Zie rov. 3.1-3.4 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2014.
HR, 10-07-2015, nr. 14/02634
ECLI:NL:HR:2015:1836, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-07-2015
- Zaaknummer
14/02634
- Roepnaam
Staat der Nederlanden/H.H van der Schalk
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1836, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑07‑2015; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:410, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2014:949, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
ECLI:NL:PHR:2015:410, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑04‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1836, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑05‑2014
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2015/441 met annotatie van J. Legemaate
AB 2016/114 met annotatie van G.A. van der Veen, A.H.J. Hofman
JB 2015/159 met annotatie van J.A.F. Peters
JIN 2015/232 met annotatie van J.A.F. Peters
NTHR 2015, afl. 6, p. 329
PS-Updates.nl 2019-0398
Uitspraak 10‑07‑2015
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige daad. Aansprakelijkheid eigenaar gezonken schip voor leggen en ophalen cardinale boeien door Staat; art. 6:162 BW, art. 10 Wrakkenwet.
Partij(en)
10 juli 2015
Eerste Kamer
nr. 14/02634
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
De STAAT DER NEDERLANDEN,zetelende te ’s-Gravenhage,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema,
t e g e n
[verweerder],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 215585 / HA ZA 11-708 van de rechtbank Arnhem van 3 augustus 2011 en 21 december 2011;
b. het arrest in de zaak 200.111.933 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaat en mede door mr. G.M.C. Neuteboom-Klink.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerder] was eigenaar van een jacht, genaamd “Qubio”. Op zondagochtend 3 augustus 2008 is de “Qubio” tijdens een vaartocht van [verweerder] en zijn zoon op de Noordzee tussen Scheveningen en Stellendam gezonken. [verweerder] en zijn zoon zijn door een voorbijgaande sleper ‘opgepikt’ en in veiligheid gebracht.
(ii) Dezelfde dag om 12.15 uur is in opdracht van de Kustwacht, althans Rijkswaterstaat Noordzee, een schip van Rijkswaterstaat uitgerukt om de Qubio te lokaliseren. De Qubio is toen niet gevonden. Wel is besloten om op de plaats waar de opvarenden van de Qubio zijn ‘opgepikt’, omwille van de veiligheid van het vaarwaterverkeer twee zogeheten cardinale boeien te plaatsen. Cardinale boeien worden voornamelijk gelegd op bredere vaarwateren, meren en op zee ter markering van obstakels of afzonderlijke gevaren.
(iii) Op 22 augustus 2008 hebben Rijkswaterstaat Noordzee en de Kustwacht de cardinale boeien weer opgehaald.
(iv) De Staat heeft [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de kosten van het leggen en ophalen van de twee cardinale boeien voor een bedrag van € 18.234,40.De verzekeraar van [verweerder] heeft namens [verweerder] de aansprakelijkheid betwist.
3.2.1
De Staat vordert in deze procedure het hiervoor in 3.1 onder (iv) genoemde bedrag van [verweerder].Aan zijn vordering heeft de Staat ten grondslag gelegd dat hij als beheerder van het vaarwater waarin de Qubio is gezonken, deze kosten heeft gemaakt, en dat hij die kosten op grond van art. 10 Wrakkenwet in verbinding met art. 6:162 BW kan verhalen op [verweerder], nu deze daarvoor aansprakelijk is uit onrechtmatige daad.Volgens de Staat is van een onrechtmatige daad van [verweerder] sprake nu de Qubio op de bodem van het door de Staat beheerde vaarwater is terechtgekomen en een zodanig gevaar vormde voor de scheepvaart dat de Staat als beheerder van het vaarwater redelijkerwijs was genoodzaakt om over te gaan tot markering van het schip. De Staat heeft voor deze grondslag verwezen naar HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1482, NJ 1995/720 (Staat/August de Meijer) en HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8170, NJ 2003/372 (Staat/KMT).
3.2.2
Evenals de rechtbank heeft het hof de vordering niet toewijsbaar geoordeeld. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen.
Uit de door de Staat aangehaalde arresten volgt dat [verweerder] jegens de Staat gehouden was tot verwijdering van de Qubio indien de gevaren verbonden aan het niet-verwijderen ervan zo groot waren dat zij de Staat als beheerder redelijkerwijs tot verwijdering noopten. In dit geval bestond echter geen noodzaak tot verwijdering meer, omdat is gebleken dat het wrak volledig was verdwenen. (rov. 4.9)
In dit geval wordt [verweerder] dus niet aansprakelijk gesteld voor het niet-verwijderen van het schip, maar enkel voor het niet-markeren daarvan (rov. 4.10). Uit de arresten Staat/August de Meijer en Staat/KMT volgt echter niet dat dit niet-markeren onrechtmatig is. Er kan ook niet op een andere grond worden geoordeeld dat dit niet-markeren onrechtmatig was. Uitsluitend de Staat was gerechtigd om tot markering over te gaan. [verweerder] had daartoe niet de mogelijkheid. (rov. 4.11) Het voor de onderhavige aansprakelijkheid vereiste onrechtmatig handelen ontbreekt derhalve (rov. 4.12).
