Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/5.6.2
5.6.2 De homologatiecriteria
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS447323:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De verplichting de homologatie te weigeren, kan ook op andere gronden geschieden dan die genoemd in art. 153 lid 2 Fw. Art. 153 lid 2 Fw is derhalve niet limitatief. Indien een akkoord in strijd met de wet tot stand is gekomen, is de rechter evenzeer gehouden de homologatie van het akkoord te weigeren. Te denken valt bijvoorbeeld aan een akkoord waarbij de paritas creditorum is geschonden zonder dat daarvoor een rechtvaardiging aanwezig is of een akkoord dat door een groep schuldeisers aan een andere groep schuldeisers wordt opgedrongen. Vgl. Rb. Leeuwarden 16 december 1926, NJ 1927, 564. Zie ook Van Galen/Verstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl), art. 153 lid 2 Fw, aant. 3 en Groenewegen & Van Buuren-Dee 2008, (T&C Insolventierecht), art. 153 Fw, aant. 2.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 177.
Vgl. het nagenoeg gelijkluidende artikel in surseance, art. 272 lid 2 sub 1 Fw. Daar is bij wijziging van de Faillissementswet in 1992, gelijktijdig met de invoering van het Nieuw BW, in art. 272 lid 2 sub 1 Fw het woord 'aanmerkelijk' weggelaten. Hierdoor is een verschil opgetreden met art. 153 lid 2 sub 1 Fw. Waarschijnlijk berust dit op een vergissing van de wetgever. Deze zal namelijk niet de bedoeling hebben gehad het homologatiecriterium in surseance strenger te doen zijn dan in faillissement. Zo ook Leuftink, p. 313.
Het niet-voldane gedeelte van de vordering resteert immers slechts als een natuurlijke verbintenis.
Zie ook Leuftink, p. 313.
HR 14 december 2001, NJ 2002, 39; JOR 2002/24.
Rb. Assen 4 september 1897 en Hof Leeuwarden 29 september 1897, W 7030. Hier werd de homologatie geweigerd omdat van een te lage taxatie van de activa was uitgegaan. Hof Amsterdam 26 april 1899, W 7291: ook goederen buiten het Koninkrijk gelegen spelen een rol bij de beoordeling van art. 153 lid 2 sub 1 Fw. En ten slotte de eerder genoemde uitspraak van de rechtbank Breda (Rb. Breda 27 juni en 5 september 1986, NJ 1987, 699), waarin door de rechtbank werd geconstateerd dat homologatie van het akkoord zou moeten worden geweigerd vanwege art. 153 lid 2 sub 1 Fw, maar niettemin het akkoord homologeerde en zelfstandig, overigens in strijd met art. 144 Fw, het uitkeringspercentage verhoogde van 20% naar 24 %.
Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6116; Leuftink, p. 313 en 314.
Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6116.
HR 24 november 2006, NJ 2007, 239, nt. Van Schilfgaarde.
r.o. 4.4.4 van het arrest van het hof.
r.o 3.8 en 3.9.
In de zin van art. 6:248 lid 2 BW.
Zie ook Van Schilfgaarde in zijn noot onder het onderhavige arrest.
In gelijke zin Leuftink, p. 314 e.v., die dezelfde vragen opwerpt.
Vgl. Leuftink, p. 314, die nog als voorbeeld noemt dat onzekerheid kan bestaan over een schadeclaim.
Zie o.m. Rb. 's Gravenhage 5 april 1904, W 8045, HR 18 februari 1924, NJ 1924, 520 en Rb. Amsterdam 19 juni 1931, W 12367.
Zie Hof Amsterdam 6 april 1914, W 9663: hier werd de homologatie geweigerd, omdat men ernstige vermoedens had dat de schuldenaar een aanmerkelijk deel van het actief niet had verantwoord. Zie ook Hof Leeuwarden 22 februari 1922, W10861: de schuldenaar had nagelaten onduidelijke balansgegevens te verklaren, waardoor de homologatie werd geweigerd.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 180 en zie o.a. HR 30 augustus 1907, W 8587 en Rb. Leeuwarden 16 december 1926, NJ 1927, 564.
Zie ook Leuftink, p. 308 e.v. en Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6117 en Van Galen/Verstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl.), art. 153 lid 2 sub 2 Fw, aant. 5.
HR 30 augustus 1907, W 8587.
