Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/8.4
8.4 Uitzonderingen op de Wet vorm en eed
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457619:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3 lid 2 Advocatenwet. Zie Driessen & Lems, RM Themis 2011, p. 3.
ABRvS 16 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2001:AD8743, r.o. 2.1. Zie ook: Versteden, Gst. 2002, p. 92-94; Versteden, Gst. 2001, p. 25-35.
ABRvS 16 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2001:AD8743, r.o. 2.4.1.
ABRvS 16 januari 2002, ECLI:NL:RVS:2001:AD8743, r.o. 2.4.1.
Zie ook Van Oven 2009.
De Vries, TvRRB 2012-1, p. 6.
Stcrt. 1998, nr. 92, p. 7.
Zie Gemeente Amsterdam 2006; Kamerstukken II 2011/12, 29 614, nr. 29, p. 4.
Kamerstukken II 2009/10, 29 614, nr. 15. Voor de motie stemden CDA, VVD, PVV, CU, SGP en het lid Verdonk.
B. Rijlaarsdam, ‘Zo waarlijke helpe mij God/Allah almachtig’, NRC Handelsblad 12 november 2009.
In het artikel ‘Zo waarlijke helpe mij God/Allah almachtig’, NRC Handelsblad 12 november 2009 komen verschillende kritische (rechts)geleerden aan het woord (Kortmann, Oldenhuis, Kinneging, Peters, Berger) die unaniem van mening zijn dat het monopolie van de christelijke eed in strijd is met de vrijheid van godsdienst en het gelijkheidsbeginsel.
De Vries, TvRRB 2012-1, p. 5.
De Wet vorm en eed van 1911 heeft een algemeen karakter. Zij geldt niet alleen voor gerechtelijke procedures, maar ook voor andere gelegenheden waarbij een eed of een belofte dient te worden afgelegd, bijvoorbeeld bij de ambtsbeëdiging van advocaten.1 Toch zijn er ook gelegenheden waar de Wet vorm en eed van 1911 niet geldt. Zo oordeelde de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State in 2002 dat de tenzij-clausule van de Wet vorm en eed van 1911 (d.i. de mogelijkheid tot een afwijkende vorm van aflegging van de eed of belofte op grond van een godsdienstige gezindheid) niet van toepassing is op de eedsaflegging door een Statenlid. In de zienswijze van de afdeling mag een lid van de Provinciale Staten niet in plaats van ‘Zo waarlijk helpe mij God Almachtig’ de formulering ‘Dat verklaar en beloof ik. Zo waarlijk helpe mij God’ bezigen bij de eedsaflegging ter aanvaarding van zijn ambt.2 De Afdeling overwoog dat artikel 14 van de Provinciewet duidelijk voorschrijft dat de eed enkel kan worden afgelegd met de bewoordingen ‘Zo waarlijk helpe mij God Almachtig’ en dat daarvan niet kan worden afgeweken op grond van de Wet vorm en eed van 1911.
De afdeling overweegt:
‘Blijkens intitulé, considerans en wetsgeschiedenis had de wet van 1911 ten doel de indertijd ontstane onzekerheid over de vorm van eden, beloften en bevestigingen in gerechtelijke procedures weg te nemen. Op de wijze van beediging van leden van provinciale staten en tal van andere ambtsdragers kon de wet reeds daarom niet van toepassing zijn, omdat deze destijds in de Grondwet waren geregeld. Sinds 1887 kent de Grondwet als alternatief voor de voor de aanvaarding van deze ambten voorgeschreven eden de mogelijkheid een overeenkomstige verklaring en belofte af te leggen. De formulering en strekking van de wet van 1911 maken dat zij wel kan worden toegepast in gerechtelijke procedures die nadien zijn ingevoerd. Voor toepassing op de in 1956 of later gedeconstitutionaliseerde bepalingen, zoals die inzake de beëdiging van leden van provinciale staten, zijn echter noch in de tekst van de desbetreffende wetten, noch in de wetsgeschiedenis toereikende aanknopingspunten voorhanden.’3
De Afdeling stelt in aanvulling hierop dat de verplichte formulering van artikel 14 Provinciewet ‘Zo waarlijk helpe mij God Almachtig’ geen ongelijke behandeling van verschillende godsdienstige overtuigingen oplevert. De reden hiervoor is volgens de Afdeling dat men het doel van het afleggen van de eed ook kan bereiken met het afleggen van de belofte. Met andere woorden: de keuze tussen eed en de belofte heeft een neutraal karakter dat tegemoet komt aan alle godsdiensten en levensovertuigingen en is daarom niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.4 Deze redenering lijkt wat mager. De wetgever ontneemt immers de gelovigen van godsdiensten anders dan het christendom de mogelijkheid de functie-aanvaarding op hun manier zo oprecht mogelijk in te luiden.5 Men kan vanuit accommodationistisch perspectief stellen dat deze wet de meerderheid van de bevolking (christenen en niet-gelovigen) bevoordeelt.