3.3.1
De onderdelen 1.1 en 1.3 betogen dat het hof heeft miskend dat voor de aansprakelijkheid als bedoeld in genoemde arresten volstaat dat sprake is van een op de bodem van het vaarwater terecht gekomen voorwerp dat een zodanig gevaar vormt dat dit de beheerder redelijkerwijs noopt tot het nemen van maatregelen terzake.
3.3.2
In de arresten Staat/August de Meijer en Staat/KMT is, voor zover hier van belang, beslist dat de eigenaar van een voorwerp dat terechtkomt op de bodem van een vaarwater, ook al valt hem daarvan geen verwijt te maken, terstond nadat hij van de situatie op de hoogte is gekomen, jegens de beheerder van dat vaarwater gehouden is dat voorwerp te verwijderen en door dat na te laten jegens de beheerder onrechtmatig handelt, met dien verstande dat voor toepassing van deze regel in beginsel is vereist dat de gevaren verbonden aan het niet-verwijderen zo groot zijn dat zij de beheerder redelijkerwijs tot verwijdering noopten.
3.3.3
In dit geval was, naar vaststaat, verwijdering niet nodig omdat de Qubio verdwenen bleek. De grondslag van de vordering van de Staat is echter dat het schip op een plaats is gezonken waar daarvan zodanig gevaar voor de scheepvaart was te duchten dat het markeren van die plaats door middel van de cardinale boeien redelijkerwijs noodzakelijk was.
3.3.4
De onderdelen betogen terecht dat ook in een zodanig geval aansprakelijkheid van de eigenaar van het voorwerp bestaat. Grondslag van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de eigenaar van het voorwerp in de arresten Staat/August de Meijer en Staat/KMT is het niet-voldoen aan de daarin genoemde verwijderingsplicht.Het in die arresten voor die aansprakelijkheid gestelde vereiste dat de gevaren verbonden aan het niet-verwijderen van het voorwerp zo groot zijn dat zij de beheerder van het vaarwater redelijkerwijs tot verwijdering nopen, heeft als strekking dat deze aansprakelijkheid bij vaarwater alleen op haar plaats is als de beheerder daarvan in verband met de gevaren die aan de aanwezigheid van het voorwerp zijn verbonden, redelijkerwijs tot het nemen van maatregelen is genoodzaakt. Ook indien verwijdering van het voorwerp door de beheerder niet nodig is of blijkt te zijn, maar het voorwerp (mogelijk) wel een zodanig gevaar voor de scheepvaart vormt dat in verband daarmee redelijkerwijs maatregelen noodzakelijk zijn, zoals het markeren van de plaats waar het voorwerp is gezonken, al dan niet slechts van tijdelijke aard of uit voorzorg, bestaat daarom grond voor die aansprakelijkheid. De omstandigheid dat de eigenaar van het voorwerp niet bevoegd is om zelf die maatregelen te treffen, maar dat slechts de beheerder van het vaarwater daartoe bevoegd is, staat niet aan het ontstaan van deze aansprakelijkheid in de weg.
3.3.5
De onderdelen 1.1 en 1.3 zijn dus gegrond.De overige onderdelen behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2014;
verwijst het geding naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 2.732,98 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 juli 2015.
Conclusie 03‑04‑2015
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige daad. Aansprakelijkheid eigenaar gezonken schip voor leggen en ophalen cardinale boeien door Staat; art. 6:162 BW, art. 10 Wrakkenwet.
Zaaknummer: 14/02634
Roldatum: 3 april 2015 | mr. Wuisman CONCLUSIE inzake: |
Staat der Nederlanden, | |
eiser tot cassatie, advocaat: mr. M.W. Scheltema, | |
tegen: [verweerder], verweerder in cassatie, niet verschenen |
1. Feiten en procesverloop
1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan(1.):
(i) Verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) was eigenaar van een jacht, genaamd “Qubio”. Op zondagochtend 3 augustus 2008 is de “Qubio” tijdens een vaartocht van [verweerder] en zijn zoon op de Noordzee tussen Scheveningen en Stellendam gezonken. [verweerder] en zijn zoon zijn door een voorbijgaande sleper ‘opgepikt’ en in veiligheid gebracht.
(ii) Diezelfde dag om 12.15 uur is in opdracht van de Kustwacht, althans Rijkswaterstaat Noordzee, een schip van Rijkswaterstaat uitgerukt om de Qubio te lokaliseren. De Qubio is toen niet gevonden. Wel is besloten om op de plaats waar de opvarenden van de Qubio zijn ‘opgepikt’, omwille van de veiligheid van het vaarwaterverkeer ter plaatse twee cardinale boeien te plaatsen. Cardinale boeien worden voornamelijk gelegd op bredere vaarwateren, meren en op zee ter markering van obstakels en/of afzonderlijke gevaren.
(iii) Op 22 augustus 2008 hebben Rijkswaterstaat Noordzee en de Kustwacht de cardinale boeien weer opgehaald.
(iv) Bij brief van 17 oktober 2008 heeft eiser tot cassatie (hierna: de Staat) [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de kosten van het leggen en ophalen van de twee cardinale boeien ad € 18.234,40. De verzekeraar van [verweerder] heeft namens [verweerder] de aansprakelijkheid betwist.
