Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/8.3.3
8.3.3 De woon- en gebruikelijke verblijfplaats van een consument
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS392840:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. het standpunt van het btw-comité in Value Added Taxation Committee, working paper 619, reeds aangehaald, blz. 8-10.
Vgl. het in paragraaf 6.2.2 besproken civiele recht.
Value Added Taxation Committee, working paper 620, taxud.d.1(2009)132177, blz. 8.
Value Added Taxation Committee, working paper 619, reeds aangehaald, blz. 9.
Value Added Taxation Committee, working paper 620, reeds aangehaald, blz. 10.
Value Added Taxation Committee, working paper 619, reeds aangehaald, blz. 9.
Richtlijn 83/182/EEG van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap, PbEG 1983, L 105, blz. 59 e.v.
HvJ 23 april 1991, zaak C-297/89,Jur. 1991, blz. I-1943 (Ryborg), HvJ 12 juli 2001, zaak C-262/ 99, Jur. 2001, blz. I-5547 (Louloukadis), HvJ 26 april 2007, zaak C-392/05, VN 2007/22.18 (Alevizos) en HvJ 7 juli 2007, zaak C-156/04, VN 2007/31.29 (Commissie/Griekenland).
Zie bijvoorbeeld HR 14 maart 1979, nr. 19 112, BNB 1979/116 en HR 15 december 1993, nr. 29 296, FED 1994/72.
Hof Arnhem 22 maart 1983, nr. 1294/1980, VN 1984, blz. 1635.
Zie bijvoorbeeld HR 13 maart 1974, nr. 17 273, BNB 1975/28 en HR 9 juni 1976, nr. 17 273, BNB 1975/28.
Zie bijvoorbeeld HR 13 maart 1974, nr. 17 273, reeds aangehaald, HR 4 juni 1969, nr. 16 137, BNB 1969/213, HR 2 november 1994, nr. 29 128, FED 1995/44 en Hof Den Haag 2 november 2004, nr. 02/0946, VN 2005/8.1.6.
Zie bijvoorbeeld HR 13 maart 1974, reeds aangehaald en Hof Den Haag 2 november 2004, reeds aangehaald.
Zie bijvoorbeeld HR 15 december 1993, nr. 29 296, FED 1994/72, HR 2 november 1994, reeds aangehaald, HR 3 januari 2001, nr. 35 907, BNB 2001/91 en Hof Amsterdam 20 juni 2003, nr. 02/3356, VN 2003/52.9.
HR 14 maart 1979, reeds aangehaald.
Zie bijvoorbeeld HR 14 maart 1979, reeds aangehaald en Hof Amsterdam 21 augustus 2003, nr. 01/4226, VN 2004/7.4.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 21 juli 1983, nr. 2624/1981, VN 1985, blz. 752 en Hof Amsterdam 20 juni 2003, nr. 02/3356, VN 2003/52.9.
HR 2 november 2004, reeds aangehaald en Hof Arnhem 18 februari 2005, nr. 03/1379, VN 2005/29.1.2.
HR 3 januari 2001, nr. 35 907, BNB 2001/91, Hof Amsterdam 3 april 2001, nr. 99/3210, VN 2001/57.5 en Hof Den Haag 2 november 2004, reeds aangehaald.
Value Added Taxation Committee, working paper 620, reeds aangehaald, blz. 10 en 11.
