ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367
HR, 14-02-2025, nr. 23/00153
ECLI:NL:HR:2025:241
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-02-2025
- Zaaknummer
23/00153
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑02‑2025
ECLI:NL:HR:2025:241, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑02‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:4440
- Vindplaatsen
CFN 2025/16
NDFR Nieuws 2025/272
Viditax (FutD) 2025021411
FutD 2025-0329
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/190
NTFR 2025/319 met annotatie van mr. G.C.A. de Wit
NLF 2025/0495 met annotatie van Jelle Kanters, Michiel Hennevelt
FED 2025/44 met annotatie van A.E. de Leeuw
BNB 2025/58 met annotatie van J.P. Boer
Beroepschrift 14‑02‑2025
VERTROUWELIJK
Hoge Raad der Nederlanden
Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
Uitsluitend digitaal ingediend via webportaal
Betreft | Datum |
[…] | 7 maart 2023 |
Uw zaaknummer: 23/00153 | |
Gronden cassatie navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2011 en 2012 | |
Edelhoogachtbaar college,
[X2] en [X1] te [Z], belanghebbenden, hierna gezamenlijk te noemen ‘[X]’, voor wie als advocaten optreden mr. D.G. Barmentlo en mr. drs. A.G. Haasnoot, verbonden aan maatschap […], hebben bij brief van 16 januari 2023 beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 7 december 2022.
De uitspraak heeft betrekking op de procedures van [X] bij het Gerechtshof met de nummers 20/00738 tot en met 20/00741 en betreft de navorderingsaanslagen
inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2011 en 2012.
Het beroepschrift in cassatie voldoet niet aan de in de wet gestelde eisen. De verzuimen klevend aan het beroepschrift worden bij dit geschrift opgeheven.
Cassatiemiddelen
[X] stelt de volgende cassatiemiddelen voor.
1) Cassatiemiddel I
Schending althans onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en van de beginselen van de goede procesorde en/of schending althans verkeerde toepassing van artikel 8:77 van de Awb althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het Hof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn, omdat het Hof in rov. 4.0.3. heeft geoordeeld dat het verzoek van [X] om overlegging van correspondentie tussen de inspecteur en de kennisgroep alsnog in het geding moet worden gebracht, tardief is, omdat het Hof van oordeel is dat het algemene belang van een doelmatige procesgang zwaarder weegt dan het belang van [X] bij kennisneming van de bedoelde stukken, zulks ten onrechte en/of op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, zoals hierna zal worden toegelicht.
1.1
Het Hof heeft in rov. 4.0.3. geoordeeld:
‘Het hof heeft het verzoek van belanghebbenden tardief verklaard. Belanghebbenden hadden in een eerder stadium kunnen verzoeken die stukken in het geding te brengen en hebben geen valide reden aangevoerd waarom dat niet is gebeurd. Het alsnog overleggen van de stukken door de inspecteur zou meebrengen dat het vooronderzoek zou moet worden heropend. Dat zou een aanzienlijke vertraging opleveren. Het hof is van oordeel dat het algemene belang van een doelmatige procesgang zwaarder weegt dan het belang van belanghebbenden bij de kennisneming van de bedoelde stukken. De eisen van een goede procesorde verzetten zich onder deze omstandigheden tegen honorering van het onderhavige verzoek van belanghebbenden.’
1.2
In de pleitnota voor de zitting van het Hof is dezerzijds onder punt 6 het volgende opgemerkt:
‘Er zijn interne stukken van de Belastingdienst die hij met een beroep op artikel 8:29 Awb geheim heeft gehouden. De geheimhoudingskamer heeft dit in eerste aanleg toegestaan. Minimaal één van deze stukken ziet — naar wij begrepen hebben tijdens de behandeling door de geheimhoudingskamer in eerste aanleg — op een e-mail-wisseling tussen de heer Van der Avoird en de kennisgroep 10a Vpb, waarvan de berichtgeving van de kennisgroep voor de Belastingdienst in deze procedure hem onwelgevallig is geweest. Op basis van de recent gewezen uitspraak Rechtbank Rotterdam 12 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:6695 zijn wij van mening dat de communicatie met de kennisgroep alsnog overlegd dient te worden in deze procedure.’
[nadruk DB/AH]
1.3
Uit de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Zeeland-West Brabant d.d. 20 december 2017 volgt dat dit verzoek van [X] ziet op het volgende:
‘In eerste aanleg heeft de inspecteur bij brief van 3 mei 2017 in aanvulling op zijn verweerschrift een verzoek als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb gedaan, en daarbij een gesloten envelop overlegd met daarin stukken voor de geheimhoudingskamer van de rechtbank. De envelop bevat de ongeschoonde versies van interne e-mailberichten van medewerkers van de Belastingdienst uit de periode november 2014 tot en met augustus 2015 waarvoor om geheimhouding wordt verzocht’
1.4
Tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof is deze kwestie aan de orde gekomen. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt:
‘Inspecteur: (…) Bij punt 6 (desgevraagd): Er is enkel collegiaal overleg geweest met een kennisgroep. De bevindingen van dat overleg zijn in mijn nader stuk, onder ‘reële heffing’, verwerkt. Ik heb het memo niet bijgevoegd. Ik wil de uitgewisselde stukken overleggen, maar heb die nu niet bij me.
Hof: Waarom heeft de gemachtigde niet eerder het verzoek zoals vermeld onder punt 6 van de pleitnota gedaan?
Gemachtigde: Ik heb dat verzoek al vaker gedaan. Het is bovendien al bij de geheimhoudingskamer aan de orde geweest. Ik ben uitermate verbaasd dat de inspecteur nu zegt dat hij bereid is de stukken in te brengen.
Inspecteur: De stukken die bij de geheimhoudingskamer zijn overlegd en waarover de geheimhoudingskamer uitspraak heeft gedaan, waren andere stukken. Het verzoek aan de kennisgroep is gedaan na de uitspraak van de rechtbank.
Gemachtigde: Tijdens die behandeling is aan de orde geweest dat er daarnaast meerdere stukken zouden zijn. In eerste aanleg heeft de geheimhoudingskamer het beroep op geheimhouding geaccepteerd, omdat sprake is van intern overleg. Ik heb geen lijst van stukken gehad. Vervolgens is verzocht om een voorlopige voorziening. Dat verzoek is afgewezen. Het nieuwe argument is nu de uitspraak van de rechtbank Rotterdam.’
1.5
Helaas is de hiervoor geciteerde weergave van het verhandelde ter zitting onvolledig. Het is ondergetekenden (uiteraard) bekend dat slechts het proces-verbaal van de zitting kan dienen als kenbron van het verhandelde ter zitting voor de Hoge Raad. Aan dit punt wordt dan ook geen conclusie verbonden. Volledigheidshalve wijst [X] op het volgende.
1.6
Dezerzijds is steeds uitdrukkelijk gesteld dat de interne correspondentie van de Belastingdienst, waarover ter zitting is gesproken, stamt uit 2014/2015. Het gaat hier om dezelfde stukken als waar het verzoek in eerste aanleg en de uitspraak van de geheimhoudingskamer op zagen, zulks in overeenstemming met het hiervoor geciteerde onderdeel uit de pleitnota van [X]. De stelling van de Belastingdienst dat het verzoek zou zien op documenten van na de zitting bij de rechtbank, is feitelijk onjuist. Het oordeel van het Hof, dat [X] niet in een eerder stadium om deze stukken verzocht zou hebben, is gelet op het voorgaande eveneens feitelijk onjuist.
1.7
U besliste in het arrest Hoge Raad 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3311:
‘2.7.2.
Het hoger beroep is ingesteld door de heffingsambtenaar. Het in hoger beroep ingediende verweerschrift vermeldt niet de in beroep subsidiair ingenomen stelling van belanghebbende dat de legesnota moet worden verminderd omdat een lager bedrag aan bouwkosten in aanmerking moet worden genomen.
2.7.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat behandeling van die bij pleidooi betrokken stelling niet in overeenstemming is met een goede procesorde en dat deze stelling als tardief moet worden beschouwd. Tegen dat oordeel is de tweede klacht gericht.
2.7.4.
Het hiervoor onder 2.7.1 vermelde oordeel bracht mee dat de Rechtbank belanghebbendes subsidiaire stelling onbesproken kon laten. Aangezien het Hof de primaire stelling van belanghebbende verwierp was het gehouden die subsidiaire stelling alsnog te behandelen. De omstandigheid dat deze stelling niet is vermeld in het in hoger beroep ingediende verweerschrift brengt niet mee dat belanghebbende het door hem in eerdere instantie terzake ingenomen standpunt heeft prijsgegeven. Evenmin kan deze omstandigheid het oordeel dragen dat het bij pleidooi in hoger beroep herhalen van die stelling onverenigbaar is meteen goede procesorde.’
1.8
[X] is van mening dat het Hof ten onrechte uw duidelijke rechtspraak op dit punt niet heeft toegepast. Ook in casu geldt dat [X] de procespositie van verweerder in hoger beroep innam en bij pleidooi opnieuw een beroep heeft gedaan op een eerder ingenomen en niet prijsgegeven standpunt. Alsdan was het Hof gehouden in te gaan op het verzoek van [X] en had hij dit niet tardief mogen verklaren. Bovendien overtuigt de afweging van belangen die het Hof in rov. 4.0.3. maakt in het geheel niet. Een aanhouding van de behandeling voor een korte tijd teneinde de inspecteur in de gelegenheid te stellen de betreffende stukken in het geding te brengen (waartoe hij de bereidheid al had uitgesproken), zou het belang van de doelmatige procesgang niet onevenredig hebben geschaad. Het oordeel van het Hof is derhalve ten onrechte en ontoereikend gemotiveerd.
1.9
Daar komt bij dat de toepassing van artikel 8:29 Awb met zich brengt dat de rechter in hoger beroep opnieuw dient te oordelen over een beroep op geheimhouding van stukken. Uit het beroepschrift in hoger beroep leidt [X] af dat de inspecteur een dergelijk beroep heeft gedaan, u zie het onderdeel 1.15 en 1.16 onder Procesverloop van het hoger beroepschrift. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in een vergelijkbare zaak1. dat het verzoek opnieuw dient te worden beoordeeld. Nu het Hof dat heeft nagelaten, is zijn uitspraak op dit punt in strijd met het recht.
