Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.2.5
2.2.5 Interpretatiemethoden, bijzondere rechtvindingsmethoden en straffen
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270116:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Feteris 2007, p. 320.
Waarover meer in § 4.5 van dit boek.
Feteris 2007, p. 320.
Wet van 29 april 1925 (Wet bevordering van de richtige heffing der directe belastingen), Stb. 1925, 171.
Artikelsgewijs commentaar NDFR, art. 31. AWR, Marchal.
Het kenmerkende onderscheid tussen richtige heffing (en het nog te bespreken leerstuk van fraus legis) enerzijds en de overige rechtsvindingsmethoden anderzijds is, dat bij richtige heffing het vereiste van verijdeling van belastingheffing als doorslaggevend oogmerk wordt gesteld. Bovendien is de toepassing beperkt tot gevallen waarin strijdigheid met doel en strekking van de wet aanwezig is en die strijdigheid niet met wetsinterpretatie opgeheven kan worden.
Artikelsgewijs commentaar NDFR, art. 31. AWR, Marchal, onderdeel 2.1.
HR 26 mei 1926, ECLI:NL:HR:1926:78, NJ 1926/723 (Driedagenarrest).
Over fraus legis meer in § 4.5.4. In § 4.5.2. ook meer over het pleitbaar standpunt. Voor wat betreft het pleitbaar standpunt geldt dat dit leerstuk enkele jaren laten in de fiscaalrechtelijke boetejurisprudentie werd ontwikkeld. In een van zijn arresten overwoog de belastingkamer van de Hoge Raad dat het desbetreffende hof het standpunt van belanghebbende dermate pleitbaar achtte, dat belanghebbende hierdoor kon en mocht menen juist te handelen door in de btw niet op aangifte te voldoen.
Vanuit het strafrecht komt deze aanduiding wellicht wat vreemd voor.
Douma 2019, p. 398.
Vandaag de dag: misbruik van recht, handelen in strijd met het doel van de wet.
Een aanslag en boete hebben een wezenlijk ander karakter. Indien een belastingplichtige bijvoorbeeld in een vaststellingsovereenkomst instemt met het buiten de termijn opleggen van een aanslag heeft deze termijnverlening geen effect op de boetebeschikking. Zie HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9685, BNB 2011/249. Een boete levert meer bescherming op.
Al is, zo bleek al uit § 1.3.1.3, dit ook steeds meer het oordeel t.a.v. ontwijking,
Voor een verklaring bij de gebruikte terminologie wordt verwezen naar § 1.5.2.4.
Al sinds belastingen bestaan, moet worden aangenomen dat belastingplichtigen zich niet altijd aan de zojuist aangestipte informatieverplichtingen tegenover de fiscus hielden (zie ook de al eerdergenoemde lage belastingmoraal), en dat ze soms ten onrechte geen, onvoldoende of onjuiste informatie verstrekten. Een voorbeeld waarin de overheid dergelijk gedrag trachtte te ontmoedigen, betreft een Koninklijk Besluit uit 1813 waarin belastingplichtigen op het hart werd gedrukt dat zij zich in belastingzaken zouden onthouden van bedrieglijke opgaven, schandelijke sluikerijen en fijn gesponnen uitvluchten. In geval van bedrieglijke opgaven, schandelijke sluikerijen en fijn gesponnen uitvluchten, konden de overheidsuitgaven immers in gevaar komen en kon afbreuk gedaan worden aan de verdeling van de belastingdruk.1
Dat de schatkist er vanwege de drie genoemde handelingen niet op vooruitgaat, staat vast. Het verschil tussen fijn gesponnen uitvluchten enerzijds en bedrieglijke opgaven en schandelijke sluikerijen anderzijds, bevindt zich – zo lijkt het – in de toelaatbaarheid van de handeling. De bijvoeglijke naamwoorden geven een indicatie voor deze conclusie. Waar fijn gesponnen duidt op een slimme wijze van het behalen van fiscaal voordeel, duiden schandelijk en bedrieglijk op verwerpelijk (en waarschijnlijk niet legitiem) gedrag. Denkbaar is dat belastingplichtigen in alle drie de gevallen de grenzen van de wet opzochten.