Wessels, Insolventierecht VI, derde druk, 2010, par. 6177; Leuftink, p. 316 en Van Galen/Verstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl.), art. 153 lid 2 sub 2 Fw, aant. 5.
Zie Hof Amsterdam 14 augustus 1958, NJ 1959, 383.
De totstandkoming ziet niet alleen op een krachtens art. 145 Fw aangenomen akkoord, maar ook op een akkoord dat krachtens art. 146 Fw is vastgesteld. Zie met betrekking tot 'andere oneerlijke middelen' o.a.: HR 26 juni 1908, W 8715; Rb. Amsterdam 20 december 1915, NJ 1916, 280 en Hof Arnhem 5 februari 1974, NJ 1974, 506. Of de oneerlijke middelen door de schuldenaar zelf dan wel door een derde zijn toegepast, doet niet terzake. De oneerlijke middelen moeten hebben geleid tot de aanneming van het akkoord. Zou het akkoord ook zonder die middelen zijn aangenomen, dan kan de homologatie van het akkoord alleen worden geweigerd op grond van art. 153 lid 3 Fw. Bedacht dient te worden dat in dat geval de rechter de bevoegdheid heeft de homologatie te weigeren.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 177.
HR 26 juni 1908, W 8715, waarin de Hoge Raad aangeeft dat causaal verband moet bestaan tussen de aanwending van het oneerlijke middel en de totstandkoming van een akkoord. Zie ook Rb. Amsterdam 20 december 1915, NJ 1916,280 bevestigd door Hof Amsterdam 18 januari 1916, NJ 1916,281 en bekrachtigd door HR 10 maart 1916, NJ1916, 727; Hof 's Gravenhage 28 maart 1930, NJ 1930, 816 (begunstiging van twee schuldeisers had geen aanneming van het akkoord ten gevolge) en Rb. Utrecht 17 december 1924, W11349, waar de rechtbank het toesturen van een circulaire waarin stond dat bij verwerping van het akkoord de schuldeisers slechts 1% van hun vordering zouden krijgen uitgekeerd, als een poging tot bedrog beschouwde. Causaal verband tussen het aanwenden van het oneerlijk middel en het aannemen van het akkoord werd evenwel niet aangenomen. Niettemin werd de homologatie geweigerd op grond van art. 153 lid 3 Fw. Vgl. Hof 's-Hertogenbosch 29 oktober 1997, NJ 1998, 635; JOR 1998/33, nt. Soedira.
Ondanks het ontbreken van het causale verband kan (discretionaire bevoegdheid van de rechter) de homologatie evenwel worden geweigerd op grond van art. 153 lid 3 Fw.
Vgl. Hilverda, diss., derde druk (2009), p. 417 e.v.
Zie meer hierover Hilverda, diss., derde druk (2009) en Keulen, diss. (1990).
Dus voor- en tegenstemmers en afwezigen.
Wat veelal het geval zal zijn, gezien de korte termijn van acht dagen.
Rb. Utrecht 13 maart 1929, NJ 1929,1782.
Leuftink, p. 283; Molengraaff, p. 498.
Wet van 6 november 2003, Stb. 2003,444, in werking getreden op 15 november 2003.
Vgl. rapport Virgos/Schmit 1996, nr. 249.
De rechtbank kan ingevolge art. 153 lid 3 Fw op iedere grond maar ook ambtshalve de homologatie van een akkoord weigeren. Op grond van art. 153 lid 2 Fw is de rechtbank in vier gevallen gehouden1 de homologatie van het akkoord te weigeren. Drie van de vier gronden zijn in de wet opgenomen als reactie op de voorheen vrije weigering van de homologatie. Dit had volgens de memorie van toelichting geleid tot 'de zedelijkheid verslappende' jurisprudentie, waarbij homologatie vrijwel nooit werd geweigerd.2 Over de gronden van art. 153 lid 2 Fw wordt hierna een aantal opmerkingen gemaakt.
Art. 153 lid 2 sub 1 Fw
"Indien de baten des boedels, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven gaan."