1.2 Op 2 mei 2011 heeft de Staat [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank Arnhem en – voor zover thans van belang – gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 18.234,40, te vermeerderen met wettelijke rente. De Staat baseert zijn vordering op artikel 10 van de Wrakkenwet: als beheerder van het vaarwater waar de Qubio was gezonken heeft hij in verband met het markeren van het wrak kosten moeten maken, waarvoor [verweerder] aansprakelijk is te houden wegens onrechtmatige daad.
1.3 [verweerder] heeft verweer gevoerd en – voor zover thans van belang – geconcludeerd dat de rechtbank de Staat niet ontvankelijk verklaart in zijn vordering, althans dat zij deze hem ontzegt.
1.5 Na eerst op 8 november 2011 een comparitie van partijen te hebben gehouden, heeft de rechtbank bij haar eindvonnis van 21 december 2011 de vorderingen afgewezen.
1.6 Tegen het vonnis van 21 december 2011 heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Staat heeft onder aanvoering van vijf grieven het hof – voor zover thans van belang – verzocht voornoemd vonnis van de rechtbank te vernietigen en opnieuw rechtdoende voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen van de Staat alsnog toe te wijzen.
1.7 Bij memorie van antwoord heeft [verweerder] de grieven bestreden. Daarna hebben partijen nog aktes genomen.
1.8 Bij eindarrest van 11 februari 2014 bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank Arnhem van 21 december 2011.
1.9 Tegen dit arrest heeft de Staat op 2 mei 2014, en daarmee tijdig, beroep in cassatie ingesteld. Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend. De Staat heeft zijn standpunt in cassatie schriftelijk nader toegelicht.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel bevat vier onderdelen. De daarin geformuleerde klachten richten zich vooral tegen de rov. 4.11 en 4.12 van het arrest. De te dezen van belang zijnde kernoverwegingen daaruit luiden:
- ro. 4.10: “Voor het niet verwijderen van Qubio wordt [verweerder] door de Staat dus niet aansprakelijk gesteld. [verweerder] wordt wél aansprakelijk gesteld voor het niet markeren van het wrak. (….) De aansprakelijkheid van [verweerder] berust hier volgens de Staat niet enkel op het feit dat hij niet tot markering is overgegaan, maar op de omstandigheid dat de gevaren die verbonden waren aan het nalaten daarvan zo groot waren dat de beheerder daartoe redelijkerwijs moest overgaan (memorie van grieven onder 49).”
- rov. 4.11: “Voor aansprakelijkheid van [verweerder] is te dezen allereerst onrechtmatig handelen of nalaten zijnerzijds vereist. (…) Nu het [verweerder], naar als onbestreden vaststaat, niet eens was toegestaan het wrak te markeren, valt, zonder verdere toelichting die ontbreekt, niet in te zien op welke wijze [verweerder] onrechtmatig zou hebben gehandeld door niet te markeren. Het door de Staat in dit verband mede aangevoerde (…) ‘gevaarsvereiste’ (…) vormt zonder onrechtmatig nalaten geen zelfstandige grond voor onbedoelde aansprakelijkheid.”
Uitgangspunten
2.2
Krachtens artikel 1 lid 1 Wrakkenwet kan de beheerder van onder meer openbare wateren, waartoe blijkens lid 2 ook de territoriale wateren zijn te rekenen, voorwerpen als gezonken vaartuigen opruimen.
De kosten die de beheerder krachtens de Wrakkenwet maakt, komen, zo is in artikel 10 Wrakkenwet bepaald, ten laste van de beheerder, “onverminderd diens bevoegdheid om de krachtens dit artikel te zijnen laste komende kosten te verhalen op dengene, die volgens de wet daarvoor aansprakelijk is.”
Als kosten van opruiming worden in lid 4 van artikel 2 onder meer aangemerkt kosten inzake berging, verlichting, bewaking en vervoer. Door de Staat is gesteld dat onder kosten inzake verlichting ook vallen de kosten, die verbonden waren aan het plaatsen en weghalen van de cardinale boeien. Deze stelling is in feitelijke instanties niet onjuist geoordeeld zodat hiervan moet worden uitgegaan in cassatie.
2.3
De aan het slot van artikel 10 Wrakkenwet voorziene bevoegdheid van het nemen van verhaal voor de op de grond van de Wrakkenwet gemaakte kosten op degenen, die volgens de wet daarvoor aansprakelijk zijn, biedt de ruimte voor verhaal voor die kosten langs privaatrechtelijke weg. Het kan dan gaan om een vordering uit overeenkomst maar ook om een vordering uit onrechtmatige daad.(2.) Om in een onder de Wrakkenwet vallend geval van een onrechtmatige daad te kunnen spreken is vereist niet alleen dat er inbreuk op het eigendomsrecht van de Staat wordt gemaakt, doordat een aan een ander toebehorend voorwerp in een aan de Staat toekomend water strandt, zinkt of vastraakt en die ander niet aanstonds voor verwijdering van het betrokken voorwerp zorg draagt, maar in beginsel ook dat de gevaren, die aan de aanwezigheid van het voorwerp in het vaarwater zijn verbonden, zo groot zijn dat zij de beheerder nopen tot maatregelen zoals verwijdering.(3.) De (geschiedenis van de) Wrakkenwet brengt niet mee dat toerekening van de onrechtmatige daad aan de eigenaar van het aanwezige voorwerp alleen kan plaats vinden in de gevallen waarin van de onrechtmatige gebeurtenis aan de eigenaar een verwijt is te maken wegens opzet of schuld. Ook wanneer aan de eigenaar van het voorwerp, waarmee onrechtmatig inbreuk op het eigendomsrecht van de Staat wordt gemaakt, hiervan geen verwijt valt te maken, kan naar de maatschappelijke opvattingen de onrechtmatige inbreuk aan hem worden toegerekend.(4.)
