Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/170
170 Wijdere toepassing
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS503987:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie met name K. Engsig Sørensen, ‘Abuse of rights in community law: a principle of substance or merely rhetoric?’, CMLR 2006, p. 423-459; P. Piantavigna, ‘Prohibition of abuse of law: A new general principle of EU law?’, Intertax 2009, p. 166-175.
Voor een uitgebreide schematische weergave van de belastingtechnische constructie die Halifax had bedacht, zie O. Rouselle & H.M. Liebman, ‘The doctrine of the abuse of community law: the sword of Damocles hanging over the head of EC corporate tax law?’, European Taxation 2006, p. 559-564, met name p. 560.
Het betreft met name de Zesde richtlijn Nr. 77/388 EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (PbEG 1977, L 145/1).
HvJEG 21 februari 2006, zaak C-255/02, Jur. 2006, p. I-01609 (Halifax), r.o. 61.
HvJEG 21 februari 2006, zaak C-255/02 (Halifax), r.o. 69.
HvJEG 21 februari 2006, zaak C-255/02 (Halifax), r.o. 74-75.
HvJEG 21 februari 2006, zaak C-255/02 (Halifax), r.o. 76.
HvJEG 21 februari 2006, zaak C-255/02 (Halifax), r.o. 94.
HvJEG 21 februari 2006, zaak C-255/02, Jur. 2006, p. I-01609 (Halifax), r.o. 72.
Zie Conclusie AG Maduro d.d. 7 april 2005, zaak C-255/02 (Halifax), onder nr. 84.
Na het arrest Emsland-Stärke rees de vraag of, en zo ja in hoeverre, het criterium dat het HvJ had aangelegd voor misbruik van recht van toepassing kon zijn op andere terreinen van het unierecht. De eerste zaak waarin het HvJ met zoveel woorden heeft erkend dat er een communautair beginsel van rechtsmisbruik bestaat is de zaak Halifax. Deze zaak wordt algemeen gezien als het laatste en definitieve bewijs van het bestaan van een algemeen communautair rechtsbeginsel van verbod op misbruik van unierecht.1
Halifax, een Engelse bank, verricht diensten die grotendeels vrijgesteld zijn van BTW (VAT). Zij wenste op vier locaties call-centers te bouwen om haar activiteiten uit te breiden. Hiertoe zette Halifax een geraffineerd systeem op door middel van transacties met dochtervennootschappen, waarbij zij bijna alle BTW verschuldigd over de voor de call-centers noodzakelijke bouwwerkzaamheden kon terugvorderen. Zou zij deze constructie niet hebben opgezet, dan zou Halifax slechts gerechtigd zijn een zeer klein deel van de BTW terug te vorderen (5%).2 In essentie kwam de vraag aan de orde of het criterium dat het HvJ benoemde in het arrest Emsland- Stärke van toepassing kon worden verklaard op schijntransacties om tot een belastingvoordeel onder de Europese BTW-regels te komen.3 Moeten de Europese regels aldus worden uitgelegd dat een belastingplichtige niet het recht heeft om belasting af te trekken, indien de transacties waarop dit recht is gebaseerd een misbruik opleveren?4
Het HvJ verwijst in zijn uitspraak naar de arresten General Milk en Emsland- Stärke en stelt dat de Europese regeling niet zo ruim mag worden toegepast dat zij misbruik door ondernemers zou dekken. Dat laatste wil zeggen transacties die niet zijn verricht in het kader van normale handelsuitoefening, maar uitsluitend met het doel om de door het unierecht toegekende voordelen onverschuldigd te verkrijgen.5 Het HvJ bevestigt dat het beginsel van verbod op misbruik ook geldt op het gebied van de BTW. Het criterium aan de hand waarvan onderzocht moet worden of van misbruik sprake is wordt door het HvJ als volgt gedefinieerd:
‘(…) om te kunnen vaststellen of er op BTW-gebied sprake is van misbruik, (..) is ten eerste vereist dat de betrokken transacties, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden die worden opgelegd door de desbetreffende bepalingen van de Zesde richtlijn en de nationale wettelijke regeling tot omzetting van deze richtlijn, ertoe leiden dat in strijd met het door deze bepalingen beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend.
Ten tweede moet uit een geheel van objectieve factoren blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen. Zoals de advocaat-generaal in punt 89 van zijn conclusie heeft gepreciseerd, geldt het verbod van onrechtmatige praktijken immers niet wanneer er voor de betrokken economische activiteit een andere verklaring bestaat dan de loutere verkrijging van belastingvoordelen.’6
Om te onderzoeken of sprake is geweest van een praktijk die misbruik van unierecht oplevert, dient de nationale rechter aan de hand van de bewijsregels van het nationale recht en voor zover de doeltreffendheid van het unierecht niet wordt aangetast, tot zijn oordeel te komen.7 Mocht de nationale rechter aan de hand van de door het HvJ gegeven uitgangspunten tot het oordeel komen dat een praktijk misbruik van unierecht oplevert, dan “moeten transacties waarmee een misbruik gepaard is gegaan, zo worden geherdefinieerd dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dit misbruik vormen.”8
Interessant is dat het HvJ zich in de uitspraak expliciet rekenschap geeft van het feit dat een beginsel van misbruik van recht kan conflicteren met de eisen van rechtszekerheid en – in dit geval – de bescherming van de gerechtvaardigde verwachtingen van de belastingbetaler. Het HvJ overweegt in dat verband:
‘Zoals het Hof herhaaldelijk heeft verklaard, dient de gemeenschapsregeling echter ook met zekerheid kenbaar te zijn en moet de toepassing ervan voor de justitiabelen voorzienbaar zijn. (..) Die rechtszekerheid is in het bijzonder een dwingend vereiste in het geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben, zodat de belanghebbenden de omvang van hun verplichtingen nauwkeurig kunnen kennen.(…).’9
Het HvJ sluit aan bij de overwegingen van AG Maduro waar hij in zijn conclusie stelt:
‘Het vaststellen van de werkingssfeer van dit communautaire beginsel voor het gemeenschappelijke BTW-stelsel komt in feite erop neer, waar de grens moet worden getrokken bij de uitlegging van de bepalingen van de BTW-richtlijnen die rechten toekennen aan de belastingplichtigen. Daartoe dient de objectieve analyse van het misbruikverbod te worden afgewogen tegen de beginselen van rechtszekerheid en vertrouwensbescherming, die ook ‘deel uitmaken van de communautaire rechtsorde’ en op basis waarvan de bepalingen van de Zesde richtlijn moeten worden uitgelegd. Uit deze beginselen volgt dat de belastingplichtigen hun fiscale verplichtingen vooraf moeten kunnen kennen en daartoe moeten kunnen afgaan op de gewone betekenis van de woorden van de BTW-wetgeving.’10