Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/11.1.5
11.1.5 Soorten bestanddelen
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS298009:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld over het onderscheid tussen wesentliche en unwesentliche Bestandteile dat wel in de Duitse literatuur wordt gemaakt Tweehuysen 2016, p. 239.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 12.
Zowel bij roerende als onroerende hoofdzaken gelden de vereisten uit paragraaf 11.2; zie bijvoorbeeld Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 12; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 67. Dat soms wel wordt onderscheiden tussen bestanddeelvorming bij roerende en onroerende zaken is daarom niet vanwege verschillende regimes die daarbij zouden gelden, maar vanwege de mogelijkheid om via art. 5:20 BW tot een andere uitkomst te komen bij onroerende zaken dan via art. 3:4 BW het geval zou zijn. Zie randnummer 437 en van der Plank & Witting 2014.
444. Het Nederlandse recht maakt, anders dan enkele buitenlandse rechtsstelsels, geen onderscheid tussen verschillende soorten bestanddelen.1 De regels die gelden voor bestanddeelvorming zijn in alle gevallen dezelfde. Wel wordt onderscheiden tussen bestanddeelvorming bij roerende en onroerende zaken bij het bepalen welke van de samengevoegde zaken als hoofdzaak dient te gelden. Onroerende zaken gelden altijd als hoofdzaak als zij worden verenigd met een roerende zaak; bij roerende zaken wordt aan de hand van art. 5:14 lid 3 BW bepaald welke zaak als hoofdzaak dient.2 Is eenmaal een hoofdzaak aangewezen, dan zijn de regels om te bepalen of een andere zaak bestanddeel van deze hoofdzaak is geworden, identiek.3