onderdeel 1
2.4
Zoals hierboven in 2.1 kort vermeld, acht het hof de verhaalsvordering van de Staat niet toewijsbaar omdat er volgens het hof geen sprake is geweest van een onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens de Staat. Tot die slotsom komt het hof omdat het nalaten door [verweerder] om zorg te dragen voor een markering niet onrechtmatig is te achten, ook al was die markering geboden vanwege het bestaan van een reële gevaarlijke situatie. Immers naar de eigen stellingen van de Staat kon en mocht [verweerder] die markering niet zelf aanbrengen. Dit oordeel wordt in het bijzonder in subonderdeel 1.1 bestreden.
2.5
De gedachtengang die in subonderdeel 1.1 wordt gevolgd, komt in de kern genomen op het volgende neer. Het aan [verweerder] toebehorende zeiljacht is gezonken en op de bodem van een vaarwater terecht gekomen, waarvan de eigendom aan de Staat toebehoorde. Doordat het zeiljacht ter plaatse aanwezig bleef, was er sprake van een situatie die niet alleen een inbreuk op het eigendomsrecht van de Staat opleverde, maar ook een zo groot gevaar voor ander scheepvaartverkeer inhield dat het aanbrengen van een markering redelijkerwijs geboden kon worden geacht. Daarmee was er, aldus het subonderdeel, al sprake van een aan [verweerder] toe te rekenen onrechtmatig handelen jegens de Staat dat de Staat het recht geeft de kosten van de door hem aangebrachte markering op [verweerder] te verhalen. Daaraan staat niet in de weg het feit dat [verweerder] wegens onbevoegdheid daartoe niet zelf de markering heeft aangebracht.
2.6
Het komt voor dat bij de zojuist weergegeven gedachtengang in subonderdeel 1.1 inderdaad tot de conclusie kan worden gekomen dat er sprake is geweest van een onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens de Staat en dat daaraan niet in de weg staat dat [verweerder] bij gebreke van een bevoegdheid daartoe niet zelf de markering kon aanbrengen. Deze laatste omstandigheid laat onverlet dat [verweerder] een inbreuk op het eigendomsrecht van de Staat heeft doen ontstaan waaraan, naar de Staat in redelijk heeft kunnen aannemen zo lang hem nog niet bekend was dat het jacht in de zeebodem verdwenen was, een zodanig gevaar voor het overige vaarverkeer was of kon zijn verbonden dat het aanbrengen van een markering geboden was. Nu de Staat er niet op kon rekenen dat [verweerder] zelf die maatregel kon treffen, heeft de Staat zich redelijkerwijs gedwongen kunnen voelen om ter kering van dat gevaar de maatregel van het aanbrengen van een markering te treffen. Hieraan is reeds de kwalificatie te verbinden van een onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens de Staat. Aan het gegeven dat [verweerder] mede wegens onbevoegdheid daartoe de markering niet zelf heeft aangebracht, valt hier geen andere of verdere betekenis toe te kennen dan dat de Staat als beheerder van het betrokken vaarwater te meer in redelijkheid heeft kunnen besluiten om zelf tot het aanbrengen van de markering over te gaan.
Bij het voorgaande is nog in aanmerking te nemen dat de situatie, die de Staat tot het nemen van die maatregel noopte, door [verweerder] was geschapen en dat de Wrakkenwet niet meebrengt dat voor het aan [verweerder] kunnen toerekenen van (het ontstaan en voortbestaan van) die situatie vereist is dat hem daarvan wegens schuld of opzet een verwijt is te maken.
2.7
Het voorgaande voert tot de slotsom dat subonderdeel 1.1 doel treft. Dat brengt mee dat de klachten in de andere (sub)onderdelen geen bespreking behoeven.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
(A-G)
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑04‑2015
. Zie HR 15 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2822, NJ 1999, 306, rov. 3.3.2
. Zie HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1482, NJ 1995, 720, m.nt. M. Scheltema, rov. 3.4.
. Zie HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1482,NJ 1995, 720, m.nt. M. Scheltema, rov. 3.6. en HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:AD8170, NJ 2003, 372, m.nt. K.F. Haak, rov. 3.4.2.