Volgens art. 16 voorstel herschikking btw-verordening is de woonplaats van een natuurlijk persoon (belastingplichtig of niet) het adres van de natuurlijk persoon dat is opgenomen in het bevolkingsregister of een soortgelijk register. Bij gebreke van een dergelijk register is de woonplaats het adres dat is mede gedeeld aan de belastingautoriteiten, tenzij er bewijs voorhanden is dat het meegedeelde adres niet met de werkelijkheid overeenstemt. De gebruikelijke verblijfplaats is de plaats waarde natuurlijke persoon (belastingplichtig of niet) op het tijdstip waarop de dienst wordt verricht, gewoonlijk verblijft vanwege persoonlijke en beroepsmatige bindingen. Wanneer de persoon geen beroepsmatige bindingen heeft, wordt zijn gebruikelijke verblijfplaats bepaald aan de hand van zijn persoonlijke bindingen. Als de professionele banden bestaan met een ander land dan het land waarmee persoonlijke banden bestaan dan wordt gekeken naar de persoonlijke banden, art. 17 voorstel herschikking btw-verordening.1 De reden dat in het voorstel herschikking btw-verordening bij de woonplaats wordt verwezen naar het adres dat is opgenomen in het bevolkingsregister of een soortgelijk register houdt mijns inziens verband met het in de Engelse taalversie gebruikte ‘permanent address’. Met woonplaats wordt naar spraakgebruik gedoeld op de plaats waar iemand feitelijk woont. De gebruikelijke verblijfplaats is dan de plaats waar iemand die geen woonplaats heeft normaal gesproken verblijft.2 Omdat er geen rangorde is tussen de vestigingsplaatsvormen woonplaats en gebruikelijke verblijfplaats levert de door de Europese Commissie gegeven uitleg in het voorstel herschikking btw-verordening mijns inziens geen ander resultaat op dan wanneer de uitleg naar spraakgebruik wordt gevolgd. Het btw-comité stelt dat in de keuze tussen woonplaats en gebruikelijke verblijfplaats voorrang moet worden gegeven aan de plaats die heffing in het land van verbruik het beste verzekert.3
In paragraaf 3.3.3.4 is geconstateerd dat de woonplaats van de consument een goed aanknopingspunt is om heffing in het land van verbruik en het land van besteding te bereiken. Om te bereiken dat heffing plaatsvindt in het land van verbruik en besteding zal gezocht moeten worden naar de plaats waar het persoonlijke leven van de consument zich afspeelt (paragraaf 3.3.4). Op die plaats moet hij worden geacht het merendeel van zijn verbruik te hebben en de meeste bestedingen te doen. Het btw-comité spreekt van de plaats waar een persoon permanent het centrum van zijn belangen heeft.4 De plaats waar de consument arbeid in loondienst verricht is geen geschikt aanknopingspunt. Het voornaamste deel van de consumptie vindt niet plaats daar waar de consument werkt. Mijns inziens dient daarom in beginsel alleen naar persoonlijke banden gekeken te worden.5 Professionele banden kunnen pas worden meegenomen indien op basis van de persoonlijke banden geen woon- of gebruikelijke verblijfplaats kan worden vastgesteld. De plaats waar iemand is ingeschreven bij het bevolkingsregister mag mijns inziens worden meegenomen als relevante persoonlijke band. Het mag echter niet doorslaggevend zijn. Het is van belang heffing toe te wijzen aan het land waar het persoonlijke leven van de consument zich afspeelt.
Om te bepalen waar een natuurlijk persoon zijn woon- of gebruikelijke verblijfplaats heeft, noemt het btw-comité een aantal belangrijke factoren, te weten:
Het feitelijk aanwezig zijn van de desbetreffende persoon en zijn gezinsleden.
Het beschikbaar hebben van accommodatie.
De plaats waar de kinderen naar school gaan.
De plaats waar de desbetreffende persoon zijn zaken regelt.
De plaats waar eigendommen zich bevinden.
Administratieve banden met de overheid.
Dit alles geldt, vrij vertaald, voor zover deze factoren de bedoeling van de persoon tot uitdrukking brengen dat hij met deze plaats een duurzame band heeft die blijkt uit zijn manier van leven en de ontwikkeling van sociale en beroepsmatige banden.6 De invulling die het btw-comité geeft aan de woonplaats lijkt afkomstig uit de regeling voor tijdelijke invoer van vervoermiddelen,7 de jurisprudentie van het Hof van Justitie daarover8 en rechtspraak op andere gebieden van gemeenschapsrecht waarnaar in die jurisprudentie wordt verwezen (zie voor een nadere beschouwing paragraaf 4.2.6). Uit die jurisprudentie volgt, naast hetgeen hiervoor is besproken over de opvatting van het btw-comité, dat ook de duur van de bindingen in aanmerking moet worden genomen.
