Arbeidsrecht en insolventie
Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/8.7.3:8.7.3 Artikel 7:665a BW en het recht op informatie
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/8.7.3
8.7.3 Artikel 7:665a BW en het recht op informatie
Documentgegevens:
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS298793:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 18 april 2002, Stb. 215, Kamerstukken II 2001/02, 27469; zie Beltzer, in T&C Arbeidsrecht, artikel 7:665a BW, aant. 1.
Beltzer, in T&C Arbeidsrecht artikel 7:665a BW, aant. 1.
HR 19 april 2013, NJ 2013, 291, m.nt. Verstijlen, JOR 2013/224, m.nt. Boekraad (Koot/Tideman q.q.).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deze regels verplichten een werkgever in het geval er geen OR of PVT is ingesteld de individuele werknemers te informeren in geval van een overname die als overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 e.v. BW kan worden gekwalificeerd over onder meer de reden van de overgang, de juridische, economische en sociale gevolgen van de overgang voor de werknemers en de maatregelen die ten aanzien van die werknemers zijn overwogen. Dit kan dus gaan om ondernemingen met minder dan 50 werknemers, maar ook grotere ondernemingen die om andere redenen geen OR hebben ingesteld. Strikt genomen valt dit artikel derhalve buiten het kader van de medezeggenschap in de in dit hoofdstuk bedoelde zin, maar tegelijkertijd is het er nauw mee verbonden, omdat deze regeling in de Nederlandse wet een gevolg is van de verplichting die voortvloeit uit artikel 7 van EU-richtlijn betreffende overgang van onderneming die bepaalde informatierechten aan (groepen) werknemers toekent. De uit de richtlijn voortvloeiende verplichting geldt ten aanzien van alle werknemers, maar was in Nederland alleen geïmplementeerd ten aanzien van ondernemingen met een OR of een PVT; met invoering van dit wetsartikel in 2002 is in deze lacune voorzien.1 Dit artikel geldt ook tijdens faillissement. Weliswaar is in artikel 7:666 bepaald dat de regels omtrent overgang van onderneming niet gelden als de overgang een gevolg is van faillissement, maar daarin wordt uitdrukkelijk verwezen naar (slechts) de artikelen 7:662 tot en met 665 BW en is dit artikel dus niet genoemd. Dat betekent dat ook op curatoren in kleinere faillissementen een verplichting rust jegens werknemers. Er is bewust voor gekozen dit artikel niet in de WOR op te nemen, kennelijk om de geschillenregeling van artikel 36 WOR hier niet van overeenkomstige toepassing op te laten zijn.2 Wel is in de wetsgeschiedenis aan de orde geweest dat schending van deze bepaling tot een onrechtmatige daad jegens de werknemers leidt.3 Dat zou dan ook gelden voor de curator. De schadevergoeding zou dan een boedelschuld opleveren, nu het gaat om schending van de curator van een (wettelijke) verplichting c.q. verbintenis.4 Vraag is natuurlijk wel wat de schade is die werknemers lijden, maar dat curatoren deze verplichting dienen na te komen is evident.