Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.4:6.4 Afronding
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.4
6.4 Afronding
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946263:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Corstens 2021, p. 123-124.
Kamerstukken II 2022-2023, 36 327, nr. 3, p. 8 en 12.
Kamerstukken II 2022-2023, 36 327, nr. 3, p. 93-94.
Kamerstukken II 2022-2023, 36 327, nr. 3, p. 93-94.
Kamerstukken II 2022-2023, 36 327, nr. 3, p. 94.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de beantwoording van de vraag welke plaats het klachtdelict in de hedendaagse strafrechtspleging zou moeten toekomen, speelt een belangrijke rol dat de positie van het slachtoffer aanzienlijk is veranderd sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 met daarin de regeling van klachtdelicten. De klachtgerechtigde is immers een bijzonder soort slachtoffer aan wiens belangen bij specifieke strafbare feiten bepalend gewicht is toegekend, doordat hij de bevoegdheid heeft vervolging te beletten van hetgeen hem is aangedaan.
Tegen die achtergrond is in dit hoofdstuk eerst nader inzichtelijk gemaakt dat het slachtoffer zich sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw heeft ontwikkeld van “de vergeten persoon” in het strafproces tot een betrokkene die een concrete rol heeft in het strafproces en die daarop wezenlijk invloed kan uitoefenen. Corstens omschreef dit als een verschuiving van “over u maar zonder u” naar “over u en met u” en concludeert dat de belangen van het slachtoffer een centralere plaats zijn gaan innemen in het Nederlandse strafproces.1 In de memorie van toelichting bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering maakt de wetgever duidelijk dat het veranderde denken ten opzichte van het slachtoffer zijn weerslag behoort te vinden in het nieuwe Wetboek van Strafvordering.2 Dit komt onder meer tot uitdrukking via het voorstel om in art. 1.1.4 het beginsel op te nemen dat de strafrechtelijke autoriteiten zich bij hun strafvorderlijke handelen te allen tijde rekenschap moeten geven van de belangen van het slachtoffer, zodat secundaire victimisatie van het slachtoffer wordt voorkomen.3
Deze evolutie van de rol van het slachtoffer leidt logischerwijs tot de vraag of de positie van de klachtgerechtigde, als speciaal soort slachtoffer, eenzelfde ontwikkeling heeft doorgemaakt en of aan zijn belangen ook meer gewicht toekomt dan voorheen. Uit het voorgaande volgt dat ontwikkelingen in die richting denkbaar zijn, maar dat die ontwikkelingen tot op heden slechts in beperkte mate waarneembaar zijn. Zo wijst de wetgever bijvoorbeeld niet vaker klachtdelicten aan, terwijl het voorstelbaar is dat bij afweging van het private belang versus het algemeen belang de positie van het slachtoffer vaker vooropgesteld zou worden. De functie en toegevoegde waarde van een klachtvereiste lijken door de wetgever echter niet steeds volledig te worden onderkend op het moment dat nieuwe strafbaarstellingen worden overwogen. Op het gebied van wetgeving is uitsluitend het voorstel om de klachttermijn te laten vervallen primair geënt op een versterking van de positie van het klachtgerechtigde slachtoffer. Ook in de rechtspraktijk is de positie van de klachtgerechtigde niet zonder meer verstevigd. Zo zijn er geen aanwijzingen dat de klacht en het daaruit volgende standpunt van de klachtgerechtigde in sterkere mate richtinggevend zijn geworden voor de vervolgingsbeslissing. De beleidsregels van het openbaar ministerie bevatten hiervoor geen indicaties. In de rechtspraak blijkt wel meer aandacht uit te gaan naar het belang van de klachtgerechtigde die door het feit is getroffen, hetgeen tot uitdrukking komt in de relativering van vormvereisten aangaande de klacht. De paradox is echter dat het losser omspringen met vormvereisten in concrete gevallen waarin de klachtgerechtigde wél vervolging wenst, kan bijdragen aan een afkalving van de rechtsbescherming voor klachtgerechtigden die géén prijs stellen op vervolging. Het kan er immers toe leiden dat vaker wordt opgespoord en vervolgd waarna (te) laat blijkt dat daarop geen prijs wordt gesteld. De relativering van vormvereisten is dus wel verklaarbaar vanuit de groeiende aandacht voor de positie van het (concreet bij de zaak betrokken) slachtoffer, maar dient in breder verband niet zonder meer het belang van alle klachtgerechtigden. Nu de regeling van klachtdelicten zijn bestaansrecht ontleent aan de situatie waarin een klachtgerechtigde géén prijs stelt op vervolging moeten eisen omtrent de klacht niet te gemakkelijk worden gepasseerd. Dit kan afbreuk doen aan de drempelfunctie die de klacht behoort te vervullen.
Onder de streep staat de mate waarin de positie van de klachtgerechtigde is versterkt via beleidsmatige initiatieven en wetgeving in schril contrast tot de ontwikkeling die de positie van het slachtoffer de laatste decennia heeft doorgemaakt. Desalniettemin levert het voorgaande nuttige inzichten op met het oog op de beantwoording van de vraag of het behoud van de regeling van klachtdelicten in de moderne strafrechtspleging wenselijk is en, zo ja, hoe deze invulling moet krijgen. Zo is bijvoorbeeld van belang dat in (de toelichting op) het voorstel voor een nieuw Wetboek van Strafvordering het recht doen aan de belangen van het slachtoffer – en het daarmee voorkomen van secundaire victimisatie – expliciet als een beginsel van strafvordering is bestempeld.4 Het klachtvereiste wordt immers precies met dat doel aan strafbepalingen toegevoegd. In dit licht kan het klachtvereiste een bruikbare rechtsfiguur zijn voor de wetgever indien hij bij bepaalde strafbepalingen nader invulling wil geven aan het hiervoor omschreven uitgangspunt dat een persoon die dat strafbaar feit is aangedaan “niet nog eens slachtoffer wordt, maar ditmaal van het strafproces.”5 Daarnaast is het een belangrijke vaststelling dat de huidige lijn in de rechtspraak – waarbij soepel wordt omgegaan met vormvereisten omtrent de indiening van een klacht en waarbij onder omstandigheden kan worden opgespoord voorafgaand aan een klacht – een ondermijnend effect kan hebben op de rechtsbescherming voor klachtgerechtigden. In het navolgende afsluitende hoofdstuk wordt – mede aan de hand van deze bevindingen en in het licht van alle voorgaande hoofdstukken – een eigen visie gepresenteerd omtrent de plaats die de klassieke rechtsfiguur van het klachtvereiste toekomt in de hedendaagse strafrechtspleging.