Beroepschrift 02‑05‑2014
Heden, de [tweede mei] tweeduizendveertien, ten verzoeke van de publiekrechtelijke rechtspersoon Staat der Nederlanden, waar van de zetel is gevestigd te 's‑Gravenhage, te dezer zake woonplaats kiezende te 's‑Gravenhage aan de Bezuidenhoutseweg nr 57 (2594 AC), gebouw New Babylon (postbus 11756, 2502 AT), ten kantore van mr. M.W. Scheltema, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, die door hem wordt aangewezen om hem te vertegenwoordigen in na te melden geding in cassatie;
[heb ik, Cornelis Lam, als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam ten kantore van Arno Reinoud Flanderijn, gerechtsdeurwaarder met vestigingsplaats Arnhem, aldaar kantoorhoudende aan het Kroonpark 16;]
AAN
[gerequireerde], wonende te [woonplaats], maar overeenkomstig art. 63 lid 1 Rv mijn exploot doende te Arnhem aan de Velperweg 1 (postbus 3045, 6802 DA), ten kantore van mr. F.A.M. Knüppe, advocaat alwaar de gerequireerde in vorige instantie laatstelijk woonplaats heeft gekozen, sprekende met en afschrift dezes latende aan:
[Mevrouw M. Veldman, aldaar werkzaam]
AANGEZEGD
dat mijn requirant hierbij beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem), onder zaaknr. 200.111.933 tussen mijn requirant als appellant en gerequireerde als geïntimeerde gewezen en ter openbare terechtzitting van 11 februari 2014 uitgesproken;
voorts heb ik, deurwaarder, geheel exploiterend en relaterend als voormeld, de geïnsinueerde voornoemd,
GEDAGVAARD
om op vrijdag de zevenentwintigste juni tweeduizendveertien, des voormiddags om 10.00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter openbare terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, Eerste Enkelvoudige Kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, die alsdan wordt gehouden in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan de Kazernestraat nr. 52 te 's‑Gravenhage;
MET DE UITDRUKKELIJKE VERMELDING:
- •
dat van gerequireerde bij verschijning een griffierecht zal worden geheven en dat dit griffierecht verschuldigd is vanaf zijn verschijning in het geding en binnen vier weken nadien dient te zijn voldaan;
- •
dat de hoogte van de griffierechten is vermeld in de meest recente bijlage behorende bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken, die onder meer is te vinden op de website www.wetten.overheid.nl/BWBR0028899/,
- •
dat van een persoon die onvermogend is, een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht voor onvermogenden wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- 1o.
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel
- 2o.
een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet;
- •
dat indien gerequireerde in het geding verschijnt door advocaat te stellen, maar het door zijn verschijning verschuldigde griffierecht niet tijdig voldoet, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, ingevolge art. 411 lid 1 Rv zijn recht om verweer in cassatie te voeren of om van zijn zijde in cassatie te komen vervalt.
TENEINDE
alsdan tegen voormeld arrest te horen aanvoeren het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het Hof heeft geoordeeld als vermeld in rov. 4.9–5, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
1
Het hof heeft in rov. 4.11 overwogen dat voor aansprakelijkheid van [gerequireerde] te dezen allereerst onrechtmatig handelen of nalaten zijnerzijds is vereist. Het in dit verband door de Staat opgevoerde ‘nalaten’ van [gerequireerde] het wrak te markeren, heeft evenwel, ook tegen de achtergrond van de door de Staat bedoelde, hiervoor onder 4.7 bedoelde rechtspraak, volgens het hof geen onrechtmatig karakter. Zoals de Staat bij memorie van grieven (onder 44 en 50) zelf aanvoert, was [gerequireerde] niet gerechtigd om bij het wrak van het gezonken jacht zelfstandig markeringen aan te brengen en komt deze bevoegdheid enkel de Staat toe:
‘(…) omdat het praktisch onmogelijk is om [gerequireerde] te vragen/ te sommeren om de markeringen te plaatsen bij het wrak nu alleen de vaarwegbeheerder tot markeren van wrakken bevoegd is.’
en:
‘Het is juist dat [gerequireerde] niet zelf de boeien had kunnen leggen nu de vaarwegmarkeringsdienst de enige instantie is die dergelijke boeien kan leggen op de territoriale zee. (…)’
Het hof heeft verder overwogen dat de Staat weliswaar aanvoert dat voor toerekening van de onrechtmatige daad in verband met de hier bedoelde aansprakelijkheid volgens eerder vermelde rechtspraak geen verwijtbaarheid nodig is, maar dat nog niet maakt dat aan het vereiste van onrechtmatigheid is voldaan. Nu het [gerequireerde], naar als onbetreden vaststaat, niet eens was toegestaan het wrak te markeren, valt, zonder verdere toelichting die ontbreekt, volgens het hof niet in te zien op welke wijze [gerequireerde] onrechtmatig zou hebben gehandeld door niet te markeren. Het door de Staat in dit verband mede aangevoerde — kennelijk aan de hiervoor onder 4.7 vermelde rechtspraak van de Hoge Raad ontleende — ‘gevaarsvereiste’ vormt, aldus het hof, zonder onrechtmatig nalaten geen zelfstandige grond voor bedoelde aansprakelijkheid.
