Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.2
3.2 Enkele opvattingen in de literatuur
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS588625:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.4.
Van Brakel 1948, p. 613. Van Brakel bouwde hier voort op zijn opvatting, zoals naar voren gebracht in Van Brakel 1934a, nr. 12702 en Van Brakel 1934b, nr. 12798, dat het bij ‘juridische causaliteit’ gaat om billijkheids- en doelmatigheidsoverwegingen en deze overwegingen worden gecamoufleerd in causale termen; zie § 2.7.1 hiervoor.
Köster 1963, p. 12, 13.
Köster 1963, p. 13.
Zie § 2.7.2. Dat Kösters leer van de redelijke toerekening ook diende ter vervanging van de relativiteitsleer, blijft in de literatuur in het algemeen onbelicht, exemplarisch is Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 58.
Lankhorst 1992a, p. 163 t/m 168.
Schoordijk 1995, p. 148.
Schoordijk 1979, p. 365.
Van Dunné 2007, p. 140. Zie ook Van Dunné 2004, p. 257 t/m 273.
Verheij 2014, p. 100 e.v.
Bloembergen 1965, nr. 124.
Nieuwenhuis 1982, p. 482.
114. In de literatuur is de scheiding tussen relativiteit, enerzijds, en ‘juridische causaliteit’ of toerekening, anderzijds, herhaaldelijk bestreden. Dit gebeurde vanaf het moment dat het inzicht doorbrak dat met de toets of de schade adequaat is veroorzaakt niet een causaliteitsprobleem maar een toerekeningsprobleem wordt opgelost en daarbij betracht wordt om tot een redelijke grens aan aansprakelijkheid voor veroorzaakte schade te komen.1
115. Van Brakel schreef in 1948 in zijn Leerboek van het Nederlandse Verbintenissenrecht over de ‘juridische causaliteit’ reeds:
“Het is een vraag van toerekening, die eerst gesteld kan worden, nadat de causaliteitsvraag is opgelost [met behulp van de condicio-sine-qua-non-toets], en die zelf haar antwoord vindt in overwegingen van rechtvaardigheid en doelmatigheid (…) Als men dit inziet, begrijpt men ook, dat men de bovenbesproken leer van de relativiteit der normen niet nodig heeft om ongewenste consequenties af te snijden. Dat zou ook en beter kunnen gebeuren, door deze toerekeningsmethode, welke ten onrechte een deel der causaliteitsvraag geacht wordt te zijn, te verfijnen.”2
Köster heeft zich in 1962 in zijn inaugurele rede, zonder succes, gekeerd tegen het door het driemanschapsontwerp uit elkaar trekken van het relativiteitsvereiste (art. 6.3.1.2 O.M.) en het vereiste van waarschijnlijkheid/voorzienbaarheid van de schade (art. 6.1.9.4 O.M.). Naar het oordeel van Köster wordt
“[d]e vraag van het voor een schadevergoedingsplicht vereiste verband tussen enerzijds de gebeurtenis, waarop de aansprakelijkheid berust, en anderzijds de schade, (…) [vanwege deze beide bepalingen] in het ontwerp tweemaal behandeld. (…) [beide bepalingen] betreffen dezelfde vraag, t.w. welk verband tussen aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en schade moet bestaan om de schadelijke gevolgen aan de aangesproken partij te kunnen ‘aanrekenen’ of ‘toerekenen’“.3
Köster schreef dat
“[h]et grote bezwaar van deze methode [het uit elkaar trekken van relativiteit en toerekening] is dat de samenhang welke tussen de verschillende criteria bestaat, wordt doorgehakt”.4
Zowel de relativiteitsleer als de leer van de adequate veroorzaking reikte volgens Köster een toverformule aan. Beter was volgens hem om niet langer aan deze toverformules, die slechts schijnbaar houvast boden, vast te klampen en om beide vereisten te vervangen door één toerekeningsbepaling waarin de redelijkheid het beslissende criterium is.5
Lankhorst heeft in zijn in 1992 gepubliceerde dissertatie betoogd dat de ‘juridische causaliteit’ geheel zou moeten opgaan in de relativiteit:
