Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/7.3.8.3
7.3.8.3 Opties om de gevolgen van tijdelijke onmogelijkheid te beperken
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS378780:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-P), nr. 381. Vgl. voor het Duitse recht Staudinger/Löwisch 2004, § 275, nr. 47.
Vgl. Van Opstall 1976, p. 131. Zie ook par. 6.3.7. De rechter kan in dat geval de vordering tot nakoming afwijzen of de verbintenis aanpassen, vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-P), nr. 378 en 379; en de Conclusie Hartkamp bij HR 16 januari 2004, NJ 2004, 164.
Vgl. Arnold 2002, p. 870-871; en Anw.komm./Dauner-Lieb 2005, § 275, nr. 68. Een schuldenaar die definitief ontslagen wil zijn van zijn gehoudenheid tot nakoming kan ook reeds tijdens de periode waarin de tijdelijke onmogelijkheid voortduurt met een beroep op de imprévision-regel (art. 6: 258) onder zijn nakomingsverplichting proberen uit te komen, vgl. Abas 2004, p. 625-628.
Vgl. Neufang 1998, p. 296.
Bij blijvende onmogelijkheid treedt de bevrijding van de nakomingsverplichting in op het moment van de niet-nakoming.1 Bij gelijkstelling van de tijdelijke onmogelijkheid met de blijvende onmogelijkheid is de schuldenaar dus op het moment van de niet-nakoming definitief van zijn nakomingsverplichting bevrijd. Er zijn echter mogelijkheden voor een minder rigoureus einde aan het recht op nakoming. Een schuldenaar kan zich, na het verval van de verhindering in de nakoming, bijvoorbeeld op de relatieve onmogelijkheid of de redelijkheid en billijkheid beroepen.2 Voorts kan een schuldenaar zich tegen de nakomingsvordering verweren met een beroep op de imprévision-regeling (art. 6:258).3 Anders dan bij gelijkschakeling van de tijdelijke met de blijvende onmogelijkheid, vervalt de gehoudenheid tot nakoming in deze gevallen niet van rechtswege op het moment dat de (tijdelijke) verhindering in de nakoming ontstaat,4 maar vervalt zij eerst op het moment dat de schuldenaar zich met succes op de bevrijdende feiten beroept.