2) Cassatiemiddel II: artikel 2.14a Wet IB 2001 geeft een uitputtende regeling
Schending althans onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 2.14a Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) en/of schending althans verkeerde toepassing van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het Hof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn in rov. 4.3–4.4 heeft geoordeeld dat de transparantierechtspraak voorgaat op de wettelijke regeling als bedoeld in artikel 2.14a Wet IB 2001, zulks ten onrechte dan wel op gronden welke deze beslissing niet kunnen dragen zoals hierna zal worden toegelicht.
2.1
Het Hof heeft in rov. 4.3 geoordeeld:
‘Het hof leidt, anders dan de rechtbank, uit deze wetsgeschiedenis niet af dat met de invoering van artikel 2.14a Wet IB 2001 de transparantierechtspraak is achterhaald.’
Vervolgens heeft het Hof in rov. 4.4. geoordeeld:
‘Het hof is van oordeel dat artikel 2.14a Wet IB 2001 ‘slechts’ van toepassing is als sprake is van een afgezonderd particulier vermogen. De vraag óf vermogen is afgezonderd, voor welke vraag de transparantierechtspraak van belang is, gaat vooraf aan de toepassing van dat wetsartikel.’
Het Hof oordeelt vervolgens dat artikel 2.14a enkel van toepassing is ‘als moet worden geconcludeerd dat vermogen niet toerekenbaar is aan een persoon en er (dus) sprake is van zogenoemd ‘zwevend vermogen’. Het Hof is van mening dat de sluitende regeling louter bedoeld is voor gevallen waarin vermogensafzondering heeft plaatsgevonden en dat de beoordeling of afzondering heeft plaatsgevonden, getoetst moet worden op basis van de transparantierechtspraak, onder verwijzing naar het daarin geformuleerde criterium ‘beschikken als ware het eigen vermogen’. Welke jurisprudentie het Hof voor ogen heeft wanneer hij spreekt over ‘transparantierechtspraak’, volgt niet uit de uitspraak. Gezien de tekstuele verwijzing naar ‘beschikken als ware het eigen vermogen’ begrijpt [X] dat het Hof heeft bedoeld te verwijzen naar Hoge Raad 30 oktober 1985, nr. 22715, ECLI:NL:HR:1985:AC9086, BNB 1986/16. Zeker is dat echter niet, zodat de uitspraak op dit punt lijdt aan een gebrek aan inzicht in de gedachtegang van het Hof.
2.2
Het oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat dit het toepassingsbereik van artikel 2.14a Wet IB 2001 ten onrechte beperkt, zonder dat daar een basis voor is te vinden in wet, wetsgeschiedenis, wetsystematiek, of jurisprudentie.
2.3
Voor zover in casu relevant, luidt artikel 2.14a Wet IB 2001 in de onderwerpelijke jaren, als volgt:
- ‘1.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in het tweede lid, geacht bij degene die dat vermogen bij leven of bij overlijden heeft afgezonderd tot zijn bezit te behoren, onderscheidenlijk op te komen (toerekening). (…)
- 2.
Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan ondereen afgezonderd particulier vermogen, niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder 8°, van de Successiewet 1956: een afgezonderd vermogen waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd, tenzij tegenover de afzondering van dit vermogen:
- a.
een uitreiking van aandelen, winstbewijzen, lidmaatschapsrechten, bewijzen van deelgerechtigdheid of daarmee vergelijkbare rechten heeft plaatsgevonden, of
- b.
een economische deelgerechtigdheid is ontstaan.
- 3.
Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt onder het afzonderen van vermogen verstaan:
- a.
het om niet of onder in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke voorwaarden rechtens dan wel in feite, direct of indirect afzonderen van vermogensbestanddelen in een afgezonderd particulier vermogen;
- b.
het rechtens dan wel in feite, direct of indirect, vervreemden van vermogensbestanddelen aan een afgezonderd particulier vermogen waarmee meer dan bijkomstig een particulier belang wordt beoogd van de vervreemder, van zijn partner of van een of meer van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of tot en met de vierde graad van de zijlijn.
(…)
- 7.
Onder de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven, bedoeld in het eerste lid, worden niet begrepen de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven waarvoor het afgezonderd particulier vermogen wordt betrokken in een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing, waarbij het afgezonderd particulier vermogen wordt geacht een onderneming te drijven met behulp van zijn gehele vermogen.’
2.4
Hierbij zij opgemerkt dat de wetgever zowel in de wettekst als in de wetsgeschiedenis duidelijk heeft aangegeven dat het begrip ‘afzonderen’, zoals gedefinieerd in lid 3 van artikel 2.14a Wet IB 2001, een ruime toepassing kent. In de wetsgeschiedenis staat:
‘De wettelijke definiëring in het derde lid van het begrip ‘afzonderen’ is bewust ruim geredigeerd om daarmee naast de thans bekende wijzen van afzonderen ook toekomstige ontwikkelingen te kunnen ondervangen. Er is sprake van een zogenoemd dynamisch begrip. Onder afzonderen wordt onder meer verstaan vervreemden, schenken, alsmede opties verlenen, afsplitsen van genotsrechten, het elders beleggen van een langlevenrisico, maar ook de fictieve vervreemdingen zoals bedoeld in artikel 4.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
[…]
Het gebruik van de term ‘rechtens dan wel in feite’ beoogt de regeling een ruime werking te geven. Bedoeld is bijvoorbeeld niet alleen de afzondering van vermogen op basis van een (schriftelijke) overeenkomst onder de regeling te brengen, maar ook het feitelijk zonder overeenkomst in gebruik of bezit afstaan van vermogen.2.
[nadruk DB/AH]
2.5
Het Hof heeft in zijn uitspraak echter een eigen uitleg van het begrip ‘afzonderen’ gehanteerd welke in strijd is met zowel de tekst van de wet, artikel 2.14a Wet IB 2001, als met de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis. Mitsdien is zijn uitspraak strijdig met het recht.
2.6
Enige motivering voor de conclusie van het Hof ontbreekt daarbij. Het Hof geeft aldus geen inzicht in zijn gedachtegang waardoor hij een conclusie trekt op gronden die zijn beslissing niet kunnen dragen.
2.7
Bovendien geeft het Hof een onjuiste weergave van het oordeel van de rechtbank gezien het Hof enkel verwijst naar slechts een deel van de door de rechtbank geciteerde wetsgeschiedenis en de gehele verdere motivering van de rechtbank niet bespreekt. [X] geeft om die reden weer wat de rechtbank heeft geoordeeld. De rechtbank oordeelt in rov. 4.7–4.9 dat er in casu sprake is van zwevend vermogen op basis van de juridische vormgeving (statuten] van SPF [D], dat daarom sprake is van zwevend vermogen als waarvoor artikel 2.14a Wet IB 2001 is ingevoerd, en dat daarom op basis van de wetsgeschiedenis eventuele feitelijke beschikkingsmacht en/of het ontvangen van de liquidatie-uitkering, de toepassing van artikel 2.14a niet uitsluit. Wanneer artikel 2.14a van toepassing is, brengt vervolgens een redelijke wetsuitleg mee dat de transparantierechtspraak toepassing mist, aldus nog steeds de rechtbank.
2.8
De hiervoor naar de mening van [X] bepalende wetsgeschiedenis is (helaas] noch door de rechtbank noch door het Hof weergegeven in de uitspraken. Deze is woordelijk opgenomen in het tiendagenstuk van [X] ingediend bij de Rechtbank d.d. 21 augustus 2020. Deze relevante wetsgeschiedenis wordt hierna volledigheidshalve geciteerd.
2.9
Een belangrijk doel van de invoering van artikel 2.14a Wet IB 2001 was het verschaffen van duidelijkheid voor zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst waardoor discussie over de beschikkingsmacht tot het verleden moest behoren:
‘Met de in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde regeling voor afgezonderde particuliere vermogens wordt beoogd de Belastingdienst toereikende middelen te geven om de constructies in de uitvoeringssfeer effectief te bestrijden. Tevens wordt daarmee gehoor gegeven aan de wens uit de praktijk om de fiscale behandeling van afgezonderde particuliere vermogens wettelijk goed te regelen.’3.
en:
‘Opgemerkt wordt dat het belangrijk is dat het doel — het bieden van toereikende middelen aan de Belastingdienst — wel wordt gerealiseerd, aangezien de budgettaire effecten van het belasten van afgezonderd particulier ten aanzien van de schenk-, erf- en inkomstenbelasting worden geraamd op € 210 miljoen.
De vraag of de regering kan aangeven in hoeverre zij van mening is dat de geboden middelen daadwerkelijk toereikend zijn, wordt bevestigend beantwoord. De voorgestelde wettelijke maatregelen voor APV's zijn helder: ingewikkelde juridische discussies over de toerekening van het discretionair deel van een APV behoren tot het verleden. Toerekening vindt plaats aan de inbrenger en na zijn overlijden aan diens erfgenamen. Belastingplichtigen en hun adviseurs hoeven niet meer te twijfelen hoe de betrokkenheid in de aangifte moet worden verwerkt en komen daarmee niet in de verleiding om bij geen enkele betrokkene iets aan te geven. .’4.
[nadruk DB/AH]
2.10
De situatie waarop artikel 2.14a Wet IB 2001 van toepassing is, meer in het bijzonder met betrekking tot de feiten en omstandigheden omtrent de inbrenger, is in de wetsgeschiedenis als volgt omschreven:
‘In de praktijk houdt de inbrenger op allerlei manieren zeggenschap in het afgezonderd particulier vermogen. Samen met de dagelijkse bestuurders (de trustee, het stichtingsbestuur of de directiej en eventueel met toekomstige erfgenamen en andere begunstigden bepaalt hij vaak — tot zijn dood — het beleid. Achter de schermen, zo blijkt uit praktijkvoorbeelden, heeft de inbrenger nog heel vaak de touwtjesstevig in handen. In aktes, reglementen en wensenbrieven geeft de inbrengerrichting aan de te varen koers wat betreft beleggen, uitkeren, et cetera. De inbrenger en de begunstigden vormen een samenwerkende groep waarbij de inbrenger doorgaans de leidende rol heeft en zorgt voor de gewenste bundeling van (familie)kapitaal en zeggenschap in de structuur. De inbrenger heeft het voorts in eigen hand om liquiditeiten beschikbaar te houden voor belastingbetaling.’5.
