Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/6.2.4.1
6.2.4.1 Verliesverrekeningstermijnen en de inbreuk op de totaalwinstgedachte
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS395948:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
D.R. Post, Verliescompensatie en totaalwinst: meer dan een mythe? WFR 2006/433.
F.H.M. Grapperhaus, In de tijd beperkte verliescompensatie is uit de tijd, WFR 1978/1073 en F.H.M. Grapperhaus, Onbeperkte voorwaartse verliescompensatie een eis van rechtvaardigheid, WFR 1979/669.
J.W. Zwemmer, Verliescompensatie, FM, nr. 35, Kluwer, 4e druk 2003, paragraaf 2.2.
P.H.J. Essers, Onbeperkte voorwaartse verrekening van ondernemingsverliezen, TFO 1994/217, paragraaf 3.
H.J. Hofstra, Verrekening van positieve en negatieve inkomens en winsten in de tijd, WFR 1979/5400.
P.J.M. de Mooij, De verrekening van verliezen, te beperkt of terecht beperkt? WFR 1994/261.
Essers geeft aan dat de door Hofstra verdedigde verjaringsgedachte in de ondernemingssfeer op gespannen voet staat met het gegeven dat verjaring van de claim van de fiscus op uit een grijs verleden daterende stille reserve evenmin mogelijk is. P.H.J. Essers, Onbeperkte voorwaartse verrekening van ondernemingsverliezen, TFO 1994/217, paragraaf 3. Ook Verburg geeft aan dat het argument van Hofstra overtuiging mist, omdat nergens blijkt dat de wetgever van 1969 beperkte verliesverrekening principieel wilde funderen. J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2000, paragraaf 17.1.
J.W. Bellingwout, Een win-win alternatief voor verliescompensatie, WFR 2015/1518, paragraaf 2.
Minister Lieftinck in 1950, Verslag mondeling overleg Belastingherziening 1950, nr. 13, blz. 12.
Kamerstukken II, 2005-2006, 30572, nr. 3, blz. 22, 23.
Kamerstukken II, 2005-2006, 30572, nr. 3, blz. 33, voetnoot 1.
Kamerstukken II, 2005–2006, 30 572, nr. 8, blz. 59.
J.A.G. van der Geld, Hoofdzaken vennootschapsbelasting, FED fiscale studieseries nr. 31, Kluwer, 2015, 11e druk, paragraaf 13.2.
Voor een uiteenzetting van de verliesverrekeningsregelingen in het CCTB-voorstel verwijs ik naar D.R. Post, (Grensoverschrijdende) verliescompensatie onder de voorgestelde C(C) CTB, WFR 2017/66.
Het meest in het oog springend bij de verliesverrekeningstermijnen is de inbreuk die de beperking maakt op het totaalwinstbeginsel. Mijns inziens wordt hiermee niet of in mindere mate voldaan aan de fiscaal-juridische toets uit mijn toetsingskader.
In de literatuur is vrijwel iedereen het er over eens dat er een relatie bestaat tussen de mogelijkheid tot verliesverrekening en de totaalwinstgedachte. Post1 geeft aan dat verliescompensatie naar zijn aard voortspruit uit de totaalwinstgedachte en is evenals bijvoorbeeld Grappenhaus,2 Zwemmer3 en Essers4 van mening dat er op grond van het totaalwinstbeginsel een onbeperkte (in ieder geval voorwaartse) verliesverrekening zou moeten gelden. Hofstra5 en De Mooij6 stellen echter dat de relatie tussen het totaalwinstbeginsel en verliesverrekening niet noodzakelijk leidt naar een recht op een onbeperkte verliescompensatie. Hofstra noemt als mogelijke oorzaak de verjaringsgedachte7 en geeft ook aan dat uit de Memorie van Antwoord op het wetsontwerp-winstbelasting als argument voor een beperkte termijn voor de verliescompensatie tot vijf jaar is aangevoerd dat oude verliezen na verloop van tijd praktisch niet meer worden gevoeld. Bellingwout noemt de relatie tussen verliescompensatie en het totaalwinstbegrip een mythe, gezien alle renteaftrekbeperkingen en fictieve winstbijtellingen die in de vennootschapsbelasting bestaan.8
Door de wetgever zijn diverse argumenten aangevoerd om de verliescompensatie te beperken. Zonder uitputtend te willen zijn, is het volgende aangedragen:
Het hierboven al genoemde “verjarings-argument’’ door Hofstra. Het verlies zou tevens na verloop van jaren minder worden gevoeld.
