Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/24
24 Verjaring in geval van Productenaansprakelijkheid
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372586:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het artikel luidt: Lid 1. 'De rechtsvordering tot schadevergoeding van de benadeelde tegen de producent ingevolge artikel 185, eerste lid, verjaart door verloop van drie jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde met de schade, het gebrek en de identiteit van de producent bekend is geworden of had moeten worden. Lid 2. Het recht op schadevergoeding van de benadeelde jegens de producent ingevolge artikel 185, eerste lid, vervalt door verloop van tien jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de producent de zaak die de schade heeft veroorzaakt in het verkeer heeft gebracht. (...)'
Zie eveneens over art. 6:191 BW, Dommering-van Rongen, diss., p. 327 e.v.
Zie IR 6 april 2001, NJ2002, 383 (Vellekoop/Wilton Fijenoord) m.nt. HTS onder HR 20 april 2001, NJ 2002, 384 waarover nader § 21.2.2.5.
Het aanvangsmoment van de termijn van art. 6:191 BW kan dus ook per producent verschillen zo vangt de termijn voor de leverancier van een grondstof eerder aan dan voor de fabrikant van het eindproduct.
Zie voor de tegengestelde opvatting § 28.2.4.
Als onderdeel van de incorporatie van de Europese richtlijn inzake productenaansprakelijkheid is in art. 6:191 BW een bijzondere verjaringsregel voor de rechtsvorderingen tot schadevergoeding tegen de producent van een gebrekkig product opgenomen1 Deze bepaling doet vorderingen sneller verjaren dan het algemene art. 3:310 BW, maar veelal zal dat geen praktische betekenis hebben doordat in de meeste gevallen van productenaansprakelijkheid de vordering van de benadeelde evengoed op art. 6:162 BW als op art. 6:185 BW (dat artikel vestigt de productenaansprakelijkheid) gegrond kan worden; art. 3:310 BW prevaleert dan. Onbeslist is de situatie waarin de vordering uitsluitend op art. 6:185 gegrond kan worden, en die vordering krachtens art. 3:310 BW nog niet, maar krachtens art. 6:191 BW al wel verjaard is.
Art. 6:191 BW lijkt op art. 3:310 BW in de zin dat het een korte relatieve termijn en een lange absolute termijn bevat, maar verschilt daar verder in drie opzichten van.2
Ten eerste: de twee termijnen van art. 6:191 BW (drie en tien jaar) zijn korter dan die van art. 3:310 BW (vijf en twintig jaar).
Ten tweede: het aanvangsmoment van de termijnen loopt uiteen. Voor de aanvang van de driejaarstermijn stelt art. 6:191 als vereiste dat de benadeelde bekend is met de schade, het gebrek en de identiteit van de producent. Dat lijkt erg op de vereiste van bekendheid met schade en aansprakelijke persoon voor aanvang van de vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW. Aan te nemen valt dat aan beide aanvangsmomenten dezelfde gedachte ten grondslag ligt, namelijk dat bij bekendheid met de genoemde feiten de benadeelde in staat is zijn vordering in te stellen. In gelijke casus zullen dus beide termijnen tegelijkertijd aanvangen, met dien verstande evenwel, dat in art. 6:191 BW het begrip bekendheid door middel van de woorden "bekend is geworden of had moeten worden" nadrukkelijk is geobjectiveerd, terwijl de Hoge Raad ten aanzien van het begrip bekendheid in art. 3:310 BW voor de subjectieve uitleg heeft gekozen;3 dat punt kan de uitkomsten dus wel doen verschillen.
mijn van art. 3:310 BW hebben beide een objectief karakter omdat de termijn gaat lopen onafhankelijk van de wetenschap van de benadeelde, maar zij verschillen ook, in die zin dat volgens art. 6:191 BW bepalend is het moment van het in het verkeer brengen,4 terwijl volgens art. 3:310 BW bepalend is het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Het moment van in het verkeer brengen zal nagenoeg altijd eerder zijn dat het moment van het veroorzaken van de schade, omdat die schade pas veroorzaakt kan worden nadat het product in het verkeer is gebracht.
Ten derde: de driejaarstermijn van art. 6:191 BW is net als de vijf- en de twintigjaarstermijn van art. 3:310 BW een gewone verjaringstermijn, maar dat geldt niet voor de tienjaarstermijn van art. 6:191 BW: dat is een vervaltermijn. Een vervaltermijn kan, zo is althans de communis opinio,5 anders dan een verjaringstermijn niet worden gestuit of geschorst, dus valt na tien jaar onherroepelijk het doek (met dien verstande dat na het instellen van de vordering het verstrijken van de tienjaarstermijn op de geldigheid van de vordering geen invloed meer heeft).
Alle drie de voornoemde verschillen, te weten (i) kortere termijnen die (ii) eerder aanvangen, waarvan (iii) de langste een vervaltermijn is, maken het verjaringsregime van art. 6:191 BW voor de benadeelde strenger dan het regime van art. 3:310 BW. Dat betekent dat het kan voorkomen dat een vordering onder art. 6:191 BW eerder verjaart dan onder art. 3:310 BW. Bijvoorbeeld: de benadeelde raakt pas 15 jaar na het in het verkeer brengen van het product bekend met zijn schade. Volgens art. 6:191 BW zou zijn vordering dan verjaard zijn, volgens art. 3:310 BW nog niet. Zolang echter een vordering evenzogoed op art. 6:162 BW als op art. 6:185 BW gestoeld kan worden - en dat is in de grote meerderheid van de zaken het geval - is eigenlijk niet anders denkbaar dan dat het regime van art. 3:310 BW prevaleert. Anders zou de richtlijn de consument een recht ontnemen dat hij zonder die richtlijn nog zou hebben gehad. Dat kan niet de bedoeling zijn.
Het wordt anders als de vordering uitsluitend op art. 6:185 BW kan worden gebaseerd. In dat geval moet art. 6:191 BW als specialis en art. 3:310 BW als generalis worden gekwalificeerd, zodat art. 6:191 BW prevaleert en de vordering uit ons voorbeeld verjaard is.