[nadruk DB/AH]
2.11
Uit de wetsgeschiedenis blijkt ook dat een afgezonderd particulier vermogen alleen op grond van de regels van artikel 2.14a Wet IB 2001 kan worden toegerekend aan degene die het vermogen heeft afgezonderd:6.
‘De NOB neemt wat betreft APV's verder terecht aan dat het systeem van toerekening op grond van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 een gesloten systeem is, zodat indien aan de voorwaarden van het zesde lid7. wordt voldaan, er noch op basis van artikel 2.14a Wet inkomstenbelasting 2001 noch op basis van andere leerstukken of wettelijke bepalingen toerekening van vermogen of inkomsten van het APVplaatsvindt aan eventuele gerechtigden ofaan degene die het vermogen heeft afgezonderd. […]’
[nadruk DB/AH]
2.12
De bedoeling van de wetgever zoals deze volgt uit de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis, is volkomen duidelijk. Het feitelijk handelen van de inbrenger — welke vorm dat ook heeft, zie #2.10 hiervoor — heeft geen betekenis voor de toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001. Discussies hierover behoren dan ook tot het verleden nu volgens de regering artikel 2.14a een toereikend en gesloten systeem is. Het is dan ook in strijd met de bedoeling van de wetgever de transparantierechtspraak toe te passen, in ieder geval in de vorm waarop het Hof dat heeft gedaan, waarbij enkel acht geslagen wordt op uitvoeringshandelingen. Daarvan is immers in de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk opgemerkt is dat deze horen bij een APV waar artikel 2.14a op toegepast moet worden. Het andersluidende oordeel van het Hof is dan ook in strijd met het recht.
2.13
Uit de wetsgeschiedenis volgt verder dat er slechts één uitzondering op de toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001 is, te weten indien er geen sprake is van een discretionair doelvermogen als bedoeld in artikel 2.14a, namelijk indien er voor een persoon een juridisch afdwingbaar recht bestaat.8. Deze uitzondering is opgenomen in artikel 4a, lid 1 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. De rechtbank heeft in rov. 4.9 geoordeeld dat er geen sprake is van enig juridisch afdwingbaar recht. Het Hof heeft dit oordeel kennelijk overgenomen in zijn uitspraak. Derhalve staat in cassatie vast dat er in casu geen sprake is van een juridisch afdwingbaar recht.
2.14
Enig ander onderscheid dient naar de bedoeling van de wetgever niet gemaakt te worden. Dit volgt uit de volgende door de rechtbank geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis:
‘Het negeren van het afgezonderd particulier vermogen — de transparantie — is rechtsvormneutraal. Trusts, stichtingen, Stiftungen, Anstalts, Treuhands en alle andere rechtsfiguren die voldoen aan de regels van een afgezonderd particulier vermogen worden op dezelfde wijze behandeld en worden geacht voor de belastingheffing niet te bestaan.
(…)
Bezittingen en schulden worden geduid in overeenstemming met de civielrechtelijke inhoud (…) Het volgen van de civielrechtelijke status van vermogensbestanddelen doet recht aan het onderscheid ‘discretionairy’ en ‘non-discretionairy’.
(…)
Van de ‘trust’ maar ook van andere rechtsfiguren is bekend dat deze vele verschijningsvormen kent. Een onderscheid in naam als ‘irrevocable’ of ‘revocable’, ‘discretionairy’ of ‘fixed’ is voorde toepassing van artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting niet van belang.’9.
[nadruk DB/AH].
2.15
Met de invoering van artikel 2.14a Wet IB 2001 heeft de wetgever aldus een sluitend systeem gecreëerd voor afgezonderde particuliere vermogens die voldoen aan de vereisten zoals geformuleerd in lid 1, lid 2 en lid 3 van dat artikel. Indien de juridische vormgeving van de APV aansluit bij deze vereisten, is artikel 2.14a vervolgens van toepassing.
2.16
De toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001 en het daarbij achterwege laten van de transparantierechtspraak volgt ook uit de systematiek van de wet waar de wetgever voor gekozen heeft:
‘5.2. Nieuwe wetssystematiek
Om aan het geschetste heffmgsvacuüm een einde te maken, wordt een robuuste wettelijke basis voorgesteld om inkomstenbelasting en schenk- of erfbelasting te kunnen heffen wanneer er sprake is van een afgezonderd particulier vermogen. Vermogensbestanddelen die in een afgezonderd particulier vermogen worden ingebracht, aangehouden en uitgekeerd, krijgen eenzelfde fiscale behandeling als vermogensbestanddelen die niet op zodanige wijze zijn afgezonderd. Deze wetssystematiek sluit aan bij het beleid van de Belastingdienst zoals dat sinds het Beleidsbesluit van 16 december 19931 tot op heden is uitgevoerd en vertoont duidelijke parallellen met de fiscaal transparante behandeling van de stichting administratiekantoor.
De wettelijke basis bestaat hierin dat de afgezonderde particuliere vermogens als aparte entiteit worden genegeerd. Het afgezonderd particulier vermogen wordt zodoende fiscaal transparant behandeld. De vermogensbestanddelen waarvan de juridische eigendom berust bij het afgezonderd particulier vermogen of zijn beheerder, worden in beginsel naar rato van de inbreng toegerekend aan de persoon die vermogen in het afgezonderd particulier vermogen heeft ingebracht. De inbrenger wordt geacht gedurende zijn leven te blijven beschikken over de vermogensbestanddelen van het afgezonderd particulier vermogen. De desbetreffende bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven worden onveranderd bij de inbrenger in de belastingheffing betrokken. Al naar gelang de aard van de vermogensbestanddelen worden de vermogensbestanddelen en de opbrengsten daaruit betrokken in de heffing van inkomstenbelasting in box 1,2 of3.
Uitgaande van de grondvorm dat iemand de enige inbrenger is in een door hem ingesteld afgezonderd particulier vermogen, vormt deze afzondering van vermogensbestanddelen in de voorgestelde wetssystematiek geen belaste handeling. Voor inkomstenbelasting noch schenkbelasting is er sprake van een heffingsmoment. De inbrenger wordt geacht gedurende zijn leven de afgezonderde vermogensbestanddelen onverkort te bezitten, ongeacht de discretionaire bevoegdheden van de beheerder of het afgezonderde vermogen zelf. Gedurende de tijd dat de vermogensbestanddelen worden aangehouden in het afgezonderd particulier vermogen is er geen heffingsvacuüm meer: in een afgezonderd particulier vermogen ondergebrachte courante beleggingen of liquiditeiten behoren ook na de afzondering tot de rendementsgrondslag van box 3 van de inbrenger.’10.
En later tijdens de behandeling Eerste Kamer:
‘Dit past volledig in de strekking van een wettelijke regeling die uitgaat van het principe van fiscale transparantie zodat de bezittingen en schulden alsmede opbrengsten en uitgaven van een APV worden toegerekend aan daartoe aangewezen personen.’11.
[nadruk DB/AH]
2.17
Artikel 2.14a Wet IB 2001 gaat uit van de premisse dat het afgezonderd particulier vermogen als aparte entiteit moet worden genegeerd en regelt de toerekening aan de inbrenger (lid 1), de erfgenamen (lid 1, 4, 5 en 6), of aan de APV zelf (lid 7]. Het is wetsystematisch dan ook onjuist om voordat het APV op basis van de wet als transparant moet worden beschouwd, eerst nog te toetsen of het APV op grond van de jurisprudentie al als transparant zou moeten worden beschouwd. Dat klemt te meer indien deze jurisprudentie handelt over vraagstukken (beschikkingsmacht/zeggenschap) die in de parlementaire geschiedenis aan bod zijn gekomen en daarin aangemerkt zijn als niet meer van belang voor de fiscale behandeling van het APV (zie #2.10 en #2.11],
2.18
Uit de vaste jurisprudentie van uw Raad leidt [X] af dat de hoofdregel is dat de civielrechtelijke vormgeving van zowel rechtspersonen als transacties het primaat heeft. Dit primaat wordt enkel doorbroken indien een specifieke regel van het fiscale recht, volgend uit wet of jurisprudentie, dwingt tot afwijking. In casu is er een wettelijke — uitputtende — regeling geïntroduceerd die een daartoe voorgeschreven dwingende fiscale behandeling voorschrijft.
2.19
In dit verband zij verwezen naar de situatie van een tegenwoordig veel voorkomende ‘Spaar-BV’. Dit is een BV waarin een individuele belastingplichtige zijn box 3 vermogen inbrengt tegen uitreiking van aandelen. De belastingplichtige wordt enig aandeelhouder én enig bestuurder. Hij beheert als bestuurder zelf de gelden van de vennootschap op een bankrekening waar hij tekeningsbevoegd voor is. Op ieder moment tijdens het bestaan van de Spaar-BV behoudt de belastingplichtige aldus feitelijk de beschikking over het vermogen in de BV als ware het zijn eigen vermogen. De feiten, omstandigheden, en zelfs de juridische vormgeving komen volledig overeen met het kader zoals geschetst in de door het Hof in rov. 4.6 geciteerde conclusie van A-G Wattel, 26 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:704. Desondanks is noch zal de stelling betrokken worden dat de BV transparant geacht moet worden op basis van deze transparantiejurisprudentie. Immers, het wettelijk systeem van heffing van vennootschaps- en inkomstenbelasting bestrijkt de fiscale behandeling van deze situatie reeds, hetgeen tot gevolg heeft dat er op het gewenste niveau belastingheffing plaatsvindt. Dezelfde gevolgtrekking geldt naar de mening van [X] voor APV's.