Het praktische (administratieve) argument dat het na een aantal jaren moeilijk is (met name in tijden dat de digitale mogelijkheden beduidend minder aanwezig waren) om nog over de hoogte van het verlies te discussiëren vanwege een gebrekkige (belasting)administratie.9
Bedrijfseconomische argumenten:
De lengte van een korte conjunctuurgolf zou lang genoeg zijn om een verlies te compenseren.
Het bevorderen van de economische dynamiek. In 2007 werden de verliesverrekeningstermijnen beperkt om daarmee een tariefsverlaging te financieren en volgens de staatssecretaris zou een verschuiving een voordeel betekenen voor winstgevende ondernemingen ten opzichte van langdurig verlieslijdende ondernemingen.10
Achterwaartse verliesverrekening sluit niet aan bij de bedrijfseconomische realiteit dat verliezen geen consequenties hebben voor het verleden, maar alleen voor de toekomst.
De levensvatbaarheid van bedrijven die zijn aangewezen op onbeperkte voorwaartse verliesverrekening is twijfelachtig. Bovendien kan dit vragen oproepen over de verhouding tussen fiscale en bedrijfseconomische resultaten.
Budgettair argumenten:
Achterwaartse verliesverrekening beïnvloedt belastingopbrengsten relatief sterk in negatieve zin en bij een neergaande conjunctuur kan dit de financiering van de overheidsuitgaven in gevaar brengen.
Het financieren van een tariefsverlaging.
In andere (Europese) landen wordt verliesverrekening ook beperkt.11 De staatssecretaris gaf ten aanzien van de beperking van verliesverrekeningstermijnen in 2007 aan dat het hier gaat om een afweging tussen theoretische zuiverheid enerzijds en grondslagverbreding in combinatie met tariefverlaging anderzijds.12
De volgende argumenten zijn door de wetgever onder andere aangevoerd om de verliesverrekeningstermijnen te verruimen:
Op grond van het totaalwinstbeginsel zou er eigenlijk geen beperking in de verliesverrekeningstermijnen mogen worden aangebracht.
Het voorkomen dat belastingplichtigen op zoek moeten naar een gekunstelde oplossing om verliesverdamping te voorkomen.13
Het verbeteren van het fiscale vestigingsklimaat.
Van der Geld merkt op dat vanuit een economische invalshoek de achterwaartse verliesverrekeningstermijn van één jaar te beperkt is. Carry-back van verlies leidt bij bedrijven in een verliessituatie tot directe teruggaaf van eerder betaalde belasting en dus tot een positieve cashflow van de fiscus op een moment dat men dat in de regel zeer goed kan gebruiken.14
Tot slot merk ik op dat het op 25 oktober 2016 door de Europese Commissie voorgestelde CCTB voorstel (zie ook hoofdstuk 2.7.4.1) een onbeperkte carry-forward mogelijkheid kent. In het CCTB-voorstel is geen carry-back mogelijkheid opgenomen.15
Ik ben het met bovenstaande auteurs eens die voor een (in ieder geval) onbeperkte carry-forward mogelijkheid pleiten, omdat daarmee het meest recht gedaan wordt aan de totaalwinstgedachte (en aan de fiscaal-juridische toets die deel uitmaakt van mijn toetsingskader). Wat betreft de carry-back mogelijkheid is het mijns inziens zinvol deze wettelijk te beperken tot een aantal jaren vanwege uitvoerbaarheid/handhaafbaarheid en eenvoudsredenen (vergelijk de fiscaal-beleidsanalytische toets en fiscaal-wetstechnische toets uit mijn toetsingskader). Een carry-back mogelijkheid van meer dan één jaar zoals Van der Geld voorstelt, past mijns inziens beter bij de fiscaal-juridische toets dan nu het geval is. Het leidt tevens tot een economisch wenselijk anticyclisch effect voor de belastingplichtige en overheid.