Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:166 BW:Onrechtmatige daad in groepsverband
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:166 BW
Onrechtmatige daad in groepsverband
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 07-01-2026
Actueel t/m
07-01-2026
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:166 BW
Op de benadeelde rusten de stelplicht en de bewijslast van feiten waaruit volgt
a.
dat de aangesprokene heeft deelgenomen aan
b.
gedragingen in groepsverband
c.
waarvan de kans op het aldus toebrengen van schade de deelnemers had behoren te weerhouden
d.
dat diens deelneming aan deze gedragingen hem kan worden toegerekend en dat
e.
één van de deelnemers aan die gedragingen de benadeelde onrechtmatig schade heeft toegebracht.1
Anders dan in geval van aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW hoeft de benadeelde niet te stellen en zo nodig te bewijzen dat er causaal verband bestaat tussen de deelneming van de aangesprokene en het toebrengen van schade door één van de deelnemers. Evenmin kan de aangesprokene zich van aansprakelijkheid bevrijden op de grond dat causaal verband ontbreekt omdat de schade ook zonder zijn deelneming zou zijn toegebracht. Als aan de hiervoor onder a-e genoemde vereisten is voldaan, staat de aansprakelijkheid van de aangesprokene voor de geleden schade vast. Zelfs als de aangesprokene zou kunnen aantonen dat hij de schade niet heeft veroorzaakt, ontheft hem dat niet van aansprakelijkheid. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang.2 Voldoende is dat komt vast te staan dat één van de deelnemers schade aan de benadeelde heeft toegebracht. De identiteit van die deelnemer valt niet onder de stelplicht.3
Onderlinge bijdrage (lid 2)
Omdat de deelnemers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, heeft de aangesprokene die heeft betaald, regres op de andere deelnemers. Voor de uitoefening van dat regresrecht rusten op hem jegens de andere deelnemers dezelfde stelplicht en bewijslast als op de benadeelde. Uit lid 2 volgt dat de deelnemers voor gelijke delen moeten bijdragen. Indien de regresnemende deelnemer de anderen voor meer dan gelijke delen in de onderlinge verhouding wil doen bijdragen, dan rusten op hem de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de billijkheid die verdeling vordert. Indien de deelnemer jegens wie regres wordt genomen vindt dat hij voor minder dan gelijke delen moet bijdragen, rusten de stelplicht en bewijslast van feiten waaruit volgt dat de billijkheid die verdeling vordert op hem. Voor het waarom daarvan wordt verwezen naar het commentaar op art. 6:101 BW met betrekking tot de stelplicht en de bewijslastverdeling ten aanzien van de billijkheidscorrectie.
Dat de stelplicht en de bewijslast voor de elementen b en c op de benadeelde rusten, komt zijdelings aan de orde in HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194 m.nt. Hartlief, rov. 3.5.3. Zie (voor element b) o.a. ook Hof Den Haag 8 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:399. Zie over de stelplicht bij groepsaansprakelijkheid ook A-G Assink in ECLI:NL:PHR:2025:659.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:166 BW
Onrechtmatige daad in groepsverband
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 07-01-2026
07-01-2026
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:166 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 166
Inhoud van stelplicht en bewijslast (lid 1)
Op de benadeelde rusten de stelplicht en de bewijslast van feiten waaruit volgt
dat de aangesprokene heeft deelgenomen aan
gedragingen in groepsverband
waarvan de kans op het aldus toebrengen van schade de deelnemers had behoren te weerhouden
dat diens deelneming aan deze gedragingen hem kan worden toegerekend en dat
één van de deelnemers aan die gedragingen de benadeelde onrechtmatig schade heeft toegebracht.1
Anders dan in geval van aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW hoeft de benadeelde niet te stellen en zo nodig te bewijzen dat er causaal verband bestaat tussen de deelneming van de aangesprokene en het toebrengen van schade door één van de deelnemers. Evenmin kan de aangesprokene zich van aansprakelijkheid bevrijden op de grond dat causaal verband ontbreekt omdat de schade ook zonder zijn deelneming zou zijn toegebracht. Als aan de hiervoor onder a-e genoemde vereisten is voldaan, staat de aansprakelijkheid van de aangesprokene voor de geleden schade vast. Zelfs als de aangesprokene zou kunnen aantonen dat hij de schade niet heeft veroorzaakt, ontheft hem dat niet van aansprakelijkheid. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang.2 Voldoende is dat komt vast te staan dat één van de deelnemers schade aan de benadeelde heeft toegebracht. De identiteit van die deelnemer valt niet onder de stelplicht.3
Onderlinge bijdrage (lid 2)
Omdat de deelnemers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, heeft de aangesprokene die heeft betaald, regres op de andere deelnemers. Voor de uitoefening van dat regresrecht rusten op hem jegens de andere deelnemers dezelfde stelplicht en bewijslast als op de benadeelde. Uit lid 2 volgt dat de deelnemers voor gelijke delen moeten bijdragen. Indien de regresnemende deelnemer de anderen voor meer dan gelijke delen in de onderlinge verhouding wil doen bijdragen, dan rusten op hem de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de billijkheid die verdeling vordert. Indien de deelnemer jegens wie regres wordt genomen vindt dat hij voor minder dan gelijke delen moet bijdragen, rusten de stelplicht en bewijslast van feiten waaruit volgt dat de billijkheid die verdeling vordert op hem. Voor het waarom daarvan wordt verwezen naar het commentaar op art. 6:101 BW met betrekking tot de stelplicht en de bewijslastverdeling ten aanzien van de billijkheidscorrectie.
Voetnoten
1.
Dat de stelplicht en de bewijslast voor de elementen b en c op de benadeelde rusten, komt zijdelings aan de orde in HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194 m.nt. Hartlief, rov. 3.5.3. Zie (voor element b) o.a. ook Hof Den Haag 8 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:399. Zie over de stelplicht bij groepsaansprakelijkheid ook A-G Assink in ECLI:NL:PHR:2025:659.
2.
HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194 m.nt. Hartlief, rov. 3.4.2.
3.
Zie uitvoerig hierover R.J.B. Boonekamp, Onrechtmatige daad in groepsverband (R&P CA 10) 2013/8.2. Voorts Boonekamp, GS Onrechtmatige daad, art. 6:166 BW, aant. 8.