Homologatie dient te worden geweigerd 'indien de baten van de boedel de bij het akkoord bedongen som aanmerkelijk te boven gaan'.3 De rechter moet erop toezien dat het uit te keren percentage aan de schuldeisers in verhouding staat tot de waarde van de boedel. Schuldeisers mogen met een akkoord niet aanmerkelijk minder ontvangen dan zij bij liquidatie van het vermogen van de schuldenaar zouden hebben uitgekeerd gekregen. De schuldenaar mag met andere woorden door een akkoord niet in een betere financiële positie komen te verkeren. Een akkoord is immers geen vrijbrief voor de schuldenaar om zich op een relatief eenvoudige wijze van zijn schulden te ontdoen. Te meer nu de concurrente schuldeisers de schuldenaar niet meer kunnen aanspreken, indien het faillissement door een akkoord is geëindigd.4
Wat wordt onder 'baten van de boedel' verstaan? Doorgaans wordt hiermee gedoeld op de gezamenlijke waarde of opbrengst bij liquidatie van de onbezwaarde activa.5 Overigens zien de baten van de boedel niet alleen op activa die aanwezig zijn ten tijde van de aanbieding van het akkoord, maar ook die welke bij de voortzetting van het faillissement nog zijn te verwachten.6 De baten van de boedel dienen te worden afgezet tegen het totale bedrag dat aan de schuldeisers wordt uitgekeerd.7 Met het woord 'aanmerkelijk' wordt aan de rechter een zekere beoordelingsvrijheid gegeven, waarbij hij zich heeft te onttrekken aan het feit dat schuldeisers met het akkoord hebben ingestemd.8 De taak van de rechter omvat immers mede te waken over de belangen van schuldeisers die tegen het akkoord hebben gestemd en zij die niet in het faillissement zijn opgekomen.9 In een arrest van 24 november 200610 heeft de Hoge Raad zich duidelijk uitgesproken over de vraag of de verplichte weigeringsgrond van art. 153 lid 2 sub 1 Fw ruimte laat voor een belangenafweging. De casus is kort weergegeven als volgt. In de schuldsaneringsregeling hebben sanieten een akkoord aangeboden, waarin zij aan concurrente- en preferente schuldeisers respectievelijk 20% en 40% van de vorderingen aanbieden. Het akkoord wordt conform de vereisten van art. 332 Fw aangenomen. De rechtbank weigert de homologatie op grond van art. 153 lid 2 sub 1 Fw, welke weigering door het hof wordt bevestigd:
"Met de rechtbank is het hof dan van oordeel dat homologatie van het akkoord dient te worden geweigerd, omdat de baten des boedels (zeer) aanmerkelijk de bij het akkoord bedongen som te boven gaan. Eveneens terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat hier sprake is van een imperatieve weigeringsgrond die, behoudens de beoordelingsruimte die de term 'aanmerkelijk' met zich meebrengt, de rechter geen ruimte laat voor een belangenafweging. Juist door het imperatieve karakter van deze bepaling zijn de belangen van de (niet verschenen) crediteuren gewaarborgd nu zij er op mogen vertrouwen dat de rechter de wet juist toepast. In het woord aanmerkelijk ligt niet besloten dat de rechter zou kunnen beoordelen of dit akkoord in deze situatie de verhouding tussen schuldenaren en schuldeisers op een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid adequate wijze regelt. Ook anderszins zijn de belangen van de crediteuren niet geschonden; door de weigering van de homologatie krijgen zij immers hun gehele vordering betaald, in plaats van een deel van hun vordering. De omstandigheid dat alle ter zitting verschenen schuldeisers voor het akkoord hebben gestemd hoefde de rechter er niet van te weerhouden homologatie te weigeren, of de homologatie aan een belangenafweging of redelijkheidstoets te onderwerpen."11
En de Hoge Raad overweegt over het arrest van het hof:
"De klacht dat het hof zich niet had mogen beperken tot een uitsluitend financiële, rekenkundige afweging faalt. Het hof heeft terecht beslist dat de bepaling van art. 153 lid 2, aanhef en onder 1, Fw geen ruimte laat voor een belangenafweging. Weliswaar laat het in de wet niet nader omlijnde woord 'aanmerkelijk' de rechter in het algemeen enige beoordelingsvrijheid, maar niet kan worden aangenomen dat de wetgever daarmee een belangenafweging zoals het onderdeel verlangt, mogelijk heeft willen maken.
De stelling dat B. en G. tevens een beroep hebben gedaan op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, wordt door het onderdeel toegelicht met een verwijzing naar het appelrekest nr. 13.
(...)