Klachten
1.1
's Hofs beslissing in rov. 4.11 is rechtens onjuist. Er wordt inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de Staat indien een voorwerp op de zeebodem terecht komt. Uit de rechtspraak van uw Raad, die het hof in rov. 4.7 (en rov. 4.11) heeft aangehaald, volgt dat de eigenaar, ongeacht of hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt, op grond van de in het maatschappelijk verkeer in zijn hoedanigheid als eigenaar jegens eens anders goederen in acht te nemen zorgvuldigheid, in beginsel gehouden is, zodra hij op de hoogte is gekomen van het op de zeebodem terecht komen van dit voorwerp, de maatregelen te treffen die deze inbreuk teniet doen of daaruit voortvloeien indien de gevaren verbonden aan het niet nemen van die maatregelen zo groot zijn dat zij de beheerder redelijkerwijs tot het nemen daarvan nopen. Anders dan het hof heeft overwogen, wordt dat niet anders indien de eigenaar een specifieke maatregel (in het onderhavige geval het markeren) in een bepaalde situatie niet zelf mag (laten) uitvoeren. Onder omstandigheden kan, in verband met de veiligheid van het scheepvaartverkeer, het nemen van bepaalde maatregelen, zoals het markeren, alleen door de Staat geschieden.1. Dat de eigenaar die maatregel niet zelf mag (laten) uitvoeren (zo hij daartoe praktisch gezien al in staat zou zijn), neemt in dergelijke situaties derhalve niet weg dat de Staat de daarmee gemoeide kosten op de voet van artikel 10 Wrakkenwet juncto artikel 6:162 BW kan verhalen.2. Deze vloeien immers voort uit het op de zeebodem terecht komen van het wrak (de daardoor veroorzaakte inbreuk op het eigendomsrecht van de Staat) en het niet, terstond nadat de eigenaar daarvan op de hoogte is gekomen, nemen van de maatregelen die de inbreuk teniet doen of daaruit voortvloeien indien de gevaren verbonden aan het niet nemen van die maatregelen zo groot zijn dat zij de beheerder redelijkerwijs tot het nemen daarvan nopen.3.
1.2
Indien het hof het in onderdeel 1.1 betoogde niet heeft miskend, maar heeft beslist dat de aan het niet markeren verbonden gevaren niet zo groot waren dat zij de beheerder daartoe redelijkerwijs noopten, dan is zijn beslissing evenzeer rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De door het hof in rov. 4.9 genoemde omstandigheid dat het wrak later bleek te zijn verdwenen, laat immers ten minste de mogelijkheid open dat dit direct na het zinken van de [wrak] nog niet het geval was.4. Daaraan doet niet af de door het hof in rov. 3.2 genoemde omstandigheid dat de Kustwacht het wrak niet heeft gevonden, nu dat niet zonder meer betekende dat het wrak geen gevaar meer vormde voor het scheepvaartverkeer en de visserij.5. Het vorenstaande geldt temeer nu het hof in rov. 4.10 heeft vastgesteld dat de Staat er met verwijzing naar het incidentverslag van de Kustwacht (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) op heeft gewezen dat markering van het wrak noodzakelijk was omdat er op dat moment sprake was van een reële gevaarlijke situatie.6.
Het hof heeft bovendien in rov. 4.12 beslist dat geen sprake is van toerekenbaar onrechtmatig handelen zelfs als het noodzakelijk was de onderhavige kosten te maken en deze bij wijze van eerste fase van de verwijderingswerkzaamheden als kosten in de zin van de Wrakkenwet zijn aan te merken. Het hof heeft daarmee in het midden gelaten of aan het vereiste is voldaan dat de gevaren verbonden aan het niet markeren van de [wrak] zo groot waren dat zij de beheerder redelijkerwijs tot markering noopten, zodat bij de beoordeling van zijn beslissing uitgangspunt moet zijn dat een noodzaak bestond de aan markering verbonden kosten te maken.
1.3
Althans heeft het hof in rov. 4.11 miskend dat de door de Staat aan [gerequireerde] verweten onrechtmatige gedraging door het ‘nalaten’ het wrak te markeren, niet als een zelfstandige onrechtmatige gedraging moet worden beschouwd ter zake waarvan aan de vereisten van artikel 6:162 BW moet zijn voldaan. Naar het hof in rov. 4.6 en 4.7 met juistheid heeft overwogen, is de eigenaar van een voorwerp dat terechtkomt op het perceel van een ander of op de bodem van een vaarwater, ook al valt hem daarvan geen verwijt te maken, terstond nadat hij van de situatie op de hoogte is gekomen, jegens die ander onderscheidenlijk de beheerder van dat vaarwater gehouden dat voorwerp te verwijderen en handelt hij door dat na te laten jegens die ander onderscheidenlijk die beheerder onrechtmatig; met dien verstande dat, indien het gaat om een op de bodem van een vaarwater terechtgekomen voorwerp, voor toepassing van deze regel in beginsel vereist is dat de gevaren verbonden aan het niet verwijderen zo groot zijn dat zij de beheerder redelijkerwijs tot verwijdering noopten. Blijkens artikel 10 Wrakkenwet kunnen de kosten die uit het zojuist bedoelde onrechtmatige handelen voortvloeien op de aansprakelijke persoon worden verhaald. In het onderhavige geval staat vast, naar volgt uit 's hofs overwegingen in rov. 3.1–3.3, dat de [wrak] is gezonken en op de bodem van de Noordzee is terechtgekomen. Daarnaast staat blijkens rov. 3.1–3.3 en rov. 4.9 van 's hofs arrest vast dat [gerequireerde] de [wrak] niet terstond nadat hij van het zinken en het op de bodem van de Noordzee terechtkomen daarvan op de hoogte is gekomen tot verwijdering is overgegaan.7. Hij is daarom in beginsel op grond van artikel 10 Wrakkenwet juncto artikel 6:162 BW jegens de Staat aansprakelijk voor alle uit het niet terstond verwijderen van het wrak voortvloeiende kosten. Hoewel de kosten in het algemeen (ook) bestaan in het verwijderen van het wrak, was het verwijderen daarvan in het onderhavige geval, naar het hof in rov. 4.9 en 4.10 heeft overwogen, niet noodzakelijk omdat later is gebleken dat het wrak volledig in de bodem was verdwenen. Dat neemt, naar het hof heeft miskend, echter niet weg dat de kosten van het markeren wel noodzakelijk waren omdat [gerequireerde] niet terstond nadat hij van het zinken en het op de bodem van de Noordzee terechtkomen van de [wrak] op de hoogte was gekomen tot verwijdering is overgegaan.8.
