Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.1:3.1 Inleiding
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS586232:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
112. Een tweede onderwerp dat in deze verkennende en voorbereidende beschouwingen aandacht verdient, is de verhouding tussen het relativiteitsvereiste en het vereiste van toerekenbaarheid van schade. In het geval van buitencontractuele aansprakelijkheid reguleren beide vereisten aan wie de schadevergoedingsremedie toekomt en welke schade van diegene(n) vergoed dient te worden. In het geval van contractuele aansprakelijkheid heeft als uitgangspunt alleen de schuldeiser aanspraak op schadevergoeding en ligt vervolgens de nadruk op het toerekeningsvereiste. In hoofdstuk 2 bleek dat het huidige stelsel van relativiteit en toerekening bij buitencontractuele aansprakelijkheid het resultaat is van een heel geleidelijke evolutie die de vorige eeuw heeft plaatsgevonden.
Vanaf eind jaren twintig van de vorige eeuw is de Hoge Raad zowel de relativiteitsleer als de leer van de adequate veroorzaking gaan toepassen. Aanvankelijk was volgens de relativiteitsleer beslissend of de geschonden buitencontractuele norm strekte tot bescherming van de persoon van de gelaedeerde en het belang waarin hij geschaad was.1 Dit criterium werd ingebed in het onrechtmatigheidsvereiste, tezamen met de vraag of überhaupt sprake is van een onrechtmatige daad. In de leer van de adequate veroorzaking was beslissend of de schade zoals geleden kon gelden als het redelijkerwijs te verwachten gevolg van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis.2 Dit criterium werd ingebed in het causaliteitsvereiste, tezamen met de vraag of van feitelijke causaliteit sprake is. In het driemanschapsontwerp werd de relativiteitsleer verder verfijnd: onderkend werd dat het ook mogelijk is dat de norm niet strekt tot bescherming tegen de wijze waarop de schade is ontstaan. Verder werd in dit ontwerp een eigen bepaling aan de strekking van de geschonden norm geweid, en de begrenzing aan aansprakelijkheid in het geval de geschonden norm niet strekt tegen de schade zoals geleden zo losgemaakt van het onrechtmatigheidsvereiste en deels ook van de relativiteit van de onrechtmatige daad.3 De leer van de adequate veroorzaking werd in het driemanschapsontwerp ook verfijnd: de benodigde mate van waarschijnlijkheid ging afhangen van de omstandigheden van het geval. De waarschijnlijkheids/voorzienbaarheidstoets werd in het ontwerp verder geheel losgemaakt van het causaliteitsvereiste.4 In de memorie van antwoord bij het gewijzigd ontwerp werd onderkend dat de strekking van een geschonden norm soms niet volgt uit de bedoeling van de opsteller van de norm. In het gewijzigd ontwerp werd verder, na het omgaan van de Hoge Raad in Waterwingebied Leeuwarden,5 de waarschijnlijkheids/voorzienbaarheidstoets van het driemanschap vervangen door een open bepaling waarin de toerekenbaarheid van schade beoordeeld diende te worden, onder meer gezien de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade.6 Anders dan Köster had voorgesteld, werden niet de relativiteitstoets en de waarschijnlijkheidstoets tezamen vervangen door één bepaling omtrent redelijke toerekening.7 De Hoge Raad heeft vervolgens verworpen de door de wetgever voorgestane kanalisatie naar het toerekeningsvereiste in het geval de strekking van de geschonden norm onduidelijk is.8 Tevens lijkt de Hoge Raad van het relativiteitsvereiste een meer positief vereiste te willen maken.9 Bij de beoordeling van de toerekenbaarheid van schade dienen, volgens de Hoge Raad, alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, in het bijzonder de strekking van de geschonden norm.10
Aanvankelijk werden bij de toetsing aan het relativiteitsvereiste en bij de toetsing of de schade adequaat was veroorzaakt geheel verschillende aspecten van een casus beoordeeld naar verschillende maatstaven. Geleidelijk is dit veranderd en zijn het relativiteitsvereiste en het toerekeningsvereiste, als opvolger van de toets of de schade adequaat is veroorzaakt, over elkaar heen gegroeid. Tegenwoordig heeft het relativiteitsvereiste ook betrekking op de wijze waarop de schade is ontstaan, terwijl ook andere factoren dan de beoogde bescherming bij de bepaling van de strekking van de geschonden norm relevant kunnen zijn. Andersom kan in het kader van het toerekeningsvereiste, anders dan bij de beoordeling of de schade adequaat is veroorzaakt, ook de strekking van de geschonden norm van belang zijn. Waar verder aanvankelijk het relativiteitsvereiste een noodventiel bood voor de uitzonderingsituatie waarin de geschonden norm duidelijk niet de gelaedeerde of het belang waarin hij was geschaad beoogde te beschermen, lijkt de Hoge Raad hiervan een positief vereiste voor buitencontractuele aansprakelijkheid te willen maken dat op gelijk niveau staat met het toerekeningsvereiste. Deze evolutie doet de vraag rijzen hoe het onderscheid tussen het relativiteitsvereiste en het toerekeningsvereiste geduid en gewaardeerd dient te worden.
113. In het navolgende geef ik eerst enkele opvattingen hierover weer, zowel van bestrijders als van verdedigers van het onderscheid (§ 3.2). Daarna werk ik uit hoe andere omstandigheden dan de met de norm beoogde bescherming een belangrijke rol kunnen spelen in het relativiteitsvereiste en betoog ik dat de redelijkheid van de verkregen begrenzing van aansprakelijkheid het beslissende criterium is bij de bepaling van de strekking van de geschonden norm (§ 3.3). Andersom komt, zo zet ik daarna uiteen, bij de beoordeling van de toerekenbaarheid van schade belangrijke betekenis toe aan de met de geschonden norm beoogde bescherming (§ 3.4). Op grond hiervan betoog ik dat het onderscheid tussen relativiteit en toerekening, zoals door de wet gemaakt, ongelukkig is (§ 3.5). Vervolgens behandel ik de vraag hoe ik de begrenzingsproblematiek in dit boek zal benaderen (§ 3.6). Afgesloten wordt met een samenvatting (§ 3.7).