Ook ten aanzien van het ambtenarenrecht geldt dat de tenzij-clausule van de Wet vorm en eed niet van toepassing is. Dat blijkt uit de Ambtenarenwet. De Ambtenarenwet gaat uit van een vaste wijze van aflegging van de eed of belofte gebaseerd op de keuze tussen hetzij een (christelijke) eed, hetzij een belofte.6Artikel 125 quinquies lid 1 Ambtenarenwet geeft rijksambtenaren de keuze tussen de eed en de belofte. De vorm van de eed of de belofte is gebonden aan het Formulier eed/belofte rijksambtenaren van 1998, dat berust op artikel 51, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Voor de eed betekent dit dat de ambtenaar de woorden ‘Zo waarlijk helpe mij God Almachtig’ uitspreekt en voor de belofte ‘Dat verklaar en beloof ik!’.7 Dit formulier laat in tegenstelling tot artikel 1 van de Wet vorm en eed dus geen ruimte voor een afwijkende wijze van aflegging van de eed of belofte. We zouden daarom kunnen concluderen dat de wet- en regelgever ten aanzien van ambtenaren in het centrale overheidsapparaat enkel de christelijke eed heeft gedefinieerd als eed in juridische zin. De wetgever heeft daarmee geen accommodationistische benadering gekozen.
Opmerkelijk is verder dat de wetgever in lid 2 van artikel 125 quinquies Ambtenarenwet de provincies en gemeenten ten aanzien van de eedsaflegging door ambtenaren wel de vrijheid heeft gegeven om zelf de inhoud van de eedsformulering vast te stellen. Op decentraal niveau bestaat in sommige gemeenten dan ook de mogelijkheid op grond van de ‘eigen godsdienstige gezindheid’ op eigen wijze de eed af te leggen. Zo bestaat in Amsterdam voor ambtenaren de mogelijkheid om te verklaren ‘Zo waarlijk helpe mij Allah, de Erbarmer, de Barmhartige’.8
Het verschil op centraal en decentraal niveau leidde in 2009 tot de motie-De Pater c.s. waarin de regering werd verzocht voorstellen te doen om de formulering van de eed of belofte voor ambtenaren bij gemeenten en provincies vast te leggen.9 Naar aanleiding van deze motie volgde een parlementair10 maar ook maatschappelijk debat11 waarin aan de orde werd gesteld waarom er op centraal niveau voor religieuze ambtenaren eigenlijk alleen de mogelijkheid is om de eed op ‘christelijke wijze’ af te leggen. Verschillende critici12 betoogden dat de eed moet worden gezien als een vorm van religieus belijden. Het enkel toestaan van een christelijke wijze van eedsaflegging zou in strijd zijn met de vrijheid van godsdienst opgenomen in artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM. Bovendien stelden zij dat het bevoordelen van de christelijke godsdienst in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. In plaats daarvan pleitten ze voor een ruimere eedspraktijk waarbij iedereen conform zijn eigen godsdienstige gezindte op eigen wijze zijn eed moet kunnen afleggen. Dan zou bijvoorbeeld een jood met gedekt hoofd kunnen zweren op de Hebreeuwse Bijbel en een moslim met de hand op de Koran. Dit zou dan tot een grotere verscheidenheid in gebruikte eedsformules en bijbehorende gedragingen leiden. Een dergelijk praktijk in het ambtenarenrecht zou meer in overeenstemming zijn met de gedachte van de Wet vorm en eed van 1911.13
Alles in aanmerking nemend kan gesteld worden dat er gebieden in het recht zijn waar men een objectiverende uitleg hanteert ten aanzien van de vorm van de eedsaflegging doordat men vasthoudt aan een vaste, vanouds christelijke, vorm van de eedsaflegging. De eed krijgt hierdoor een louter christelijk karakter. Als het rechtssubject deze eed niet wil afleggen rest slechts de mogelijkheid om een verklaring of belofte af te leggen. Wanneer men stelt, zoals de Raad van State, dat de keuze tussen een eed of belofte neutraal van aard is en daardoor tegemoet komt aan aanhangers van alle godsdiensten en levensovertuigingen getuigt dit van het ideaaltype van liberaal gezindtepluralisme. Men bevoordeelt dan immers impliciet de christelijke en niet-gelovige bevolking en men biedt geen ruimte voor de opvattingen van het rechtssubject.