Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/4.1.2
4.1.2 Noodzaak tot aanpassing aan Europese rechtspraak
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619040:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 februari 1985, NJ 1985/581 m.nt. Van Veen (Redelijke termijn II).
Zie ook HR 26 november 1985, NJ 1986/461. Tussen instellen hoger beroep en behandeling daarvan verstreken twee jaren en zeven maanden. Het hof oordeelde dat onwenselijk, maar achtte geen bijzondere omstandigheden aanwezig die dit tijdsverloop onredelijk maakten in de zin van art. 6 EVRM en 14 IVBPR. De HR vernietigde wegens een motiveringsgebrek. Bijzonder is wel dat in HR 18 maart 1986, NJ 1987/65 bij een tijdsverloop tussen instellen cassatie en behandeling in cassatie van bijna 2 jaar en tussen dat eerstgenoemde moment en de uitspraak in cassatie van ruim 2 jaar en 2 maanden weer de maatstaf werd toegepast van ‘onwenselijk, maar geen bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop ook onredelijk maakte’. Wellicht omdat de behandeling als toetsmoment werd gekozen en niet de datum van het arrest.
HR 7 april 1987, NJ 1987/587 m.nt. Van Veen.
‘Daarmee wordt het beroep op onredelijke traagheid in extreme gevallen een beroep op niet-ontvankelijkheid van de OvJ, en in gematigde gevallen een beroep op strafvermindering’, aldus Van Veen in zijn noot bij dit arrest.
De Nederlandse interpretatie van wat nog een redelijke termijn kon worden genoemd in de zin van art. 6 EVRM hield in de Straatsburgse rechtspraak geen stand.1 Volgens de Europese rechtspraak moest veel eerder een schending van deze bepaling worden aangenomen.
Naar aanleiding hiervan werd het nationale beoordelingskader voor de vraag of sprake is van een verdragsschending in februari 1985 door de Hoge Raad aangepast.2 De Hoge Raad stelde hogere motiveringseisen. De rechter moest voortaan zowel beoordelen of de behandeling in de verschillende stadia als over het geheel genomen binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden. Daarbij diende hij alle daartoe in aanmerking komende omstandigheden te betrekken, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, het gedrag van de verdachte en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In zijn noot concludeerde Van Veen dat voortaan gold, dat een onwenselijk lang tijdsverloop – van meer dan twee jaar per instantie – ook onredelijk is en dus een schending van art. 6 EVRM oplevert, tenzij voor dat tijdsverloop gegronde redenen bestaan.3
Ook noopte de rechtspraak van het EHRM tot aanpassing van het in de Nederlandse rechtspraak ontwikkelde reactiekader. De interpretatie van het EHRM van art. 6 EVRM, waarin bij geringer tijdsverloop een schending moest worden aangenomen, bracht immers mee dat niet-ontvankelijkheid als rechtsgevolg in veel gevallen niet in verhouding stond tot de ernst van de schending. De aanpassing van het reactiekader volgde in april 1987.4 In een toen door de Hoge Raad beoordeelde zaak had het hof de ernst van het tenlastegelegde betrokken bij zijn oordeel dat de redelijke termijn niet was geschonden. De Hoge Raad vond dat ‘niet begrijpelijk’ en vernietigde, maar oordeelde ook dat niet-ontvankelijkverklaring van het OM niet het enige mogelijke gevolg is van overschrijding van de redelijke termijn. Ook kan strafvermindering worden toegepast. De rechter moet de mate van overschrijding in aanmerking nemen en aangeven tot welke strafverlaging hij daarin aanleiding vindt. Voordeel van deze nieuwe koers was dat de rechter de mogelijkheid kreeg veel genuanceerder te reageren.5