Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/2.4
2.4 Eén algemene wet met daarin de heffingsmethoden
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS442299:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Wet op de inkomstenbelasting 1964 bevatte weliswaar nog een bepaling (artikel 1) dat het een directe belasting betrof. In de memorie van toelichting merkte minister Hofstra echter op dat deze aanduiding geen verdere wetenschappelijke betekenis had; zie Kamerstukken II 1958/59, 5380, nr. 3, p. 30.Het doel was vooral om bepaalde wettelijke bepalingen van toepassing te laten zijn, zoals voor de invordering, de richtige heffing (artikel 31 e.v. AWR). Met ingang van 1 augustus 1987 geeft het Ministerie van Financiën geen machtigingen meer af voor de toepassing van richtige heffing, zodat het onderscheid tussen directe en indirecte belastingen voor de toepassing van deze regeling sindsdien niet langer relevant is (persbericht van 29 juli 1987, nr. 87/222, V-N 1987/1768, 2).
De wet werd op 2 juli 1959, gepubliceerd in Stb. 301.
Kamerstukken I 1954/55, 4080, nr. 5, p. 9 rk.
Dit betreft onder andere voorschriften rondom termijnen voor het opleggen van aanslagen, voorwaarden voor navorderingen en het opleggen van verhogingen bij navorderingen en bij naheffingen (het nieuw ingevoerde begrip bij voldoening of afdracht op aangifte). Sinds de invoering van de AWR wordt de term navordering alleen nog gebruikt bij aanslagbelastingen. In het verleden werd op grond van het Besluit op de Omzetbelasting ook een navorderingsaanslag voor de omzetbelasting opgelegd als het verschuldigde bedrag niet of niet geheel was voldaan. Zie bijvoorbeeld: Peeters, Meering & Van Soest, 1949, p. 320.
De Stelselwet 1821 – en daarmee het onderscheid tussen directe en indirecte belastingen – heeft tot de invoering van de AWR bestaan.1 In de AWR zijn de heffingsmethoden vastgelegd zoals we die op dit moment kennen.2 Vanaf dat moment wordt er onderscheid gemaakt tussen zogenoemde aanslag- en aangiftebelastingen. In de materiële wet wordt vervolgens bepaald welke heffingsmethode van toepassing is. Dit leidt er toe dat de desbetreffende belasting op een bepaalde manier wordt geheven en ingevorderd. Daarnaast heeft dit betekenis voor de voorwaarden die gelden met betrekking tot navordering of naheffing en boeten (zie hoofdstuk 3 en 4 hierna).
Aan het waarom van de twee heffingsmethoden en hoe daartussen een keuze te maken, wordt in de parlementaire stukken met betrekking tot de AWR opnieuw geen enkele aandacht besteed. In de memorie van toelichting is slechts te lezen dat de bepalingen die betrekking hebben op de aanslagbelastingen nagenoeg geheel overeenkomen met de bepalingen zoals die voorkwamen in de wetten voor de inkomstenbelasting, de vermogensbelasting, de vennootschapsbelasting en de personele belasting.3 In de memorie van antwoord is verder nog te lezen dat met de woorden “voldoening of afdracht op aangifte” tot uitdrukking is gebracht dat voor deze belastingen de fase van aanslag ontbreekt tussen de aangifte en de betaling. De aangifte vervult daarbij de rol van het stuk dat ‘constateert’ welk bedrag aan belasting moet worden voldaan of afgedragen.4 Voor het overige bevatten de parlementaire stukken slechts informatie over de concrete toepassing van specifieke wetsartikelen van de twee betreffende hoofdstukken.5