2.20
De transparantierechtspraak die de A-G in zijn hiervoor genoemde conclusie opsomt (zie uitgebreider onder #13.3 van dit stuk), ziet op stichtingen en trusts. In al deze gevallen ging het om lichamen die zonder uw rechtspraak binnen het toenmalige wettelijk systeem buiten de belastingheffing zouden blijven. Daarvan is bij APV's sinds de invoering van artikel 2.14a Wet IB 2001 geen sprake meer, evenals voor de situatie van spaar-BV's zoals hiervoor beschreven. Ook in casu is daar overigens geen sprake van, nu de SPF onderworpen is aan de belastingheffing op Curaçao. Toepassing van de transparantierechtspraak is in dit geval niet nodig om de door de wetgever bij invoering van de wettelijke regeling gewenste heffing te bereiken.
2.21
[X] merkt in aanvulling op het voorgaande op dat de casus in ECLI:NL:HR:2021:212 waar de conclusie van de A-G bij hoort, ziet op de heffing van dividendbelasting, waar artikel 2.14a Wet inkomstenbelasting 2001 niet op van toepassing is. In het door de Advocaat-Generaal geciteerde jurisprudentieoverzicht in §8 van zijn conclusie gaat het in alle gevallen op casus die speelden vóór de invoering van artikel 2.14a. Wij merken op dat uw Raad nog geen arrest heeft gewezen waarin de transparantierechtspraak zoals geciteerd door de Advocaat-Generaal en Hof in rov. 4.6, dan wel de trustjurisprudentie in rov. 4.7 voorgaat in een situatie waarin artikel 2.14a van toepassing zou zijn. In Het Hof motiveert in zijn uitspraak niet waarom hij van mening is dat desondanks deze transparantiejurisprudentie in een casus als deze van toepassing zou moeten zijn. Daarmee geeft het Hof onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang en is zijn uitspraak gestoeld op gronden die zijn beslissing niet kunnen dragen.
2.22
[X] is van mening dat hij zich gehouden heeft aan de wettelijke spelregels inclusief de bedoeling van deze regels, zoals deze bij de invoering van artikel 2.14a Wet IB 2001 gepresenteerd zijn. Het zou in strijd zijn met de wet en de rechtszekerheid die de wet moet bieden om van de gegeven wettelijke regels af te wijken.
3) Cassatiemiddel III onjuist/onvolledig toetsingskader beschikken als ware het eigen vermogen
Schending althans onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van de rechtspraak van de Hoge Raad van 30 oktober 1985, nr. 22715, ECLI:NL:HR:1985:AC9086BNB 1986/1612. en/of schending althans verkeerde toepassing van artikel 8:77 van de Awb dan wel verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het Hof ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn in rov. 4.5–4.7 heeft geoordeeld dat de eisen in die jurisprudentie niet cumulatief maar singulair zijn en dat de trustarresten daarin betekenis hebben, zulks ten onrechte en/of op gronden welke deze beslissing niet kunnen dragen zoals hierna zal worden toegelicht.
3.1
In rov 4.6 citeert het Hof uit de conclusie van Advocaat-Generaal Wattel (ECLI:NL:PHR:2019:704), maar dit citaat is onvolledig. Het volledige citaat is te vinden in §9.2 van de conclusie en luidt:
‘Uw transparantierechtspraak houdt ook niet in dat de civielrechtelijke rechtspersoonlijkheid van de desbetreffende stichtingen wordt genegeerd. Het gaat bij de transparantierechtspraak om een andere vraag, nl. die of het vermogen van de als zodanig erkende rechtspersoon civielrechtelijk en feitelijk voldoende is afgescheiden van het vermogen van de oprichters/beleidsbepalers om die rechtspersoon ookfïscaalrechtelijk als de bezitter van het vermogen en de genieter van het inkomen te beschouwen, gegeven (ij de statuten en overige institutionele documentatie van de rechtspersoon, (ii) de overige (contractuele) juridische verhoudingen tussen de rechtspersoon en zijn oprichters/beleidsbepalers en (iii) de wijze waarop aan die documenten en contracten in de werkelijkheid uitvoering is of wordt gegeven. Civielrechtelijk wordt belanghebbendes bestaan dus volledig erkend, maar op basis van (juist) haar Oostenrijkse civielrechtelijke kenmerken en documenten zijn de rechtbank en het hof tot het oordeel gekomen dat haar vermogen en inkomsten naar Nederlands recht fiscaalrechtelijk onvoldoende zijn afgescheiden van dat/die van haar oprichter/alleenheerser. Dat oordeel berust enerzijds op uitleg van Oostenrijks recht, over eventuele schending waarvan niet met vrucht geklaagd kan worden in cassatie (zie art. 79 Wet RO) en anderzijds op waardering van feiten, waarover-behoudens onbegrijpelijkheid, die zich niet voordoet — in cassatie evenmin geklaagd kan worden,’
[nadruk DB/AH].
3.2
Volgens de A-G is er op basis van uw jurisprudentie dus sprake van cumulatieve eisen: de documentatie van de rechtspersoon, de contractuele verhoudingen tussen de rechtspersoon en de oprichters, en de wijze waarop aan die documenten feitelijk uitvoering is gegeven. [X] wijst bovendien op het volgende.
3.3
Uit de jurisprudentie van uw Raad die de A-G in paragraaf 8 van zijn conclusie citeert, volgt steeds dat de aangewezen beschikker juridisch én feitelijk niet gehinderd moet zijn in zijn vermogensbeheer. Deze eisen zijn cumulatief:
- —
In BNB 1958/115 was het de oprichtingsakte van de stichting die de oprichter-bestuurder niet beperkte in zijn handelen hetgeen tot transparantie leidde;
- —
In BNB 1978/15 was het de oprichtingsakte die er voor zorgde dat belanghebbende geen zeggenschap over het bestuur kon uitoefenen noch de terugkeer van het vermogen kon bewerkstelligen, wat tot niet-transparantie leidde;
- —
In BNB 1982/42 waren het de statuten waaruit het Hof afleidde dat het bestuur niet onafhankelijk was en dat belanghebbende daarom de zeggenschap behield, wat tot transparantie leidde. Hier moest overigens alsnog verwijzing volgen omdat het Hof onbegrijpelijk had geoordeeld over bij wie de zeggenschap lag dat het vermogen terug kon keren tot het vermogen van belanghebbende.
- —
In BNB 1986/16 was de oprichter tevens enig bestuurder die over alle middelen kon beschikken, uitkeringen kon doen, en kon bepalen wat de bestemming van het liquidatiesaldo zou zijn. Desondanks is deze zaak terugverwezen omdat het Hof zijn verm oeden dat er op basis van de statuten geen wezenlijke beperking was van belanghebbendes bevoegdheid om uitkering te doen, niet voldoende onderbouwd had.
- —
In BNB 1987/247 was de oprichter eveneens bestuurder. Als bestuurder kon hij — op basis van de statuten — bepalen waar het vermogen voor aangewend werd, en de stichting liquideren, wat leidde tot transparantie. Niet vereist was dat hij daarover ook daadwerkelijk heeft beschikt. Deze overweging onderschrijft naar de mening van [X] wederom het belang van de juridische vormgeving en het gebrek aan belang van de feitelijke eindsituatie.
- —
In BNB 1989/228 werd transparantie verworpen omdat er meerdere betrokkenen een zekere mate van zeggenschap hadden op basis van de statuten en er voor beslissingen omtrent wijzigingen van de statuten/liquidatie een meerderheid benodigd was, en geen enkele betrokkene daarom voldoende eigen beschikkingsmacht had.
- —
In BNB 2015/11 werd op basis van de administratievoorwaarden geoordeeld dat de oprichters van de stichting op elk door hen gewenst moment het vermogen weer binnen hun eigen invloedsfeer konden brengen, wat leidde tot transparantie.
3.4
In uw hiervoor weergegeven transparantiejurisprudentie start u steeds bij de juridische vormgeving: wat is bepaald in de statuten en eventuele andere juridische documenten? Vervolgens wordt beoordeeld hoe deze juridische werkelijkheid feitelijk uitwerkt door te beoordelen of en in hoeverre de oprichter op basis van die civiel juridische documenten waarvan de uitvoering juridisch afdwingbaar is, daadwerkelijk beschikkingsmacht over het vermogen heeft (de derde toets die de A-G in zijn samenvatting beschrijft]. Concreet wordt steeds gekeken naar de macht van de oprichter zelf: hij is zelf bestuurder en kan daarom bepalen waarvoor het vermogen wordt aangewend (onder meer door liquidatie). Of de oprichter is degene die het bestuur op juridische gronden onder controle heeft, bijvoorbeeld doordat hij het bestuur kan vervangen. De laatste variant is dat de oprichter het vermogen naar zichzelf terug kan brengen zonder dat hij het bestuur daarvoor nodig heeft. In alle drie deze gevallen zijn de civiel-juridische vormgeving, het samenstel van afdwingbare afspraken, en de positie die de belastingplichtige daarbinnen inneemt, bepalend.
3.5
Dit stelsel past in uw uitspraak zoals deze geformuleerd is in BNB 1986/16:
‘dat een belastingplichtige over het in een stichting aanwezige vermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen’.
Over het eigen vermogen kan een belastingplichtige dusdanig beschikken, dat niemand hem iets in de weg kan leggen en dat hij niemand anders nodig heeft, om het vermogen te beheren en aan te wenden zoals hem goeddunkt. Dit is dus niet de situatie, indien de medewerking van het bestuur noodzakelijk is en de belastingplichtige deze medewerking van het bestuur niet juridisch afkan dwingen. Dan kan hij immers niet beschikken als ware het zijn eigen vermogen.
3.6
Het Hof geeft echter in rov. 4.6 dit stelsel genegeerd en geen verder inzicht gegeven in de toets die hij aanlegt, waardoor hij onvoldoende inzicht geeft in zijn gedachtegang.