Bepalend in het kader van de vraag of [gerequireerde] onrechtmatig heeft gehandeld is, anders dan het hof heeft overwogen, derhalve niet of [gerequireerde] was toegestaan om het wrak te markeren, maar of hij het wrak niet niet terstond heeft verwijderd nadat hij van het zinken en het op de bodem van de Noordzee terechtkomen daarvan op de hoogte was gekomen, alsmede of dit niet direct verwijderen noodzakelijkerwijs noopte tot de door de Staat getroffen maatregel van markering.
1.4
Indien het hof het in onderdeel 1.3 betoogde niet heeft miskend, maar in rov. 4.9 tot uitdrukking heeft willen brengen dat in het onderhavige geval niet aan het vereiste is voldaan dat de gevaren verbonden aan het niet verwijderen zo groot zijn dat zij de beheerder redelijkerwijs tot verwijdering noopten omdat de Staat heeft aangegeven dat geen noodzaak meer bestond het jacht van de zeebodem te verwijderen omdat dit diep genoeg was gezonken, is zijn beslissing rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk om de hiervoor in onderdeel 1.2 uiteengezette redenen.
2
Het hof heeft in rov. 4.11 overwogen dat de passage in die rechtspraak luidende ‘ook al valt hem daarvan geen verwijt te maken’ ziet op het ‘terecht komen [van een voorwerp] op het perceel van een ander of op de bodem van een vaarwater’ en niet op het nalaten het voorwerp ‘terstond nadat hij van de situatie op de hoogte is gekomen’ te verwijderen (dan wel, zo de Staat wil, te markeren). Voor aansprakelijkheid voor zodanige nalatigheid gelden de vereisten van artikel 6:162 BW volgens het hof onverkort.
Klachten
2.1
Indien 's hofs zojuist aangehaalde beslissing in rov. 4.11 aldus moet worden begrepen dat het een zelfstandige grond oplevert om aansprakelijkheid van [gerequireerde] af te wijzen, heeft het hof miskend dat uit de door uw Raad geformuleerde regel, die het hof in rov. 4.7 (en rov. 4.11) heeft aangehaald, volgt dat de zinsnede ‘ook al valt hem daarvan geen verwijt te maken’ niet alleen betrekking heeft op het op de zeebodem terecht komen van een voorwerp, maar evenzeer op het laten voortduren van die situatie zonder dat voorwerp te verwijderen en/of, waar nodig, te markeren.9.
2.2
Althans heeft het hof in dat geval miskend dat niet relevant is dat de zinsnede ‘ook al valt hem daarvan geen verwijt te maken’ in de door hem in rov. 4.7 (en 4.11) bedoelde rechtspraak van uw Raad alleen betrekking heeft op de toerekenbaarheid van het terecht komen op de bodem van een vaarwater van een voorwerp. Uit de bedoelde rechtspraak blijkt immers evenzeer dat de eigenaar van dit voorwerp terstond nadat hij van het op de zeebodem geraken daarvan op de hoogte is gekomen, jegens de beheerder van het vaarwater gehouden is dat voorwerp te verwijderen indien de gevaren verbonden aan het niet verwijderen van dat voorwerp zodanig groot zijn dat zij de beheerder van het vaarwater redelijkerwijs tot verwijdering of (daaraan voorafgaande) tot markering nopen. Daaruit volgt in beginsel dat de eigenaar dit niet terstond verwijderen kan worden toegerekend (op grond van de in artikel 6:162 lid 3 BW bedoelde verkeersopvattingen).
Althans valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom dit niet terstond verwijderen en/of niet markeren niet aan [gerequireerde] kan worden toegerekend, mede in het licht van het betoog in de onderdelen 1.2 en 1.4 dat aan het vereiste is voldaan dat de gevaren verbonden aan het niet verwijderen en/of niet markeren zo groot waren dat zij de beheerder redelijkerwijs tot markering noopten.10.
3
Het hof heeft in rov. 4.10 overwogen dat [gerequireerde] door de Staat niet aansprakelijk wordt gesteld voor het niet verwijderen van de [wrak]. [gerequireerde] wordt aldus het hof wél aansprakelijk gesteld voor het niet markeren van het wrak. Het hof constateert in dat verband dat de Staat heeft aangevoerd dat dit twee verschillende werkzaamheden zijn. De Wrakkenwet biedt voor beide werkzaamheden wel een mogelijkheid tot kostenverhaal, naar de Staat volgens het hof heeft betoogd. De Staat wijst er daarbij, aldus het hof, op dat het markeren de eerste fase van de verwijderingswerkzaamheden vormt. De aansprakelijkheid van [gerequireerde] berust hier, naar de Staat volgens het hof heeft betoogd, niet enkel op het feit dat hij niet tot markering is overgegaan, maar op de omstandigheid dat de gevaren die verbonden waren aan het nalaten daarvan zo groot waren dat de beheerder daartoe redelijkerwijs moest overgaan.