Een voorbeeld van fiscale grensverkenning2 door een belastingplichtige, waarbij getwijfeld kan worden aan de geoorloofdheid van de handeling(en), biedt een situatie van vóór 1942, toen bedrijven alleen via de uitdeling van dividend in de heffing werden betrokken (met andere woorden: er bestond geen vennootschapsbelasting, maar enkel dividend- en tantièmebelasting). Het was in die tijd natuurlijk aantrekkelijk om bedrijven onder te brengen in naamloze vennootschappen die een terughoudend dividendbeleid kenden.3 De uitvlucht, die als fijn gesponnen kan worden geduid, vormde jaren later de aanleiding voor de invoering van de Wet Richtige Heffing,4 die als reactie op deze praktijk bepaalde dat met rechtshandelingen die louter met het doel de belastingheffing geheel of gedeeltelijk te ontwijken waren verricht, geen rekening diende te worden gehouden.5 De Wet Richtige Heffing, die een juiste (in lijn met de bedoeling van de wetgever ingerichte) belastingheffing voor ogen had, was overigens niet alleen op geschetste situatie, maar algemeen van toepassing op situaties waarin fijn gesponnen uitvluchten indruisten tegen de bedoeling van de wet. Geen rekening houden met bepaalde rechtshandelingen, het rechtsgevolg dat voortvloeide uit de Wet Richtige heffing, betrof overigens een uiterst redmiddel dat pas werd toegepast als andere rechtsvindingsmethoden (zoals de verschillende interpretatiemethoden)6 de rechter geen oplossing aanreikten om het door de wet beoogde doel in een handeling te zien.7 Het doel van de invoering van de Wet Richtige Heffing was het in algemene zin voorkomen van naar de letter van de wet rechtmatige handelingen, die niet in overeenstemming waren met doel en strekking van de wet, waardoor de overheid belastinginkomsten misliep.
In de per 1951 in werking getreden AWR (waarover meer in paragraaf 2.3.3.), is de richtige heffing opgenomen in art. 31 (t/m 36):
“Voor de heffing van de directe belastingen en de inkomstenbelasting wordt geen rekening gehouden met rechtshandelingen waarvan op grond van de omstandigheid dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen hebben ten doel gehad, of op grond van andere bepaalde feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat zij zouden achterwege gebleven zijn indien daarmede niet de heffing van de belasting voor het vervolg geheel of ten dele zou worden onmogelijk gemaakt.”
Op de geciteerde bepaling wordt heden ten dage geen beroep meer gedaan. Het achterwege laten van toepassing van de richtige heffing heeft onder andere te maken gehad met een omslachtige formaliteit: voor toepassing van richtige heffing was een machtiging door de Staatssecretaris van Financiën vereist en deze wordt sinds 1987 niet meer verleend.8 Sinds dat jaar wordt namelijk gebruik gemaakt van het ruimere, in de rechtspraak ontwikkelde leerstuk van fraus legis. Alhoewel de toepassing van fraus legis in het belastingrecht parallel aan de invoering van de Wet Richtige Heffing door de Hoge Raad is aanvaard,9 is pas in de late jaren zeventig en de jaren tachtig van de vorige eeuw een gestage stroom van jurisprudentie op gang gekomen op dit terrein.10
Uit de fiscale literatuur valt op te maken dat de leerstukken van richtige heffing en fraus legis onder de noemer bijzondere rechtsmiddelen vallen.11 Het zijn middelen waarop partijen zich kunnen beroepen en die een rechter van toepassing kan verklaren. Ze zijn gereserveerd voor gevallen waarin in strijd met doel en strekking van de wet is gehandeld en deze strijdigheid niet door rechtstreekse toepassing van de wet kan worden opgeheven, aldus Douma.12 Het gevolg van toepassing van deze rechtsmiddelen is dat met de rechtshandelingen die ontwijking tot doel hadden geen rekening wordt gehouden. Een ander woord voor rechtsmiddelen, zoals hier bedoeld, is rechtsvindingsmethoden.
Kennelijk is de belastingmoraal sinds jaar en dag zodanig laag dat een groep belastingplichtigen onder de belastingplicht probeert uit te komen, op welk gedrag de overheid vervolgens reageert. Aanhakend bij de (in onbruik geraakte) terminologie uit het Koninklijk Besluit van 1813 kan geconcludeerd worden dat via fijn gesponnen uitvluchten – middels een beroep op de bewoording van de wet – getracht wordt belasting te ontwijken. Via wetgeving (Richtige Heffing) en rechtspraak (interpretatiemethoden en fraus legis) wordt getracht de bedoeling van de wetgever desondanks te laten ‘zegevieren’. Het zou echter strijdig zijn met het rechtszekerheidsbeginsel als belastingplichtigen die belasting ontwijken door te broeden op ‘fijn gesponnen uitvluchten13’ door straffen zouden kunnen worden getroffen. Dit is dan ook niet mogelijk. Daarnaast wordt via bedrieglijke opgaven en schandelijke sluikerijen al eeuwenlang belasting ontdoken. In dit laatste geval kan belastingplichtige niet alleen met een corrigerende heffingsaanslag (een navorderingsaanslag of een naheffingsaanslag) worden geconfronteerd, maar kunnen aan hem tevens sancties worden opgelegd.14 Ontduiken gaat immers een brug te ver.15
De straffen ten aanzien van ontduiking van belasting, ofwel belastingfraude, zijn (grotendeels) terug te vinden in de hoofdstukken VIII en IX van de AWR. Zoals inmiddels bekend, wordt daarbij een tweedeling tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties gemaakt.16