3.7
Op basis van de uitwerking die het Hof vervolgens in rov. 4.8–4.10 heeft toegepast, toetst hij echter in het geheel niet de juridische vormgeving noch de plaats die [X] daarin inneemt. Het Hof beperkt zijn beoordeling tot omstandigheden die op grond van de jurisprudentie van uw Raad niet van belang, of in ieder geval niet doorslaggevend zijn. In BNB 1987/247 benadrukte u zelfs dat daadwerkelijk beschikken niet vereist is voor enige beslissing hieromtrent. Het Hof bespreekt vervolgens niet die omstandigheden die in al uw jurisprudentie wél bepalend geacht worden. Mitsdien is de uitspraak in strijd met het recht en onvoldoende met redenen omkleed. Het Hof legt aldus een onjuist toetsingskader aan op grond van de jurisprudentie van uw Raad.
3.8
Voor de volledigheid zij opgemerkt dat de rechtbank wel het juiste toetsingskader heeft aangelegd in rov. 4.7 door te beginnen bij de statuten van de SPF en (het gebrek aan) andere ‘officiële, ondertekende documenten’. Vervolgens stelde de rechtbank in rov. 4.9 vast dat er op deze (civiel-juridische) basis sprake is van exclusieve beslissingsbevoegdheid van het bestuur van de SPF, uitgevoerd door [B]. De (civiel-juridische, dus afdwingbare) bevoegdheid van [X] was beperkt tot niet meer dan het doen van verzoeken of voorstellen. Een redelijke wetsuitleg brengt daarom volgens de rechtbank mee dat de in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingskaders omtrent toerekening van vermogen van entiteiten op grond van beschikkingsmacht, in deze situatie toepassing missen. Zoals in paragraaf 2 opgemerkt, is dit tevens in lijn met de parlementaire geschiedenis, waarin deze ‘beschikkingsmacht’, bezien vanuit de feitelijke uitkomsten, expliciet besproken is geworden als niet meer relevant.
3.9
In rov. 4.7 vat het Hof de algemene kenmerkende karakteristieken zoals blijkt uit de trustarresten van uw Raad13. samen. Vervolgens oordeelt hij in rov. 4.8 dat deze arresten niet van toepassing zijn op de onderhavige casus. [X] maakt hieruit op dat het Hof hiermee bedoeld heeft te stellen dat uitsluitend rechtsfiguren die exact aan de trustarresten voldoen kunnen kwalificeren als ‘zwevend vermogen’ en dus enkel die gevallen onder het bereik van artikel 2.14a gebracht kunnen worden. Zo een beperking van het toepassingsbereik van artikel 2.14a is in strijd met zowel de inhoud van artikel 2.14a (waarin een eigen kader voor daaronder vallende rechtsfiguren vervat is in de leden 1 t/m 3) als in strijd met de parlementaire geschiedenis, welke eveneens naar de regels opgenomen in artikel 2.14a verwijst, verwezen zij naar de wetsgeschiedenis opgenomen onder #2.14 hierboven.
3.10
[X] leidt uit rov. 4.7 en het begin van rov. 4.8 af dat het Hof van mening is dat er geen sprake is van een APV als bedoeld in artikel 2.14a Wet IB 2001 omdat er geen begunstigden met naam en toenaam zijn aangewezen in de statuten en een getekende Letter of Wishes ontbreekt. Dit is een naar de mening van [X] onjuiste beoordeling van de feiten, waarover in het volgende middel meer, maar bovendien is deze omstandigheid volgens de wettelijke bepaling en bijbehorende wetsgeschiedenis niet van belang. In de wetsgeschiedenis is opgemerkt:
‘Verder kan het begrip ‘meer dan bijkomstig’ zien op zowel activiteiten (een activiteitentoets) als op de aard en de grootte van het vermogen (een vermogenstoets). Een voorbeeld is de situatie waarin een stichting bijvoorbeeld € 5 000 000 aanhoudt voor een niet nader omschreven doel In enig jaar is slechts voor €100 000 aan uitkeringen gedaan aan familieleden van de inbrenger. Hier is sprake van een afgezonderd particulier vermogen in de zin van artikel 2.14a Wet inkomstenbelasting 2001, omdat de feitelijke activiteiten gericht zijn op het particuliere belang. ’14.
[Nadruk DB/AH]
3.11
Ook volgens de jurisprudentie is het al dan niet aanwijzen van beneficiaries bij naam niet van belang. Verwezen zij naar bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 28 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9202 en ECLI:NL:GHARL:2021:9196 en Rechtbank Gelderland 12 oktober 2020, AWB 18/6554, ECLI:NL:RBGEL:2020:5410 waarin de kringvan potentiële verkrijgers onbepaald was. Dit deed niet af aan de kwalificatie als afgezonderd particulier vermogen. Zie in omgekeerde zin ook uw uitspraak van 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:367, BNB 2021/111, waarin u in rechtsoverweging 4.1.3 oordeelt:
‘Anders dan het middel betoogt, is voor het aanmerken van vermogen als non-discretionair niet voldoende dat dit vermogen moet worden aangewend voor de personen die als begunstigden zijn aangewezen door degene die het vermogen heeft afgezonderd. Die enkele omstandigheid brengt namelijk nog niet mee dat (een of meer van) de begunstigden jegens dat vermogen een concreetjuridisch afdwingbaar recht verkrijgen,’
[nadruk DB/AH]
3.12
Naar [X] begrijpt, doet het vraagstuk van het aanwijzen van het al dan niet meer of minder concreet aanwijzen begunstigden, volgens uw jurisprudentie niet af aan het discretionaire karakter. Het oordeel van het Hof is daarmee ook op grond van uw jurisprudentie onjuist.
3.13
Indien het Hof iets anders bedoeld heeft, is zijn gedachtegang niet inzichtelijk gemaakt en is zijn oordeel bovendien gestoeld op gronden die zijn beslissing niet kunnen dragen.
3.14
Tot slot het volgende, voor het geval u van mening bent dat dit af te leiden zou zijn uit de uitspraak van het Hof. Tot op zekere hoogte valt af te leiden uit de jurisprudentie van uw Raad dat de situatie van een revocable, herroepbaar, doelvermogen, een eigen fiscale behandelingswijze vereist. Indien dit naar uw mening zo blijft na de invoering van artikel 2.14a Wet IB 2001 en in weerwil van de wetsgeschiedenis (zie #2.14], merkt [X] het volgende op.
3.15
Bij een herroepbaar doelvermogen is de juridische vorm zo dat het vermogen te allen tijde herroepbaar door de insteller en daardoor blijft het fiscaal gezien te allen tijde aan hem toegerekend. Op basis van uw jurisprudentie, recentelijk in ECLI:NL:HR:2021:212, moet dit echter volgen uit de juridische vormgeving (oprichtingsakte en aanvullende oprichtingsakte] en de feitelijke uitwerking die daaraan wordt gegeven. In deze procedure is door Hof en A-G nadrukkelijk gekeken naar de juridische vormgeving en geconstateerd dat er civielrechtelijk reeds geen sprake was van een afgescheiden vermogen, waarbij een van de in aanmerking genomen feiten was dat de Stifter te allen tijde de mogelijkheid had zijn inbreng te herroepen (zie ook #3.5–3.8 tiendagenstuk]. Dezelfde ‘herroepbaarheid’ achtte u ook relevant in bijvoorbeeld BNB 2015/11, waar de oprichters zich op basis van de administratievoorwaarden, te allen tijde zich in de plaats konden stellen van de certificaathouders, waarmee zij effectief het vermogen weer terugontvingen.
3.16
In casu staat onomstotelijk vast dat geen sprake is van enige vorm van mogelijkheid tot herroeping. Het Hof noch de rechtbank hebben hieromtrent enig feit vastgesteld, zodat in cassatie daarvan moet worden uitgegaan. Zodoende kan naar de mening van [X] niet toegekomen worden aan het vraagstuk of er sprake is van een zogenoemde revocable, herroepbaar doelvermogen en de vraag of een herroepbaar doelvermogen anders behandeld dient te worden, ook na de invoering van artikel 2.14a Wet IB 2001. Indien de uitspraak van het Hof desondanks zo gelezen dient te worden, is het oordeel van het Hof in strijd met de wet en onvoldoende gemotiveerd.
4) Cassatiemiddel IV onjuiste aanleg toetsingskader beschikken als ware het eigen vermogen
Schending althans verkeerde toepassing van artikel 8:77 van de Awb althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, omdat het Hof op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans zonder nadere motivering — welke ontbreekt — onbegrijpelijk zijn, in rov. 4.8–4.10 heeft geoordeeld dat [X] is blijven beschikken over het vermogen van de SPF als ware het zijn eigen vermogen, zulks op gronden welke deze beslissing niet kunnen dragen zoals hierna zal worden toegelicht.
4.1
Zoals in de vorige twee cassatiemiddelen reeds is betoogd, is [X] van mening dat het Hof op alle onderdelen een volstrekt onjuist toetsingskader heeft aangelegd. Het Hof heeft daarenboven het door zijn in rov. 4.6–4.7 omschreven toetsingskader, niet aangelegd door het niet beoordelen van de civiel-juridische werkelijkheid. Hierdoor is zijn oordeel in het geheel innerlijk tegenstrijdig.
4.2
Daarnaast is de analyse van het Hof in rov. 4.8–4.10 ook op basis van de in cassatie vaststaande feiten onjuist en ook nog eens innerlijk tegenstrijdig.
4.3
Of begunstigden zijn aangewezen, is niet beslissend in de vraag of de afzondering van het vermogen vervolmaakt is geworden. Bij een normale Nederlandse stichting vindt immers ook afzondering van vermogen in de dode hand plaats zonder dat er begunstigden aangewezen worden. Internationale vergelijkbare voorbeelden zijn Amerikaanse trustfiguren waarin werknemersverzekeringen en -pensioenen geregeld worden voor alle werknemers van een bedrijf, of goede doelen-organisaties met een brede missie maar die in concreto individuen steunen. Voor een SPF is slechts een statutair doel juridisch noodzakelijk om de afzondering van vermogen te vervolmaken. De overweging van het Hof dat er daardoor een ‘manco’ zou zijn, is daarmee zinledig en onbegrijpelijk.