“[a]llerlei causale metaforen zijn minder geschikt om tot uitdrukking te brengen, dat de civiele aansprakelijkheid precies zo ver reikt als wij zelf vinden dat juist is. Voor deze gedachtegang is een andere kapstok meer geschikt: de gedragsnorm die overtreden is.”6
Schoordijk stond in 1995 ook integratie voor:
“Een theorie, als de belangen die door art. 6:162 (art. 1401 BW) beschermd worden, de relativiteitsleer, het denken over causaliteit, ze moeten geïntegreerd en ontmaskerd worden als instrumenten in handen van een rechtspolitiek denken, dat onder het mom van een puur juridisch denken schuilgaat.”7
Niet zonder belang is in dit kader Schoordijks opvatting dat een norm van zichzelf geen strekking heeft, maar wij normen een strekking geven.8
Van Dunné heeft herhaaldelijk afschaffing van de relativiteitsleer ten gunste van de toerekeningsleer bepleit:
“Dan krijgen wij eindelijk zicht op de rechtsvragen waar het hier in werkelijkheid om gaat: het toerekenen en toedelen van aansprakelijkheid voor schade in complexe situaties, in een gecompliceerde samenleving.”9
Verheij heeft in 2014 geschreven dat de wetgever
“[t]en onrechte (…) beide leerstukken [relativiteit en toerekening] naast elkaar [heeft] gezet waardoor de samenhang is ‘doorgehakt’“.
Volgens Verheij gaat het bij de toepassing van de relativiteitsleer om méér dan het uitleggen van de norm en hanteert men in beide leerstukken dezelfde gezichtspunten. Verheij heeft om deze reden voorgesteld om beide leerstukken in één normatieve toets te laten opgaan, waarbij de strekking van de geschonden norm een gezichtspunt is.10
116. Ondanks deze kritische opvattingen wordt in het algemeen het wettelijke stelsel waarin het relativiteitsvereiste en het toerekeningsvereiste naast elkaar staan, als een vanzelfsprekendheid aanvaard. Slechts bij uitzondering wordt het onderscheid nader geduid of verdedigd. Bloembergen behandelde in zijn dissertatie, anders dan in de Nederlandse literatuur doorgaans gebeurt, relativiteit en toerekening wel tezamen in zijn hoofdstuk “Het verband tussen onrechtmatige daad en schade”. Bloembergen komt in dat hoofdstuk tot de conclusie dat “relativiteitsbeginselen” in bepaalde gevallen van belang zijn om bepaalde personen en bepaalde belangen van vergoeding uit te sluiten, maar ontoereikend zijn om de omvang van de aansprakelijkheid te beheersen omdat de door interpretatie te achterhalen strekking van normen als regel geen uitsluiting over deze omvang verschaft.11
Hartkamp en Sieburgh schrijven dat men in theorie wel de wettelijke formulering van het relativiteitsvereiste zou kunnen missen naast art. 6:98 BW: overwegingen die men ontleent aan het relativiteitsvereiste zouden dan worden ingepast bij de beoordeling van de toerekenbaarheid van schade. Een dergelijke comprimering komt, volgens hen, niet ten goede aan de overzichtelijkheid van het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Zij wijzen erop dat in theorie ook de eigenschuldbepaling (art. 6:101 BW) zou kunnen worden geschrapt omdat de eigenschuldproblematiek zich ook in art. 6:98 BW laat oplossen. Het schrappen van de eigenschuldbepaling zou het recht minder overzichtelijk maken. Andersom menen Hartkamp en Sieburgh dat voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad de schadetoerekening niet volledig in het relativiteitsvereiste kan opgaan omdat in laatstgenoemd vereiste onder meer de mate van schuld en het al dan niet bestaan van een verzekeringsdekking niet kan worden meegewogen.12
Nieuwenhuis heeft ter verdediging van het stelsel meer laconiek geschreven:
“Het kan geen kwaad als een rechtsstelsel ter oplossing van een categorie problemen twee sleutels in huis heeft. Soms past de ene beter dan de andere, soms ook maakt het weinig uit.”13