Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/4.4.3
4.4.3 Efficiëntiemaatstaven: Pareto-efficiëntie en Kaldor-Hicks-efficiëntie
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300434:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie specifiek in het kader van het meten en vergelijken van de effecten van marktingrijpen voor verschillende personen Hovenkamp 1994, p. 37. Zo ook Lawson 1992, p. 60: “Reliance on this kind of interpretive knowledge of human behavior, however, requires one to go beyond what many economists might regard as the proper domain of economic science”. Inmiddels lijkt het tij te keren; zie voor overzichten van recent onderzoek naar ‘nut’ en ‘geluk’ vanuit een meer psychologische invalshoek Angner 2010; Bruni & Porta 2011.
Craswell 1998, p. 1450. Beide maatstaven zijn vernoemd naar de auteurs die de concepten hebben geïntroduceerd die eraan ten grondslag liggen.
Zie voetnoot 59 van dit hoofdstuk. De bezwaren tegen ‘interpersonal utility comparisons’ uit paragraaf 4.4.2 spelen in de literatuur over de hier te bespreken efficiëntiemaatstaven nauwelijks een rol. Uitzondering vormen Calabresi 1984, p. 851; Friedman 2000, p. 25.
Zie bijvoorbeeld Cirace 1990, p. 1149. Een groot gedeelte van de literatuur over efficiëntiemaatstaven gaat daarom over ‘(implied) consent’ van degene die slechter af zou raken. Zie bijvoorbeeld Posner 1980, p. 491 e.v.; Coleman 1982, p. 1117; Cooter & Ulen 2016, p. 42.
Cooter & Ulen 2016, p. 14.
Posner 1979, p. 120.
1979, p. 114; Chang 2015b, p. 511.
Posner 1980, p. 488. Dit betekent tevens dat tegemoet is gekomen aan het bezwaar van ‘interpersonal utility comparisons’; elke partij heeft besloten dat zijn eigen nut niet wordt verminderd; zie Hovenkamp 2000, p. 806.
Craswell 1998, p. 1450; Hoffman & O’Shea 2002, p. 368.
Posner 2011, p. 18. Er zijn ook andere, minder bekende efficiëntiecriteria in omloop; zie bijvoorbeeld Zerbe 2001, p. 14 e.v. Deze worden door minder economen onderschreven en gebruik ik daarom in dit onderzoek niet.
Deze worden hier uitgedrukt in de bereidheid om te betalen voor het nut dat wordt verkregen of niet wordt verloren (‘willingness to pay’); Baker 1980, p. 939. Zie hierover voetnoot 50 van dit hoofdstuk.
Posner 2011, p. 19.
Het Kaldor-Hicks-efficiëntiecriterium zou dan weer vervallen in Pareto-efficiëntie. Dit wordt nodig noch wenselijk geacht; zie Baker 1980, p. 943-944.
Friedman 2000, p. 17. Zie voor een discussie over dit argument Hausman & McPherson 2006, p. 147 en in algemene zin voetnoot 66 van dit hoofdstuk.
Zie hierover Adler & Posner 1999, p. 190.
Posner 1980, p. 492. Dit argument lijkt op de Rawlsiaanse ‘veil of ignorance’, maar is niet helemaal hetzelfde; onder de ‘veil of ignorance’ wordt het nut van de minst verkieslijke posities in een maatschappij gemaximaliseerd in plaats van de maatschappelijke welvaart als geheel.
Zie Craswell 1998, p. 1451 e.v. voor een opsomming. De terminologie is daarbij niet geheel vast; zie Posner 2000, p. 1153 voor de verschillen tussen enkele van de meest gebruikte alternatieven.
Deze maatstaf is gepopulariseerd door de (rechts)econoom Posner; zie bijvoorbeeld Posner 1979; Posner 1985. Zie voor de verhouding tussen ‘wealth maximization’ en de Kaldor-Hicks-efficiëntiemaatstaf Coleman 1982, p. 1114; Cirace 1990, p. 1150; Craswell 1998, p. 1452. Tegenwoordig wordt deze opvatting minder (expliciet) aangehangen; zie Towfigh 2015, p. 22.
Lawson 1992, p. 93.
134. Economen zijn er lang huiverig voor geweest om inzichten uit andere disciplines een centrale plaats in hun theorieën toe te bedelen.1 In plaats daarvan maakten en maken zij gebruik van een tweetal economische maatstaven om te bepalen of een maatregel efficiënt is: Pareto-efficiëntie en Kaldor-Hicks-efficiëntie.2 Deze maatstaven zijn dankbaar overgenomen door rechtseconomen, die ze gebruiken om marktingrijpen te rechtvaardigen. Wanneer rechtseconomen het hebben over het ‘rechtvaardigen’ van marktingrijpen aan de hand van Pareto-efficiëntie of Kaldor-Hicks-efficiëntie, dan gaan zij er vaak impliciet van uit dat het mogelijk is om de gevolgen te vergelijken die een maatregel voor verschillende mensen heeft.3 Er wordt dus niet gezocht naar een rechtvaardiging voor het kunnen vergelijken van de gevolgen voor verschillende mensen. In plaats daarvan wordt met ‘rechtvaardigen’ vooral gedoeld op het legitimeren van een maatregel die tot gevolg zou kunnen hebben dat de persoonlijke welvaart van sommige individuen in de maatschappij kan afnemen.4 Zowel Pareto-efficiëntie als Kaldor-Hicks-efficiëntie zijn terug te voeren op het feit dat in een transactiekostenloze wereld (zie randnummer 109) géén van de partijen slechter af zou zijn geweest door een herverdeling van subjectieve rechten; partijen zouden zelf hebben kunnen door blijven onderhandelen totdat ze een optimale verdeling van middelen hadden bereikt.