4.4
Over de feitelijke vaststelling van het Hof ten aanzien van het aanwezig zijn van beneficiaries en de plaats van [X] daarbinnen het volgende. De statuten15. in artikel 2, lid 1 omschrijven het doel van de SPF als ‘to preserve and manage assets contributed to the Trust for the ultimate benefit of the members of the family who are beneficiaries.’ Het bestuur van de SPF (namens [B] [C] (roepnaam ‘[C]’]) er was er vanaf de oprichting bekend mee dat dit betekende dat zij als bestuurder van SPF [D] in het belang van de familie van de inbrenger van het vermogen ([X2]) als geheel diende te handelen. Voorafgaand aan de oprichting is gebruik gemaakt van een ‘Formation Sheet’, d.d. 8 december 1999,16. waarin het doel van de SPF als volgt omschreven stond:
‘To preserve and manage the assets contributed to it for the ultimate benefit of the members of the family of those who contributed assets to it’.
Dit was de voor het bestuur voldoende verduidelijking om zijn taken te kunnen vervullen.
4.5
In 2010 waren er geen begunstigden bij naam aangewezen, zoals het Hof heeft vastgesteld in rov. 2.14–2.15. Dit had, zoals in rov. 2.15 beschreven, gevolgen voor de rechten die de statuten aan bij naam aangewezen beneficiaries toekent op grond van de artikelen 3, 4 en 7 (het aanvullen van het bestuur in het geval van vacatures en een consultatierecht indien het bestuur een director wil ontslaan). Er waren geen begunstigden die deze rechten juridisch afdwingbaar of anderszins konden uitoefenen. Hierbij merkt [X] op dat [C] namens [H]/[B] vanaf de oprichting 1999 tot en met de liquidatie in 2012 feitelijk de bestuurder is geweest17., daargelaten de naamswijzigingen bij [H]/[B]. Feitelijk zijn deze bevoegdheden dus ook nooit uitgeoefend.
4.6
In lid 2 onder b van artikel 2 van de statuten staat dat de SPF haar doel probeert te bereiken onder meer door ‘paying contributions from her assets to the institutions and persons meant in the previous paragraph (…)’. De overweging van het Hof dat het van belang zou zijn dat [X2] zelf niet als beneficiary is aangewezen omdat hij alleen uitkeringen zou kunnen ontvangen als hij bij naam aangewezen zou zijn als beneficiary, is daarmee dan ook feitelijk onjuist. [X] maakt immers onderdeel uit van de kring van mogelijke begunstigden waardoor hij op basis van de statuten uitkeringen kan ontvangen. Hij is daarbij onderdeel van de familie met wiens belangen rekening gehouden moeten worden door het bestuur op basis van de statuten. De aanname van het Hof dat enkel is gehandeld overeenkomstig de wensen van [X] en geen rekening gehouden is met de beneficiaries is een onjuiste lezing van de bestuurstaak die zich niet verdraagt met de feiten. Het Hof miskent de nuances in de doelomschrijving en functie van de SPF, waardoor dit vertrekpunt van het Hof zich niet verhoudt met de overwegingen die hij in het vervolg van rov. 4.8–4.10 behandelt.
4.7
Ook feitelijk zijn alle handelingen van het bestuur te plaatsen in de sleutel van het belang van de familie als collectief. Het meewerken aan de liquidatie was immers van belang om te voorkomen dat de familie als collectief in betalingsproblemen zou kunnen komen18. (betalingsproblemen bij [X] leiden immers uiteindelijk tot of een faillissement of een schuld in de boedel en zou aldus een wissel trekken op de familie als geheel) en om te voorkomen dat er periodieke uitkeringen geconstateerd zouden kunnen worden (zie rov. 2.19), wat eveneens in het nadeel van de familie als geheel zou uitpakken. Bovendien is het vermogen dat overbleef na de belastingbetaling ingebracht in een nieuwe SPF (SPF [E])19. met feitelijk dezelfde doelstelling en dezelfde bestuurder ([B] (Caribbean) N.V. in de persoon van — tot haar pensioen — [C]), wat eveneens in het lange termijnbelang van de familie als geheel was. Dat het Hof in rov. 4.8 oordeelt dat niet valt in te zien waarom dit in het belang zou zijn van de beneficiaries, toekomstig of als familie als geheel zoals reeds opgenomen in de statuten van SPF [D], is in het licht van het dossier dan ook onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd.
4.8
Inzake de herstructurering in 2003 het volgende. Herstructurering kan in het belang van de instandhouding van het vermogen geweest zijn dat ten goede moet komen aan de familie. In casu had SPF [D] echter niets te zeggen over deze herstructurering, waardoor het betrekken van dit onderwerp bij het eindoordeel van het Hof geen steun vindt in de feiten.
4.9
De herstructurering in 2003 betrof een herstructurering van de onderneming welke toentertijd geleid werd door de op Aruba woonachtige [F] (titel:
‘President [A]’), en [X2]. Het Hof stelt dat dit gebeurd is zonder dat [H]/[B] zich ‘heeft vergewist’ van de voorwaarden en dit
‘klakkeloos’ heeft ‘gevolgd’ én dat dit aangeeft dat [B] als bestuurder van SPF [D] hiermee enkel de wensen van [X] formaliseerde, wat zou leiden tot
‘beschikken als ware het zijn eigen vermogen’(rov. 4.10).
4.10
Deze tweeledige redenering vindt echter geen grond in het dossier. Verwezen zij naar bijlage 42 van het hoger beroepschrift van de inspecteur, de brief van PwC d.d. 6 april 2011, vraag 8.b (met bijbehorende bijlagen):
- ‘b.
In ons antwoord op vraag 20a. hebben wij opgemerkt dat het bestuur van PF [D] heeft ingestemd en is overgegaan tot verkoop van een deel van de aandelen van [A] N.V. aan [G] N.V. Dit is echter niet juist. Het is niet het bestuur van PF [D] die dit heeft besloten, maar het bestuur van [A] N.V. Het bestuur van PF [D] heeft hiertoe helemaal niet de bevoegdheid.Op grond van artikel 4, lid 4, en lid 7, van de statuten van [A] N.V. (bijlage 3] geschiedt uitgifte van aandelen door de directie en is de directie bevoegd, zonder opdracht van de algemene vergadering van aandeelhouders, overeenkomsten aan te gaan in verband met het nemen van aandelen. Op grond van artikel 5, lid 3, van de statuten is de directie van [A] N.V. bevoegd, zonder opdracht of machtiging van de algemene vergadering van aandeelhouders, te besluiten tot intrekking van aandelen, die in het bezit van de vennootschap zijn.
[B] was hierbij betrokken, niet als bestuurder van PF [D], maar in haar hoedanigheid van bestuurder van [A] N.V. Wij verwijzen onder meer naar het bij vraag lf van deze briefgevoegde besluit (bijlage 4).
Er was geen sprake van een daadwerkelijk verkoop, maar van een intrekking van aandelen door [A] N.V., gevolgd door uitgifte van nieuwe aandelen door [A] N.V. aan onder anderen [G] N.V. De akte tussen [A] N.V. en [G] N.V. hebben wij bijgevoegd als bijlage 11. Tevens hebben wij bijgevoegd een brief van [X2] aan [A] N.V. d.d. 29 oktober 2002, waaruit blijkt dat hij [B] aanschrijft in hoedanigheid van bestuurder van [A] N.V. (bijlage 12).’
[nadruk DB/AH]
4.11
Zowel de fax van 25 november 200320. welke in rov. 2.9 door het Hof is geciteerd als het bestuursbesluit van 6 juli 200421. welke in rov. 2.11 is geciteerd, zijn stukken gericht aan / van [A] NV, en niet van SPF [D]. [B]/[C] was óók bestuurder van de Antilliaanse vennootschap [A] NV. Het handelen van [B] als directeur van [A] NV kan echter niet toegerekend worden aan SPF [D] en dus ook geen betekenis hebben voor de beoordeling van SPF [D].
4.12
Daarbij laat het dossier tevens zien dat [B] in deze herstructurering, anders dan het Hof oordeelt, ‘klakkeloos’ gehandeld heeft. Reeds op 28 juni 200222. geeft het bestuur aan [F] en [X2] aan, dat hij eerst advies ingewonnen wil zien van een fiscaal specialist, voordat hij tot verdere herstructurering over wil gaan. Bij brief van 11 november 200223. vraagt [A] NV, ondertekend door haar bestuurder in de persoon van [C], advies aan E&Y, en geeft zij aan zelf een bespreking te hebben met [F] over de herstructurering. In dezelfde bijlage van het dossier zijn e-mails aanwezig tussen [C] en E&Y waarin advies gegeven is over de herstructurering, en in september 2003 advies door BDO. In reactie op de door het Hof in rov. 2.9 aangehaalde fax heeft [C] namens [A] NV reeds op 27 november 2003,24. dus voor het effectueren van de herstructurering, kritisch gereageerd.
4.13
Gelet op de hiervoor vaststaande feiten welke voor uw Raad genoegzaam uit het dossier blijken, volgt dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is, ontoereikend gemotiveerd is, en strijdig is met de stukken van het geding. Uit de stukken van het geding volgt immers onomstotelijk dat de e redenering van het Hof geen grond vindt in het dossier op beide aspecten: veronderstelde passiviteit van [B] en veronderstelde relevantie van de geciteerde e-mails voor de beoordeling omtrent SPF [D].
4.14
Het Hof oordeelt dat de werkzaamheden van de bestuurder die van normaal bancair vermogensbeheer niet te buiten zijn gegaan en geeft vervolgens een overzicht van feitelijke gebeurtenissen, die een bancair vermogensbeheerder nooit had kunnen uitvoeren: tekeningsbevoegd zijn en het tekenen voor zowel bindende contracten, als het besluiten25. en uitvoeren26. van de liquidatie van de Stichting Particulier Fonds. Ook geeft het Hof in rov. 4.9 gevallen weer waarin het bestuur het uitvoeren van de wensen van [X] geweigerd heeft, iets wat een bancair vermogensbeheerder niet kan doen.
4.15
Indien [X2] daadwerkelijk had kunnen beschikken als ware het zijn eigen vermogen, had hij het bestuur niet nodig had. De door het Hof aangehaalde voorbeelden laten juist zien dat het bestuur noodzakelijk was en dat [X2]'s ‘beschikking’ beperkt was en niet vergelijkbaar met zijn beschikkingsmacht over zijn eigen vermogen.
