Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/II.3.4
II.3.4 Een wijziging leidt tot een gewenst toepassingsbereik
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377337:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Bulten (2004), p. 128. Ten tijde van mijn voorstel bestond de vetplicht bod-regeling nog niet. Zij is een uitvloeisel van de dertiende EG-richtlijn betreffende het openbaar overnamebod, zie verder Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 241* (2009), nr. 607. Het verplicht bod is opgenomen in art. 5:70-5:73, 5:80a en 5:80b Wft en werd ingevoerd bij Wet van 24 mei 2007 betreffende het openbaar overnamebod (Stb. 2007, 202). De regeling is in werking getreden op 28 oktober 2007.
Zie over ratio van de verplicht bod-regeling ook: Nieuwe Weme (2004), p. 57-59.
Zie nader over acting in concert: J.H.L. Beckers, Eendracht maakt macht — Een onderzoek naar `acting in concert' in het kader van het verplicht openbaar bod, Nijmegen 2009.
Art. 2:256 BWNA luidt: 'Een vordering tot uittreding als bedoeld in de artikelen 251 tot en met 254 kan niet worden ingesteld ter zake van aandelen die worden verhandeld op een beurs.' Zie ook MvT (nr. 3) BWNA, in: Murray e.a. (2006), p. 284; en Frielink (2006), p. 159.
In België is een uitstoting bij een NV (ook) zeldzaam. Zie voor een voorbeeld de door D. van Gerven besproken uitspraak: Kg Kh. Bergen 10 november 2008, TRV 2010, p. 479.
Idem Schwarz (2004), p. 34; en (2008), p. 29.
Is de geschillenregeling ook een oplossing voor conflicten tussen aandeelhouders van 'open' vennootschappen? Is art. 2:335 lid 2 BW op dit punt te beperkt? In het verleden stelde ik voor de geschillenregeling van toepassing te laten zijn op iedere kapitaalvennootschap, ongeacht de eventuele verhandelbaarheid van de aandelen in verband met een beursnotering.1 Deze gedachte verlaat ik thans. De mogelijkheid van relatief eenvoudige verhandelbaarheid maakt dat de geschillenregeling voor een beursvennootschap niet nodig is. De aandeelhouder heeft voornamelijk op grond van economische motieven zijn aandelen gekocht. Inmiddels zijn er speciale regels die zijn toegesneden op de beursvennootschap en haar aandeelhouders, welke regels niet goed rijmen met de geschillenregeling. Ik wijs bijvoorbeeld op art. 5:70 Wft, op grond waarvan een aandeelhouder met een substantieel belang verplicht wordt een bod uit te brengen op de overige aandelen. De overige aandeelhouders worden zo (bij voorbaat) beschermd tegen mogelijk machtsmisbruik van die aandeelhouder met een substantieel belang. De aanwezigheid van zo'n controlerende aandeelhouder zal bovendien de prijs van de ter beurze verhandelde aandelen drukken. Met een verplicht bod wordt de 'beknelde beursaandeelhouders' dan een exit tegen een billijke prijs geboden.2 De uittredingsvordering of uitstotingsvordering is in zo'n situatie niet goed denkbaar. Mogelijk maken de aandeelhouders die samen een geschillenregelingvordering instellen zich schuldig aan acting in concert, op grond waarvan die verplichting tot het uitbrengen van een bod weer ontstaat.3 Ik wijs in dit verband ook op de geschillenregeling van de Caribische delen van het Koninkrijk. De uittredingsvordering geldt daar niet voor aandelen die op een beurs worden verhandeld (art. 2:256 BWNA). De minderheidsaandeelhouder kan zijn aandelen te gelde maken door een eenvoudige verkoop.4 Ook voor de Belgische geschillen-regeling geldt dat zij van toepassing is op de NV die geen publiek beroep op het spaarwezen doet of heeft gedaan (art. 635 W.Venn.).5
Bij de NV of de BV die niet een blokkeringsregeling hebben en dus open vennootschappen zijn, kan de toepassing van de geschillenregeling nuttig zijn. Aandelen in niet-beursgenoteerde, open NV's zijn vaak beperkt verhandelbaar. In een open vennootschap kan een aandeelhouder aanwezig zijn die het belang van de vennootschap schaadt. De andere aandeelhouder die zelf niet wil uittreden, moet de mogelijkheid hebben de verwijtbaar handelende aandeelhouder uit te stoten. Nu de geschillenregeling voor de Flex-BV zonder blokkeringsregeling gaat gelden, houden de redenen voor de beperking tot besloten NV's niet langer stand.6
Ik pleit voor aanpassing van art. 2:335 BW. Er zijn twee opties. De eerste is de geschillenregeling alleen van toepassing te laten zijn op besloten vennootschappen. Dit zijn de huidige BV, de Flex-BV met een (statutaire of niet uitgesloten wettelijke) blokkeringsregeling en de besloten NV's die voldoen aan de drie criteria van lid 2. De tweede optie houdt in dat de geschillenregeling geldt voor niet-beursgenoteerde kapitaalvennootschappen. Zij ziet op het schrappen van een of meer in lid 2 sub a tot en met c opgenomen eisen. Lid 1 over de BV blijft ongemoeid. De aandeelhouders van BV's en NV's, ongeacht hun open of gesloten karakter, kunnen dan een geschillenregelingvordering instellen. Deze laatste optie heeft mijn voorkeur. Aandeelhouders van een Flex-BV zonder blokkeringsregeling kunnen hun aandelen weliswaar eenvoudig van de hand doen, maar in de praktijk zal het niet gemakkelijk zijn een koper te vinden. Dit geldt eens te meer indien de aandeelhouder wenst uit te treden omdat er, kort gezegd, conflicten met de andere aandeelhouders zijn en er een ruzieachtige situatie binnen de aandeelhoudersvergadering en de BV heerst. Een derde zal dan niet veel trek hebben in een koop van de aandelen. Voor een dergelijke situatie biedt de uittreding van art. 2:343 BW uitkomst. Voor de open niet beurs-NV waarvan de verhandelbaarheid beperkt is, geldt dezelfde motivering.
Mijn conclusie is dat wijziging van art. 2:335 lid 2 BW nodig is. Ik zie goede gronden de geschillenregeling van toepassing te laten zijn op iedere kapitaalvennootschap waarvan de aandelen niet — op een gereglementeerde markt eenvoudig verhandelbaar zijn. Daarnaast behoeft het vereiste van sub c over de statutaire toelaatbaarheid van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten verduidelijking.