Naast de door het btw-comité genoemde factoren kan worden gedacht aan de factoren die kunnen worden ontleend aan de directe belastingen (paragraaf 6.4.2). Ook kan worden gedacht aan de omstandigheden zoals die in het civiele recht worden gehanteerd en die besproken zijn in paragraaf 6.2.2. In het civiele recht maakt het echter verschil of men in de ene of andere gemeente woont. In de directe belastingen is het net als in de omzetbelasting slechts van belang in welk land iemand woont. De in de directe belastingen gehanteerde criteria zijn mijns inziens daarom meer geschikt om de woon- en gebruikelijke verblijfplaats van een natuurlijk persoon/niet-belastingplichtige in te vullen. Deze criteria zijn:
Het beschikken over een woning.9
De plaats waar het gezin verblijft.10
De (voorgenomen) duur van het verblijf in een ander land en de aard (hotelkamer of woning) van dit verblijf.11
Het beschikken over eigendommen, zoals meubilair of auto’s.12
Het hebben van een telefoonaansluiting.13
Het aanhouden van bankrekeningen.14
Het hebben van een (tijdelijke) verblijfsvergunning in een ander land.15
Het aantal dagen of weken feitelijk verblijf in het buitenland.16
Het in- en uitschrijven bij het bevolkingsregister van belastingplichtige en/ of echtgenote en kinderen.17
Het aanhouden van de huis- en tandarts en/of ziektekostenverzekering.18
Het hebben van sociale banden.19
Daarbij dient bedacht te worden dat het begrip woonplaats in de btw een communautair begrip is dat zijn eigen invulling kent. Over het algemeen zullen de woonplaats van een natuurlijk persoon voor de inkomstenbelasting en de omzetbelasting samenvallen.
Een natuurlijk persoon kan mijns inziens een tweede woonplaats hebben, bijvoorbeeld op de plaats waar hij een vakantiewoning heeft en gedurende het jaar enkele dagen verblijft, wanneer het gaat om prestaties die door de natuurlijk persoon worden afgenomen in deze plaats en die ook in dat land belast zijn, bijvoorbeeld schilderwerk voor zijn vakantiewoning.20 Een dergelijke benadering is in overeenstemming met de gedachte dat heffing moet plaatsvinden in het land van verbruik en land van besteding. Tevens hoeft de dienstverrichter niet na te gaan of hij te maken heeft met een tweede of eerste woonplaats. In de praktijk zal dat voor hem moeilijk vast te stellen zijn.
Een consument kan mijns inziens geen woon- of gebruikelijke verblijfplaats hebben. Dergelijke personen zullen wel ergens ingeschreven staan, maar het enkel ingeschreven staan in het bevolkingsregister van een bepaald land brengt niet met zich dat dit het land van verbruik en het land van besteding is. Het gaat mijns inziens te ver om btw-heffing zomaar toe te wijzen aan het land waar alleen een dergelijk formeel aanknopingspunt is. Voor diensten die vallen onder art. 59 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) is het mijns inziens aanvaardbaar om gebruik te maken van de regeling van art. 59bis, onderdeel b, btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) hoewel de situatie dat er geen woon- of gebruikelijke verblijfplaats is naar de letterlijke tekst niet onder deze bepaling vallen. De diensten zijn namelijk bij het ontbreken van een woon- en gebruikelijke verblijfplaats nergens belast en niet belast buiten de Europese Unie, wat art. 59bis, onderdeel b, btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) als voorwaarde stelt. Heffing over de diensten van art. 59 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) kan dan plaatsvinden in het land waar het werkelijke gebruik en werkelijke exploitatie van de dienst plaatsvindt.