De uitleg van de processtukken is voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt. Het is geenszins onbegrijpelijk dat het hof in de geciteerde passage uit het appelrekest niet een beroep heeft gelezen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid."12
Zou een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid13 het imperatieve karakter van art. 153 lid 2 sub 1 Fw opzij kunnen zetten? Gezien rechtsoverweging 3.9 van het arrest komt de Hoge Raad jammer genoeg niet aan deze vraag toe. In hoofdstuk 3 heb ik het standpunt ingenomen dat het rechtskarakter van het akkoord met zich brengt dat een beroep op art. 6:248 lid 2 BW onder zeer bijzondere omstandigheden mogelijk zou moeten kunnen zijn.14
Ten tijde van de behandeling van een akkoord is niet altijd even duidelijk wat de waarde van de activa nu eigenlijk is. Hoe moet bijvoorbeeld worden omgegaan met een onzeker debiteurenbestand of met stille reserves?15 Ook de passiva staan niet altijd vast: heel goed denkbaar is bijvoorbeeld dat vorderingen of voorrangsrechten worden betwist.16 Van de schuldenaar wordt in ieder geval verlangd dat hij bij het aanbieden van een akkoord volledig inzicht geeft in zijn financiële situatie. Daarbij heeft hij ook rekening te houden met de mogelijkheid van toekomstige baten.17 Een akkoord dient dan ook te zijn gebaseerd op een betrouwbare balans. Hier ligt een belangrijke taak voor de curator, die er op toe dient te zien dat een akkoord een reële afspiegeling is van de balans van de schuldenaar. Onduidelijkheden in zijn financiële positie kan de schuldenaar zich overigens niet permitteren. In de rechtspraak wordt dit namelijk afgestraft door een akkoord niet te homologeren.18
Art 153 lid 2 sub 2 Fw
"Indien de nakoming van het akkoord niet voldoende is gewaarborgd."
Het is aan de beoordeling van de rechter overgelaten of de nakoming van het akkoord voldoende is gewaarborgd. Het is een feitelijke kwestie die door de rechter moet worden beslist. De memorie van toelichting vermeldt dat een simpele betalingsbelofte onvoldoende is, maar dat door het stellen van solide borgen de nakoming wel voldoende zal zijn gewaarborgd.19 De nakoming van een akkoord zal ook voldoende zijn gewaarborgd, indien het beschikbare bedrag (of de beschikbare goederen) voor de concurrente schuldeisers in handen van de curator of een derde is gestort.20
In een arrest van de Hoge Raad van 30 augustus 1907 is de vraag aan de orde geweest of de waarborg van art. 153 lid 2 sub 2 Fw zich ook uitstrekt tot de concurrente vorderingen die in het faillissement zijn betwist en niet voorwaardelijk zijn toegelaten.21 Door de Hoge Raad is deze vraag ontkennend beantwoord. In de literatuur is de uitkomst van dit arrest mijns inziens terecht bekritiseerd.22 Uit de renvooiprocedure zou immers kunnen volgen dat de concurrente vordering in het faillissement erkend moet worden.23 De schuldeiser van deze vordering is krachtens art. 157 Fw aan een gehomologeerd akkoord gebonden en zou uit dien hoofde aanspraak kunnen maken op een akkoordpercentage. Indien in een akkoord met deze schuldeiser geen rekening is gehouden en voor deze schuldeiser geen akkoordpercentage is gereserveerd, kan dit een akkoord in gevaar brengen. De schuldeiser zou immers ontbinding van het akkoord kunnen verzoeken, indien de schuldenaar het akkoord niet jegens hem nakomt. Mocht het ontbindingsverzoek van art. 165 lid 1 Fw worden toegewezen, dan moet het faillissement op de voet van art. 167 Fw worden heropend met alle gevolgen van dien.
Art. 153 lid 2 sub 3 Fw
"Indien het akkoord door bedrog, door begunstiging van een of meer sehuldeischers of met behulp van andere oneerlijke middelen is tot stand gekomen, onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander daartoe heeft medegewerkt."
