebeurtenis (zie art. 6:21 e.v. BW). Het onderscheid dat de Hoge Raad maakt – in het bijzonder in het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q., maar impliciet ook al in het arrest WUH/Emmerig q.q. – tussen enerzijds een ‘voorwaarde’ voor de opeisbaarheid van een bestaande vordering en anderzijds een ‘vereiste’ voor het ontstaan van een vordering, is niet helder; de Hoge Raad geeft immers niet aan wanneer de toekomstige onzekere omstandigheid waarvan de vordering afhankelijk is, moet worden aangemerkt als een ‘voorwaarde’ dan wel als een ‘ontstaansvereiste’. In het bijzonder het arrest WUH/Emmerig q.q. roept de nodige vragen op. Deze zullen in de volgende paragraaf aan de orde worden gesteld.
Het recente arrest ING Bank/Nederend q.q.,41 tot slot, verheldert het troebele beeld dat uit de jurisprudentie opkomt niet.42 Integendeel. Ook deze uitspraak roept vragen op. Zoals vermeld, oordeelt de Hoge Raad in dit arrest dat ongedaanmakings- en restitutievorderingen die opeisbaar worden na de ontbinding of opzegging van een overeenkomst, vóór de ontbinding of opzegging nog toekomstige vorderingen zijn. Volgens de Hoge Raad wordt de rechtsverhouding tussen partijen door de ontbinding of opzegging immers “ingrijpend” gewijzigd, zodat voor dat moment nog geen sprake zou kunnen zijn van bestaande vorderingen. Uit het arrest moet mogelijk de meer algemene conclusie worden getrokken dat vorderingen waarvan de opeisbaarheid afhankelijk is van een “ingrijpende wijziging” van de tussen schuldenaar en schuldeiser bestaande rechtsverhouding en die betrekking hebben op de uitvoering of afwikkeling van die gewijzigde rechtsverhouding, in beginsel als toekomstige vorderingen moeten worden aangemerkt die eerst (kunnen) ontstaan als de rechtsverhouding is gewijzigd. Geheel duidelijk is dat echter niet.
Indien aan het arrest inderdaad een ruime uitleg kan worden gegeven, rijst vervolgens de vraag in welke gevallen van een dusdanig “ingrijpende” wijziging van de rechtsverhouding kan worden gesproken, dat de vorderingen die betrekking hebben op de uitvoering of afwikkeling van die fase van de rechtsverhouding als toekomstig moeten worden aangemerkt. Duidelijk is dat in beginsel van een “ingrijpende” wijziging sprake is, indien een overeenkomst door ontbinding of opzegging wordt beëindigd. De ongedaanmakings- en restitutievorderingen ontstaan volgens de Hoge Raad eerst door de ontbinding of opzegging, juist omdat ze betrekking hebben op de afwikkeling van de door de ontbinding of opzegging “ingrijpend” gewijzigde rechtsverhouding.43 Maar is er ook sprake van een “ingrijpende wijziging” van de rechtsverhouding als partijen reeds bij het sluiten van de overeenkomst gedetailleerd hebben geregeld hoe hun rechtsverhouding in geval van een voortijdige beëindiging moet worden afgewikkeld? De algemeen luidende overweging van de Hoge Raad lijkt te suggereren dat dit niet ter zake doet,44 maar geheel duidelijk is dit wederom niet. Men zou immers kunnen betogen dat in dat geval geen sprake is van een “ingrijpende” wijziging, omdat de regeling van de gevolgen van een ontbinding of opzegging ten tijde van het sluiten van de overeenkomst al tot de inhoud daarvan behoort.
En hoe te oordelen over het geval dat ten tijde van de contractsluiting al vaststaat dat de rechtsverhouding in de toekomst (op een zeker of onzeker tijdstip) inhoudelijk “ingrijpend” zal wijzigen en dat er dan bepaalde verbintenissen tussen partijen zullen bestaan?45 Geldt ook dan dat met de verbintenissen die betrekking hebben op de uitvoering of afwikkeling van de gewijzigde rechtsverhouding vooralsnog slechts toekomstige vorderingen corresponderen? Is met andere woorden de “ingrijpende” wijziging van de rechtsverhouding altijd een ontstaansvereiste voor de vorderingen? Of kan nu worden betoogd dat het toch om bestaande vorderingen (onder tijdsbepaling) kan gaan, aangezien de wijziging van de rechtsverhouding niet een toekomstige onzekere gebeurtenis is waarvan de vorderingen afhankelijk zijn,46 hetgeen zoals vermeld een wezenskenmerk van een toekomstige vordering lijkt te zijn.47 Of moet worden aangenomen dat in een dergelijk geval nooit sprake kan zijn van een “ingrijpende” wijziging van de rechtsverhouding, omdat van meet af aan duidelijk is dat de rechtsverhouding op een gegeven moment wezenlijk van aard zal veranderen, zodat dit de inhoud van de rechtsverhouding al vanaf het begin mede bepaald? Anders gesteld, veronderstelt een “ingrijpende wijziging” van de rechtsverhouding dat het onzeker is of deze zal plaatsvinden en dat zij niet door partijen is beoogd en dat daarin in hun overeenkomst ook niet is voorzien?48
Tot slot kan nog de vraag gesteld worden of voor het oordeel van de Hoge Raad beslissend is geweest dat de ongedaanmakings- en restitutievorderingen afhankelijk zijn van het uitbrengen van een wilsverklaring door de schuldeiser (de ontbinding of opzegging), zodat mogelijk alleen een “ingrijpende” wijziging van de rechtsverhouding die het gevolg is van een rechtshandeling van de schuldeiser (of schuldenaar) rechtvaardigt dat er voordien sprake is van een toekomstige vordering, terwijl buiten dat geval sprake kan zijn van een bestaande vordering.49
Kortom, de jurisprudentie van de Hoge Raad laat, zoals ook hierna nog zal blijken, veel vragen onbeantwoord en roept nieuwe vragen op. Dit gebrek aan duidelijke criteria is uitermate bezwarend voor de financiële praktijk, waarvoor de cessie en verpanding van vorderingen van groot belang is. De onduidelijkheid over het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen kan ertoe leiden dat bepaalde (financierings) transacties – die op zichzelf zinvol en oirbaar zijn – geen doorgang kunnen vinden omdat ze te risicovol worden geacht of slechts kunnen worden aangegaan tegen aanmerkelijk hogere kosten (rente) en mogelijk met toepassing van (onnodig) complexe constructies.50 De vraag is dan ook gerechtvaardigd of het mogelijk is om mede op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad, de dogmatiek en het wettelijk systeem duidelijker criteria te formuleren voor het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen. Deze vraag komt hierna in § 3.5 aan de orde. Eerst zal echter uitvoerig worden ingegaan op het belangrijke arrest WUH/Emmerig q.q. (§ 3.3) en het zogeheten ‘criterium van Kleijn’ (§ 3.4).