135. Pareto-efficiëntie sluit aan bij het feit dat in de fictieve transactiekostenloze wereld efficiëntie bereikt wordt doordat partijen vrijwillig transacties aangaan. Een verdeling van aanspraken op schaarse middelen is Pareto-efficiënt als het niet meer mogelijk is om de middelen zodanig te herverdelen dat in ieder geval één iemand beter af is, zonder dat er iemand anders slechter af is.5 Dit betekent dat alleen wordt overgaan tot het herverdelen van aanspraken op schaarse middelen als niemand er daardoor op achteruit gaat. Als beslissingsmaatstaf biedt deze vorm van efficiëntie een veilig criterium: er worden geen persoonlijke belangen geschaad door het efficiënter maken van een verdeling. Het voordeel van dit criterium is dat het de gebruiker ervan in staat stelt om met absolute zekerheid te zeggen dat een bepaalde verandering de maatschappelijke welvaart verhoogt.6 Het nadeel van het criterium is dat er bijna nooit aan voldaan zal zijn.7 De enige manier om zeker te weten dat een maatregel efficiënt is, is te laten zien dat iedereen die door de maatregel wordt geraakt, met de maatregel heeft ingestemd.8 Voor het maken van (rechts)regels is dat vaak geen werkbaar criterium. Er is weinig wetgeving die unaniem wordt aangenomen en met een juridische uitspraak is meestal (welhaast per definitie) één partij het oneens.9 Marktingrijpen door regels op te stellen voor de toewijzing van subjectieve rechten is dus slechts in uitzonderingsgevallen te rechtvaardigen op basis van dit criterium.
136. Wanneer economen het hebben over de efficiëntie van een maatregel, dan gebruiken zij daarom negen van de tien keer een iets aangepaste versie van Pareto-efficiëntie, de zogenaamde Kaldor-Hicks-efficiëntie.10 Deze aanpassing ziet op het samenvoegen van de kosten en baten van een verandering.11 Marktingrijpen is efficiënt indien degenen die er door de verandering op vooruit gaan, er zóveel op vooruitgaan dat zij degenen die er op achteruit gaan zouden kunnen compenseren. 12Het is voor toepassing van het criterium echter niet nodig dat deze compensatie daadwerkelijk plaatsvindt.13 Wanneer Kaldor-Hicks-efficiëntie wordt gebruikt als maatstaf zal daarom vaak herverdeling plaatsvinden waar niet iedereen het mee eens is. Maximale efficiëntie is volgens deze maatstaf bereikt indien het niet meer mogelijk is een verandering door te voeren die het saldo van kosten en baten verhoogt. In die situatie is de maximale maatschappelijke welvaart bereikt. Een argument voor het gebruiken van Kaldor-Hicks-efficiëntie als maatstaf binnen de (rechts)economie is dat daarmee de totale hoeveelheid welvaart wordt verhoogd, waarmee de (rechts)economie haar taak heeft vervuld. Het is daarna aan andere disciplines (de politiek, ethici) om deze welvaart te verdelen.14 Een ander argument kan worden gevonden in het feit dat de partij die ditmaal ‘verliest’, gecompenseerd wordt als hij een volgende keer ‘wint’, waardoor iedereen beter af is (omdat de maatschappelijke welvaart wordt verhoogd).15 Ten slotte zou men kunnen zeggen dat alle partijen met het verhogen van de maatschappelijke welvaart op voorhand – zonder te weten of ze aan de ‘winnende’ of de ‘verliezende’ kant komen te staan – waarschijnlijk zullen instemmen; er is dus sprake van ‘implied consent’.16 Er zijn veel varianten van de Kaldor-Hicks-efficiëntiemaatstaf in omloop.17 Veel juristen maken gebruik van de zogenaamde ‘wealth maximization’ maatstaf.18 Om het gebruik van de Kaldor-Hicks-efficiëntiemaatstaf te vergemakkelijken, wordt in deze variant niet gekeken naar het nut dat mensen aan een maatregel ontlenen, maar de hoeveelheid geld die zij bereid zijn te betalen om iets te verkrijgen of te behouden. Daardoor zou het eenvoudiger zijn om de gevolgen van verschillende maatregelen en transacties te vergelijken.19
137. De beide efficiëntiemaatstaven hebben ieder zo hun vóór- en nadelen. Bij Pareto-efficiëntie stemmen alle partijen in met een maatregel, maar bestaat de kans dat een groot aantal maatregelen die de maatschappelijke welvaart kunnen verhogen achterwege blijft. Bij Kaldor-Hicks-efficiëntie worden alle maatregelen die de maatschappelijke welvaart kunnen verhogen doorgevoerd, maar is het mogelijk dat individuele partijen er, ongeacht hun bezwaren, op achteruit gaan.