Klacht
3.1
Indien de overwegingen van het hof in rov. 4.10 en 4.11 aldus moeten worden begrepen dat de Staat zich slechts op het standpunt heeft gesteld dat ook in verband met het markeren van het wrak van de [wrak] sprake is van een zelfstandige onrechtmatige daad van [gerequireerde] en zijn vordering moet worden afgewezen nu niet aan de vereisten voor een dergelijke onrechtmatige daad is voldaan, zijn deze in het licht van het in de onderdelen 1.1, 1.2 en 2 betoogde rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
Deze overwegingen zijn in dat geval bovendien rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk om de hierna volgende reden. Indien de Staat zijn vordering op een rechtens onjuiste wijze zou hebben onderbouwd, zou op het hof de gehoudenheid hebben gerust de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen. Bovendien valt uit het door het hof aangehaalde betoog van de Staat, mede gelet op de weergave daarvan in rov. 4.4, niet af te leiden dat de Staat slechts heeft betoogd dat ter zake van de kosten van verwijdering sprake zou moeten zijn van een zelfstandige onrechtmatige daad. De Staat heeft blijkens het door het hof aangehaalde betoog tot uitdrukking gebracht dat de markering de eerste fase vormt van de verwijderingswerkzaamheden en heeft in dat verband gewezen op het hiervoor in de onderdelen 1.2 en 1.4 genoemde vereiste, dat uw Raad in verband met het verhalen van de kosten van verwijdering heeft gesteld, dat de gevaren die verbonden waren aan het nalaten van het nemen van maatregelen (waarmee deze kosten samenhangen) zo groot waren dat de beheerder daartoe redelijkerwijs moest overgaan. Uit het betoog van de Staat valt daarmee niet, in ieder geval niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, af te leiden dat hij enkel heeft gesteld dat ter zake van de kosten van markering sprake zou moeten zijn van een zelfstandige onrechtmatige daad, die niet voortvloeit uit de omstandigheid dat een voorwerp op de zeebodem terecht is gekomen terwijl de eigenaar daarvan niet terstond nadat hij van deze gebeurtenis op de hoogte is gekomen tot verwijdering is overgegaan.
4
De vorenstaande onderdelen vitiëren bij gegrondbevinding ook 's hofs beslissingen in rov. 4.12 en 5.
En op grond van dit middel te horen eis doen dat het de Hoge Raad behage het arrest waarvan beroep te vernietigen met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren; kosten rechtens.
de kosten dezes zijn: | |||
Exploit | : | € | 77,52 |
Opslag (BTW 21%) | : | € | 16,28 |
Totaal | : | € | 93,80 |
eiser(es) / requirant(e) kan op grond van de Wet Omzetbelasting 1968 de hem / haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet verrekenen, derhalve worden bovengemelde kosten verhoogd met een percentage gelijk aan het percentage genoemd in bovengenoemde wet;
(t.k.-)gerechtsdeurwaarder.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑05‑2014
Zie ook het betoog in de memorie van grieven, onder 2.
Zie ook het betoog in de memorie van grieven, onder 50.
Zie ook de memorie van grieven, onder 24.
In dat verband is van belang dat de [wrak], naar de staat heeft betoogd, op 3 augustus 2008 om 8:57 zinkende was (zie de memorie van grieven, onder 8) en uit 's hofs vaststelling in rov. 3.2 volgt dat de Kustwacht om 12.15 uur is uitgevaren.
In dat verband is van belang dat de Staat in de memorie van grieven, onder 2, 3 en 12 heeft betoogd dat de markering(sboeien) noodzakelijk zijn totdat het wrak wordt geborgen of (wordt geconstateerd dat) dit op andere wijze geen gevaar meer vormt voor het scheepvaartverkeer en dat de kustwacht pas een aantal dagen na het zinken van de [wrak] kon uitsluiten dat het wrak een gevaar kon vormen voor het scheepvaartverkeer of de visserij. Verder heeft de Staat in de memorie van grieven, onder 12, uiteengezet dat het schip van de Kustwacht dat de markeringsboeien heeft gelegd het wrak op 3 augustus 2008 niet meer kon localiseren omdat het al volledig was gezonken.
Zie ook de memorie van grieven, onder 9, 10, 25–27, 32, 34, 41–43 en 51.
In dat verband is van belang dat de [wrak], naar de Staat heeft betoogd, op 3 augustus 2008 om 8:57 zinkende was (zie de memorie van grieven, onder 8) en uit 's hofs vaststelling in rov. 3.2 volgt dat de Kustwacht om 12.15 uur is uitgevaren.
Zie rov. 4.10 en de memorie van grieven, onder 9, 10, 25–27, 32, 34, 41–43 en 51.
Zie ook de verwijzing in de memorie van grieven, onder 31.
Zie het betoog in de memorie van grieven, onder 32–34.