4.16
Het Hof overweegt in rov. 4.8 dat ‘De werkzaamheden van [H] en [B] zijn beperkt gebleven tot het formaliseren van wat nodig was aan de wensen van [X] Vervolgens beschrijft hij in rov. 4.9 dat [B] geen uitvoering heeft gegeven aan twee verzoeken (wensen) van [X]. Deze twee oordelen zijn innerlijk tegenstrijdig. Het eindoordeel van het Hof dat deze niet-inwilligingen
‘onvoldoende’ zijn voor een andere kwalificatie is niet onderbouwd. Het Hof geeft geen inzicht in zijn gedachtegang en komt tot een conclusie die niet gedragen wordt door zijn eigen motivering.
4.17
Het bestuurderschap van [B] van de SPF kent haar eigen inhoud en grenzen. Zij dient te allen tijde te handelen binnen de statuten.27. Dat laat onverlet dat een stichtingsbestuurder — van een Curaçaose Stichting Particulier Fonds of een Nederlandse Stichting — kan en mag luisteren naar de wensen van insteller of begunstigden, mits er geen redenen zijn om dit niet te doen, bijvoorbeeld ten gevolge van een statutaire beperking. Dit past bij het zorgvuldig handelen van de bestuurder. Het vermogen van de stichting is immers niet het eigen vermogen van de bestuurder. Maar dat maakt de bestuurder die — in lijn met de statuten — een beslissing neemt waarin de door de insteller geuite wens uitgevoerd wordt, nog niet diens willoos werktuig.
4.18
Tegelijkertijd brengt het zijn van bestuurder verantwoordelijkheden met zich mee, zowel ten aanzien van het beheren en voeren van administratie en het vervullen van administratieve taken, als aansprakelijkheid indien de bestuurder niet zorgvuldig handelt.
Dat [B] ook administratieve taken heeft verricht, is dan ook een logisch onderdeel van haar bestuurderschap. Het bestuur moet immers ook zorgdragen voor deze administratieve taken, dat is haar verantwoordelijkheid als bestuur. Hoe de door het Hof als ‘beperkte’ beoordeelde vergoeding een ‘aanwijzing’ zou vormen voor het niet de daadwerkelijke beschikkingsmacht over het vermogen hebben en geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid hebben, licht het Hof niet toe. Het Hof heeft bijvoorbeeld niet beoordeeld hoe veel tijd en kosten bestuurders van rechtspersonen met daarin vergelijkbare vermogens aan tijd en dus kosten kwijt zouden zijn voor zowel het regelen van de administratie als het maken van beslissingen, de enige logische toets om een kwalificatie als ‘beperkt’ te kunnen staven. Ook hier geeft het Hof onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang en ontbreken de gronden voor zijn conclusies.
4.19
Dat de aansprakelijkheid van [B] voor de door haar uitgevoerde bestuurswerkzaamheden op basis van een civielrechtelijke overeenkomst beperkt is, is een niet ongebruikelijke gang van zaken, voor hen die professioneel bestuurswerkzaamheden verrichten. Het is een feit van algemene bekendheid is dat deze civielrechtelijke beperkingen van aansprakelijkheid, juridisch regelmatig geen stand houden en daarom van beperkte betekenis zijn in civiele verhoudingen. Waarom dit, zoals het Hof stelt, zou ondersteunen dat de werkzaamheden van [B] beperkt zijn tot formalisering en dat zij geen beschikkingsmacht zou hebben verkregen, terwijl discussie over de aansprakelijkheid voor fouten daar geen enkel verband mee heeft, licht het Hof niet toe.
4.20
Het kader geschetst in uw transparantierechtspraak, ‘beschikken als ware het eigen vermogen’, gaat naast de juridische macht, in enkele gevallen ook over de uitvoerende beschikkingsmacht: het concreet, fysiek, controle hebben over de bankrekeningen als bestuurder of gemachtigde van de bankrekeningen. Het moet immers gaan om beschikken als ware het eigen vermogen. Als het eigen vermogen is, is niet de handtekening van een ander nodig. Er zijn geen gronden aangevoerd dat deze feitelijke beschikkingsmacht bij [X] aanwezig was, sterker nog, in rov. 4.8 is nogmaals beschreven door het Hof dat alle vormen van deze feitelijke controle lag bij de bestuurder, [H]. Zonder- niet juridisch afdwingbare — handelingen van het bestuur kon [X] niet over het vermogen van SPF [D] ‘beschikken’ in welke vorm dan ook. Het andersluidend eindoordeel van het Hof is onbegrijpelijk.
5) Conclusie
5.1
[X] concludeert tot vernietiging van de aangevallen uitspraak van het Hof en zodanige beslissing als uw Raad juist voorkomt en tot kosten rechtens.
5.2
Voorts verzoekt [X] uw Raad hem in de gelegenheid te stellen het cassatieberoep mondeling toe te lichten.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑02‑2025
Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, p. 55–56 [MvT).’
Kamerstukken II 2008–2009, 31930, nr, 3 p. 11
Zie Kamerstukken II 2008/2009, 31 930, nr. 9, blz. 81.
Later vernummerd naar het zevende lid.
Zie Kamerstukken II 2008–2009, 31930, nr. 3 p.52, tiendagenstuk #2.7–2.8; 2.10; zie ook V-N 2009/22.3, p. 88
Naar wij aannemen heeft het Hof dit arrest bedoeld, zie #12.1
HR 18 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:BI5819, AA2566 en AA2567
Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 3, pagina 54 — 55
Bijlage 6 bij beroepschrift belanghebbende Rechtbank
Zie bijlage 41, motivering hoger beroep van de inspecteur, brief PwC d.d. 6 april 2011, bijlage 9, Formation Sheet / bijlage 44 motivering hoger beroep van de inspecteur, brief PwC d.d. 19 augustus 2011, bijlage 3
Zie bijlage 40, motivering hoger beroep van de Inspecteur, brief van PwC d.d. 27 mei 2010, antwoord vraag 14
Zie bijlage 9 verweerschrift inspecteur, brief PwC 5 februari 2015, vraag ff) p.6
Zie bijlage 4 verweerschrift inspecteur, brief PwC 22 mei 2014, §5
Bijlage 22 conclusie van dupliek Rechtbank
Zie bijlage 42, motivering hoger beroep van de Inspecteur, brief van PwC d.d. 7 april 2011, vraag 8 en bijlage 4, bestuursbesluit [A] NV d.d. 6 juli 2004
Zie bijlage 40, motivering hoger beroep van de Inspecteur, brief van PwC d.d. 27 mei 2010, vraag 20 en bijlage 12, brief [H] NV d.d. 28 juni 2002
Zie bijlage 44, motivering hoger beroep van de Inspecteur, brief van PwC d.d. 19 augustus 2011, bijlage 4, brief d.d. 11 november 2002.
Zie bijlage 44, motivering hoger beroep van de Inspecteur, brief van PwC d.d. 19 augustus 2011, bijlage 4, fax d.d. 27 november 2003
Zie bijlage 9 verweerschrift inspecteur, bestuursbesluiten 12 juni 2012 en 30 juni 2012
Zie bijlage 2 conclusie van repliek, diverse e-mails rondom liquidatie
Zie onder meer artikel 14 LANDSVERORDENING van de 29ste december 2003 houdende vaststelling van de tekst van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao
Uitspraak 14‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting; art. 2.14a Wet IB 2001; beschikkingsmacht over vermogen stichting; transparantierechtspraak (HR 30 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9086) niet achterhaald door invoering wettelijk APV-regime.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/00153
Datum 14 februari 2025
ARREST
in de zaak van
[X1] en [X2] (hierna: belanghebbende 1 respectievelijk belanghebbende 2; tezamen: belanghebbenden)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 december 2022, nrs. 20/00738 tot en met 20/007411., op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/1364 tot en met BRE 17/1367) betreffende de aan belanghebbende 1 respectievelijk belanghebbende 2 voor de jaren 2011 en 2012 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente respectievelijk belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbenden, vertegenwoordigd door D.G. Barmentlo en A.G. Haasnoot, advocaten te Amsterdam, hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
Namens belanghebbenden is de zaak mondeling toegelicht door D.G. Barmentlo en A.G. Haasnoot.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 zijn met elkaar gehuwd en beiden woonachtig in Nederland.
2.2
Belanghebbende 2 heeft op 22 juli 1987 naar het recht van de Nederlandse Antillen een naamloze vennootschap (hierna: de NV) opgericht. Deze vennootschap had een belang van 49 procent van de aandelen in een eveneens naar het recht van de Nederlandse Antillen opgerichte en in Curaçao gevestigde naamloze vennootschap (hierna: [A] NV), die op haar beurt alle aandelen hield in een naar Nederlands recht opgerichte en in Nederland gevestigde besloten vennootschap (hierna: de BV).De overige 51 procent van de aandelen in [A] NV werd middellijk gehouden door een zakenpartner van belanghebbende 2.
2.3
Op 31 december 1999 is naar het recht van de Nederlandse Antillen een stichting particulier fonds (hierna: de SPF) opgericht. Het bestuur van de SPF werd gevoerd door een trustkantoor dat behoorde tot een bankenconcern (hierna: de bestuurder). In de ‘Articles of Incorporation’ is het doel van de SPF als volgt omschreven:
"Article 2
1. The purpose of the foundation is to preserve and manage assets [...] for the ultimate benefit of the members of the family who are beneficiaries.”
2.4
In april 2000 heeft de bestuurder volmacht verleend aan belanghebbende 2 met betrekking tot de bankrekening van de SPF. In die volmacht heeft de bestuurder aan belanghebbende 2 het recht verleend om, zonder enige beperking, in naam van de SPF alle rechten als houder van de bankrekening ten name van de SPF uit te oefenen, tot maximaal het bedrag van de eventueel op die rekening geoorloofde debetstand.
2.5
2.6
Op 25 november 2003 heeft de zakenpartner van belanghebbende 2 de bestuurder namens [A] NV geïnformeerd over een door belanghebbende 2 en hemzelf voorgenomen herstructurering van [A] NV. Deze herstructurering heeft plaatsgevonden op 11 december 2003. In 2007 zijn de aandelen in de BV verkocht aan een derde.
