Einde inhoudsopgave
Belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen in grensoverschrijdende situaties (FM nr. 144) 2015/2.1.1.1
2.1.1.1 Gelijkheid en vergelijkbaarheid
dr. B. Starink, datum 01-02-2015
- Datum
01-02-2015
- Auteur
dr. B. Starink
- JCDI
JCDI:ADS344444:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Loonbelasting / Pensioenregeling
Voetnoten
Voetnoten
Daarmee wordt de positiefrechtelijke norm die leidt tot een verschil in belastingheffing tussen gepensioneerden vanuit overheidsdienst en gepensioneerden vanuit private dienst dus bekritiseerd. Later in dit onderzoek wordt hier uitgebreider op ingegaan.
Of de belangen van de betrokken landen inderdaad gelijkwaardig of gerechtvaardigd zijn, komt later in dit onderzoek aan de orde.
Het gelijkheidsbeginsel gaat uit van het bekende adagium dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld en ongelijke gevallen ongelijk, naar de mate van hun ongelijkheid. Als gevallen gelijk zijn, moeten ze juridisch gelijk worden behandeld. Dit adagium is als zodanig lastig toepasbaar als objectief toetsingscriterium en moet bij de concrete toepassing nader worden ingevuld omdat niet de absolute gelijkheid van belang is maar dit begrip steeds ingevuld moet worden met de regeling die men wil toepassen in het achterhoofd. Ter illustratie. Twee even oude gepensioneerden die bij dezelfde werkgever exact evenveel pensioen hebben opgebouwd en in hetzelfde land wonen, zijn desondanks niet gelijk, al is het maar omdat deze ene persoon wellicht een andere kleur haar heeft dan de andere. Echter, voor het toepassen van de inkomstenbelasting, de relevante regeling, kunnen beide gepensioneerden als gelijk worden aangemerkt.
Vanuit het perspectief van de belastingplichtige brengt het gelijkheidsbegrip met zich mee dat de verdeling van heffingsrechten over particulierpensioen en overheidspensioen tot zo min mogelijk onderscheid tussen gepensioneerden dan wel belastingplichtigen moet leiden. Daarmee wordt gedoeld op vergelijkbaarheid in die zin dat de belastingheffing over gepensioneerden vanuit overheidsdienst en gepensioneerden vanuit private dienst zo veel mogelijk vergelijkbaar moet zijn, ervan uitgaande dat een grote mate van ongelijke behandeling onrechtvaardig is.1 Immers, voor een inkomstenbelasting die is gebaseerd op het draagkrachtbeginsel is het niet relevant of de gepensioneerde vroeger voor de overheid heeft gewerkt of voor het bedrijfsleven terwijl dit onderscheid positiefrechtelijk wel degelijk wordt gehanteerd. Zoals gezegd moet gelijkheid slechts vanuit de toepasselijke norm worden bezien waarbij de norm bepaalt of de feiten die de gelijkheid moeten aantonen relevant zijn of niet. Twee even hoge pensioeninkomens waarbij het ene een particulierpensioen is en het andere een overheidspensioen resulteren in eenzelfde draagkracht. Dit betekent vooralsnog niet dat de belastingheffing per se gelijk moet zijn maar dat verschillen in belastingheffing wel gerechtvaardigd moeten zijn.
Vanuit het perspectief van de betrokken landen brengt het gelijkheidsbegrip met zich mee dat de verdeling van heffingsrechten over particulierpensioen en overheidspensioen tegemoet moet komen aan één van de doelen van een belastingverdrag, namelijk de gerechtvaardigde en evenwichtige toedeling van heffingsrechten aan de betrokken landen.2