Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.4.1.2
6.4.1.2 Recht op tegenbewijs?
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS460800:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Tezamen overigens met de constatering dat de wetgever in de tweede procedure van de enquête spoed geboden acht (r.o. 3.9).
Vergelijk hetgeen ik heb opgemerkt in paragraaf 6.3.2.1.
Vergelijk. paragraaf 6.2.5.2.
EHRM 19 maart 2002, JOR 2002, 127 (Text Lite Holding, m.nt. De Kluiver), waarover paragraaf 6.2.5.2.
Vergelijk ook A-G Timmerman, die in noot 80 in de conclusie bij Laurus opmerkt dat het bezwaar dat een voortvarende afwikkeling in het gedrang komt in mindere mate speelt in een inquisitoire procedure als de onderhavige dan in een enquêteprocedure die er op is gericht de onderneming weer in het goede spoor te brengen.
208. Een complicerende factor bij het voorgaande is mogelijk dat niet duidelijk is welke de reikwijdte is van de beschikking inzake Laurus . Bedacht dient namelijk te worden dat de onderhavige overwegingen van de Hoge Raad de opmaat vormen1 naar zijn uiteindelijke beslissing dat de commissarissen in de tweede procedure van de enquête géén recht op tegenbewijs toekomt. Deze opbouw is in de eerste plaats bijzonder omdat de vraag of in beschikkingen vervatte overwegingen gezag van gewijsde kunnen hebben, blijkens de procesrechtelijke literatuur juist afhankelijk is van de vraag of de verzoekschriftprocedure met voldoende waarborgen is omgeven, waarbij groot gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat betrokkenen hierin al dan niet een recht op tegenbewijs is toegekend.2 Opmerkelijk is echter vooral het resolute karakter (zonder uitzonderingen en nuanceringen) van de beslissing dat de commissarissen in de tweede fase geen recht op tegenbewijs toekomt omdat de aard van de procedure zich hiertegen verzet (vergelijk art. 284 lid 1 Rv). Ik acht haar begrijpelijk in het licht van de onderliggende procedure bij de Ondernemingskamer inzake Laurus, nu daarin géén behandeling heeft plaatsgevonden van verzoeken tot het treffen van voorzieningen of tot kostenverhaal. Maar had de Hoge Raad eenzelfde overweging gegeven indien de Ondernemingskamer bijvoorbeeld verzoeken had behandeld tot ontslag van commissarissen, tot vernietiging van hen verleende decharges respectievelijk tot veroordeling van hen in de onderzoekskosten? Een bevestigende beantwoording voert mijns inziens tot de conclusie dat, nu dergelijke verzoeken de civil rights and obligations van de commissarissen betreffen, de gang van zaken strijd oplevert met het in art. 6 EVRM vervatte beginsel van gelijke proceskansen.3 Ik roep in dit verband ook in herinnering de overweging van het EHRM in de procedure inzake Text Lite Holding dat de gang van zaken in die procedure (wat betreft de behandeling van het verzoek tot kostenverhaal) geen strijd opleverde met art. 6 EVRM omdat de commissarissen de gelegenheid is gegeven ‘to submit argument and evidence of their own to challenge the information in the report, as in fact they did’.4 Niet voldoende is mijns inziens dat de bestuurders en commissarissen (slechts) het recht hebben de bevindingen van de onderzoekers te bestrijden en dat, ‘(i)ndien het gaat om stellingen die essentieel zijn voor de in de tweede procedure te nemen beslissingen, (...) de ondernemingskamer daaraan in haar beschikking aandacht dient te besteden.’ (Hoge Raad Laurus; rechtsoverweging 3.9)
Het resolute karakter van de beslissing van de Hoge Raad bevreemdt te meer indien de conclusie van advocaat-generaal Timmerman bij de onderhavige beschikking wordt bezien. Weliswaar neemt ook hij tot uitgangspunt dat partij- en in de enquêteprocedure geen algemeen recht op tegenbewijs toekomt omdat de aard van de procedure – waarbij hij doelt op de snelheid waarmee de procedure moet plaatsvinden, wil deze zinvol zijn – zich hiertegen verzet: het toelaten van tegenbewijs, dat zeer langdurige getuigenverhoren kan meebrengen, zou een voortvarende afwikkeling geheel kunnen wegnemen (overweging 3.60). Timmerman stelt echter ook dat de Ondernemingskamer een partij tot tegenbewijs kan toelaten wanneer de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven: ‘Als omstandigheden waaraan de Ondernemingskamer in dit verband gewicht kan toekennen, noem ik onder meer het antwoord op de vraag of de onderzoekers degenen die bij het onderzoek betrokken zijn in de gelegenheid hebben gesteld te reageren op bijv. schriftelijke stukken en gespreksverslagen en – voorts – het type enquêteprocedure, waarbij voor het toelaten tot (tegen)bewijs in een enquête waarin partijen scherp tegenover elkaar stelling nemen meer aanleiding kan zijn dan in een enquête waarin partijen gezamenlijk een oplossing voor een probleem wensen.’ (overweging 3.62). Sprekende voorbeelden hiervan vormen mijns inziens nu juist de gevallen dat de Ondernemingskamer wordt verzocht dechargebesluiten te vernietigen dan wel bestuurders en/of commissarissen te veroordelen in de onderzoekskosten, te meer omdat ik niet inzie dat het belang van de vennootschap vergt dat met spoed op deze verzoeken wordt beslist.5