Voor de derde weigeringsgrond is het van belang dat een akkoord door bedrog, begunstiging of door een ander oneerlijk middel tot stand is gekomen.24 In art. 153 lid 2 sub 3 Fw worden bedrog en begunstiging specifiek vermeld. In het laatste geval wordt ook wel van een 'sluipakkoord' of een 'sluipovereenkomst' gesproken. Volgens de memorie van toelichting dient de wet onvoorwaardelijk de homologatie van sluipovereenkomsten te verbieden:
"waardoor de schuldeischers benadeeld worden, dat de noodige waarborgen voor de richtige nakoming mist (akkoorden op het papier), of waarvan blijkt dat het met behulp van sluip-overeenkomsten is tot stand gekomen. Het laatste 'onverschillig of de gefailleerde dan wel een ander' daartoe heeft medegewerkt. Immers al is de gefailleerde onschuldig aan het gebruik der oneerlijke middelen, dit neemt niet weg dat het akkoord door die middelen tot stand gekomen, de meerderheid vervalscht, het recht der sehuldeischers derhalve geschonden is, en hierop alleen komt het aan bij de vraag of de homologatie van een akkoord geweigerd moet worden."25
De verplichting voor de rechter de homologatie te weigeren in geval een akkoord met behulp van oneerlijke middelen tot stand is gekomen, rust op de gedachte dat de voor een akkoord vereiste meerderheid daardoor is vervalst. Hiervan is slechts sprake, indien een akkoord ten gevolge van het oneerlijke middel is aangenomen. Er moet derhalve sprake zijn van causaal verband tussen het aanwenden van het middel en het tot stand komen van een akkoord.26 Dit betekent dat de enkele sluipovereenkomst nog niet de verplichting voor de rechter schept de homologatie van een akkoord te weigeren.27 Het recht van de schuldeisers is immers niet geschonden, indien een akkoord ook zonder een sluipovereenkomst zou zijn geaccepteerd. De voor een akkoord vereiste meerderheid is dan behaald zonder oneerlijke middelen. De wetgever heeft er terecht voor gekozen een rechtmatig behaalde meerderheid te laten prevaleren boven een wederrechtelijk aangegane sluipovereenkomst.28 Hiermee is de ratio van art. 153 lid 2 sub 3 Fw gegeven: de wetgever wil met dit artikel voorkomen dat door middel van sluipovereenkomsten gerechtelijke akkoorden worden doorgedrukt, waarvoor anders geen meerderheid te vinden zou zijn geweest. Het artikel ziet derhalve op het beschermen van de vermogensrechten van de schuldeisers tegen oneerlijke benadelende gedragingen. In het Wetboek van Strafrecht is de sluipovereenkomst in art. 345 Sr strafbaar gesteld.29
Heeft ontdekking van een sluipovereenkomst plaats binnen acht dagen na de beschikking van de rechtbank (art. 154 Fw), dan kunnen alle schuldeisers in hoger beroep tegen de beschikking van homologatie.30 Vindt de ontdekking nadien plaats, dan blijft een akkoord omwille van de rechtszekerheid in stand.31 De sluipovereenkomst zelf is nietig op grond van de artt. 3:40 en 3:41 BW. Er kan derhalve in rechte geen nakoming worden gevorderd.32 Wat reeds is nagekomen, kan als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd. De benadeelde schuldeisers kunnen schadevergoeding vorderen van degenen die bij de sluipovereenkomst betrokken waren.33
Art. 153 lid 2 sub 4 Fw
De inwerkingtreding van de Europese Insolventieverordening (IVO) heeft geleid tot invoering van een nieuwe weigeringsgrond, te weten art. 153 lid 2 sub 4 Fw.34 Het ziet op de situatie dat in een van de EU-lidstaten een hoofdproeedure in de zin van art. 3 lid 1 IVO is geopend en in Nederland een secundaire insolventieprocedure. Indien de curator in de hoofdprocedure niet met een akkoord in de secundaire insolventieprocedure instemt, is de rechtbank gehouden de homologatie van het in Nederland tot stand gekomen akkoord te weigeren. Dit is ingevolge het slot van art. 153 lid 2 sub 4 Fw alleen anders, indien een akkoord in de secundaire procedure de financiële belangen van de schuldeisers in de hoofdprocedure niet aantast. De ratio van deze bepaling is om schuldeisers in de hoofdprocedure te beschermen tegen nadelige financiële gevolgen van een secundaire insolventieprocedure. In de opzet van de insolventieverordening is een secundaire procedure immers ondergeschikt aan de hoofdprocedure. Een secundaire procedure kan worden geopend, maar als er maatregelen, zoals een akkoord, worden genomen die van invloed kunnen zijn op de (financiële) belangen van de schuldeisers in de hoofdprocedure, dan kan de curator in de hoofdprocedure de maatregel op grond van art. 34 IVO tegenhouden. De rechtbank is dan gehouden de homologatie van het akkoord te weigeren indien de schuldeisers in de hoofdprocedure door het akkoord in de secundaire procedure een lagere uitkering zouden ontvangen.35