2.7
De voormalige adviseur van belanghebbende 2 heeft bij brief van 23 december 2009 de Inspecteur bericht dat belanghebbende 2 gebruik wenst te maken van de inkeerregeling. Belanghebbende 2 heeft de Inspecteur onder meer op de hoogte gesteld van de hiervoor in 2.5 bedoelde schenking en daarbij vermeld dat de waarde van de aandelen in de NV ƒ 4.200.000 bedroeg.
2.8
In de jaren 2011 en 2012 heeft [A] NV dividenden uitgekeerd aan de SPF. De SPF heeft in 2011 een verlies geleden. Op 13 mei 2012 heeft de SPF haar aandelen in [A] NV verkocht aan een vennootschap waarvan belanghebbende 2 middellijk enig aandeelhouder en bestuurder is. Uiteindelijk, bij haar hierna in 2.9 bedoelde vereffening, heeft de SPF over het jaar 2012 een winst behaald. Het verlies van 2011 is volledig verrekend met die winst.
2.9
Op 12 juni 2012 is de SPF ontbonden. Belanghebbenden hebben een liquidatie-uitkering ontvangen die bestond uit effecten en liquide middelen.
2.10
Bij de aanslagregeling voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2011 en 2012 heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het vermogen van de SPF aan belanghebbenden moet worden toegerekend. Hij heeft daarom de door belanghebbenden voor die jaren aangegeven belastbare inkomens gecorrigeerd en de onderhavige aanslagen opgelegd.
3. De oordelen van het Hof
3.1
3.2
Belanghebbenden hebben ter zitting van het Hof verzocht om overlegging van interne stukken van de Belastingdienst, waaronder een e-mailwisseling tussen de Inspecteur en de “kennisgroep 10a Vpb”, met een volgens belanghebbenden voor de Inspecteur voor deze procedure ongunstige inhoud, die de Inspecteur volgens belanghebbenden met een beroep op artikel 8:29 Awb geheim heeft gehouden. Voorafgaand aan de beoordeling van het geschil heeft het Hof dit verzoek tardief verklaard. De Inspecteur heeft, aldus het Hof, ter zitting verklaard dat hij de door belanghebbenden bedoelde stukken niet aan de geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft overgelegd en dat die stukken pas zijn opgemaakt na de uitspraak van de Rechtbank in de onderhavige procedure. Volgens het Hof hadden belanghebbenden in een eerder stadium kunnen verzoeken die stukken in het geding te brengen en hebben zij geen valide reden aangevoerd waarom dat niet is gebeurd. Het alsnog overleggen van de stukken door de Inspecteur zou meebrengen dat het vooronderzoek zou moeten worden heropend, wat volgens het Hof een aanzienlijke vertraging voor de procedure zou opleveren. De eisen van een goede procesorde verzetten zich onder deze omstandigheden tegen honorering van het onderhavige verzoek van belanghebbenden, aldus het Hof.
3.3
Belanghebbenden voerden in hoger beroep aan dat toerekening op grond van de transparantierechtspraak van vermogen van een stichting aan degene die dat vermogen heeft ingebracht, is achterhaald door invoering per 1 januari 2010 van artikel 2.14a Wet IB 2001. Toerekening anders dan op basis van het regime voor afgezonderd particulier vermogen zoals bedoeld in die bepaling is volgens belanghebbenden niet mogelijk.
3.4
Het Hof heeft dit betoog verworpen. Het heeft daartoe geoordeeld dat de vraag of vermogen is afgezonderd, voor welke vraag de transparantierechtspraak van belang is, voorafgaat aan de toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001. Met die bepaling heeft de wetgever volgens het Hof weliswaar beoogd een sluitende regeling te treffen, maar slechts voor gevallen waarin een vermogensafzondering heeft plaatsgevonden. Bij beschikken over het vermogen van een stichting particulier fonds als ware dat het eigen vermogen van de belastingplichtige is een vermogensafzondering niet aan de orde en de toepassing van artikel 2.14a Wet IB 2001 dus evenmin, aldus het Hof.
4. Beoordeling van de middelen
4.1.1
Middel I is gericht tegen de hiervoor in 3.2 bedoelde tardiefverklaring van het verzoek van belanghebbenden om overlegging van bepaalde e-mailcorrespondentie.
4.1.2
Uit rechtsoverwegingen 4.0.1 en 4.0.2 van de uitspraak van het Hof in samenhang gelezen met het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof, moet worden afgeleid dat het verzoek van belanghebbenden en de reactie daarop van de Inspecteur niet betrekking hebben op dezelfde stukken. Blijkens rechtsoverweging 4.0.3 van zijn uitspraak heeft het Hof bij zijn beslissing op dat verzoek in het midden gelaten om welke stukken het ging.
4.1.3
Indien het verzoek van belanghebbenden betrekking had op stukken die waren opgemaakt na de uitspraak van de Rechtbank (hierna: de nieuwe stukken), geldt het volgende.Gelet op het proces-verbaal van de zitting van het Hof hebben de door de Inspecteur bedoelde stukken betrekking op een verzoek van de Inspecteur aan een kennisgroep dat is gedaan na de uitspraak van de Rechtbank en dat heeft geresulteerd in een overleg en een memo. De in dat memo neergelegde bevindingen heeft de Inspecteur verwerkt in zijn nadere stuk voor het Hof. Daarom moet worden aangenomen dat de nieuwe stukken van belang konden zijn voor de beslechting van een nog bestaand geschilpunt. Dergelijke stukken behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb die de inspecteur uit eigen beweging aan de rechter over moet leggen, ook indien die stukken pas in de loop van het hoger beroep ter beschikking van de inspecteur zijn gekomen.Indien dergelijke stukken ter beschikking van de inspecteur komen na afloop van de in artikel 8:42 Awb bedoelde termijn, dient hij deze alsnog onverwijld aan de rechter toe te zenden.3.De Inspecteur had de nieuwe stukken dus alsnog onverwijld aan het Hof moeten toezenden. Dat heeft de Inspecteur niet gedaan. In deze omstandigheden had het Hof het verzoek van belanghebbenden niet met een beroep op de goede procesorde mogen afwijzen, maar had het de Inspecteur moeten opdragen de desbetreffende stukken alsnog in het geding te brengen.
4.1.4
Indien het verzoek van belanghebbenden betrekking had op stukken die de Inspecteur eerder aan de Rechtbank had overgelegd, en die met een – door de geheimhoudingskamer van de Rechtbank gehonoreerd – beroep op artikel 8:29 Awb waren geheimgehouden (hierna: de oude stukken), had het Hof het verzoek van belanghebbenden evenmin tardief mogen verklaren. Immers, de Inspecteur had de oude stukken bij zijn hogerberoepschrift aan het Hof moeten toezenden, eventueel in geanonimiseerde vorm met een herhaald beroep op artikel 8:29 Awb, welk beroep het Hof dan had moeten beoordelen.4.De Inspecteur heeft echter verzuimd de oude stukken toe te zenden en dit verzuim was voor het Hof kenbaar. Het Hof had dan ook, op enig moment tijdens het vooronderzoek en uiterlijk ter zitting, de Inspecteur moeten opdragen de oude stukken alsnog in het geding te brengen. Het Hof was daartoe ook zonder verzoek van belanghebbenden gehouden.5.
4.1.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1.2 tot en met 4.1.4 is overwogen, slaagt middel I.
4.2.1
Middel II is gericht tegen de hiervoor in 3.4 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt met een beroep op de wetsgeschiedenis en de wetssystematiek dat de transparantierechtspraak is achterhaald door de invoering van artikel 2.14a Wet IB 2001. Met die bepaling heeft de wetgever een sluitend systeem gecreëerd voor afgezonderde particuliere vermogens die voldoen aan de vereisten zoals geformuleerd in artikel 2.14a, leden 2, 3 en 4, Wet IB 2001 zodat voor de toepassing van de transparantierechtspraak geen plaats meer is, aldus het middel.
4.2.2
Middel II faalt, omdat de hiervoor in 3.4 weergegeven oordelen van het Hof juist zijn. Artikel 2.14a Wet IB 2001 ziet enkel op gevallen waarin vaststaat dat een bepaald vermogen is afgezonderd. Beantwoording van de vraag of een bepaald vermogen is afgezonderd, gaat dus vooraf aan de toepasbaarheid van die bepaling. Voor de beantwoording van deze vraag is – anders dan het middel betoogt – de transparantierechtspraak van belang. Indien vaststaat of alsnog komt vast te staan dat de belastingplichtige over een bij een derde, zoals in dit geval de SPF, ondergebracht vermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen, is dat vermogen niet een afgezonderd vermogen als bedoeld in artikel 2.14a Wet IB 2001.6.
4.3
Middel III is gericht tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende 2 over het vermogen van de SPF heeft kunnen beschikken als ware het zijn eigen vermogen.Voor zover het middel betoogt dat het Hof daarbij een onjuist dan wel onvolledig toetsingskader heeft gehanteerd, faalt het. De rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7 van de uitspraak van het Hof geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.Voor zover het middel zich richt tegen de door het Hof in rechtsoverwegingen 4.8 tot en met 4.10 gegeven oordelen, blijft behandeling daarvan achterwege, gelet op hetgeen hierna in 4.4 wordt overwogen.
4.4
Hetgeen hiervoor in 4.1.5 is overwogen, brengt mee dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen om, met inachtneming van hetgeen hiervoor in 4.1.3 en 4.1.4 is overwogen, opnieuw te beoordelen of belanghebbende 2 over het vermogen van de SPF kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbenden te vergoeden het griffierecht dat voor de behandeling van het beroep in cassatie is betaald van € 136, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbenden voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.628 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑02‑2025
HR 30 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9086, en HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:212.
Vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, rechtsoverweging 3.4.2, onder ii.
Vgl. HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3600, rechtsoverweging 2.3.2.
Vgl. HR 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670, rechtsoverweging 2.2.2 en 2.2.4.
Vgl. HR 30 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9086, rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2, en HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:212, rechtsoverweging 2.4.2.