Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.3.6.1
6.3.6.1 Risicoverdeling bij de uitvoering van Europese subsidieregelingen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399600:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie de bijlage bij een brief van 5 oktober 2011 van minister Kamp aan de voorzitter van de Tweede Kamer.
Kamerstukken II 2011/12, 33 314, nr. 2 (Voorstel van Wet).
Zie hieromtrent ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 253; De Kruif 2011, p. 358-359; Hessel 2005B, p. 118; Den Ouden 2003A, p. 219-220; Den Ouden 2003B, p. 34; Van den Tweel 2003, p. 83; Van den Tweel 2001, p. 173; Comijs 1997, p. 283-284.
Polak & Den Ouden 2004, p. 133; Den Ouden 2003A, p. 220; Den Ouden 2003B, p. 34; Barents 2001, p. 308.
Dit geldt bijvoorbeeld voor het EFRO en het ELFPO.
Zie Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 256.
Zie de Subsidieregeling ESF 2007-2013. In de programmaperiode 1994-1999 verstrekte de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ESF-subsidies aan gemeenten. Over deze programmaperiode zijn veel ESF-subsidies van de gemeenten lager vastgesteld dan wel ingetrokken en teruggevorderd.
Zie de Subsidieregeling ESF-3 (Europees Sociaal Fonds) voor onderwijsinstellingen 20002006.
Doorgaans zal het immers niet om een subsidieregeling gaan die uitsluitend ziet op de verstrekking van subsidies aan andere overheden als bedoeld in artikel 4:21, derde lid, van de Awb. Ook als wel van een dergelijke regeling sprake zou zijn, geldt op grond van de meeste kaderwetten dat de subsidietitel van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Zie bijvoorbeeld artikel 3, derde lid, van de Kaderwet SZW-subsidies.
Stb. 2012, 245.
Veel van de hiervoor besproken Nederlandse uitvoeringsorganen die bij de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving zijn betrokken, behoren tot de decentrale overheden. Bij de uitvoering van de Europese landbouwsubsidie-verordeningen zijn in veel gevallen de productschappen betrokken.
Het bestaan van de product- en bedrijfschappen ligt al jaren onder vuur. Dit heeft in september 2011 geleid tot een kabinetsstandpunt 'Het PBO-stelsel: naar een nieuwe kern'.1 Daarin kiest het kabinet voor het handhaven van het PBO-stelsel, maar dan wel in afgeslankte en gemoderniseerde vorm. Dit betekent onder meer dat de product- en bedrijfschappen zich in de toekomst in de regel alleen nog maar zullen bezighouden met taken met een publiek belang. Op 21 juni 2012 hebben de Kamerleden Aptroot en Lodders een initiatiefvoorstel ingediend houdende opheffing van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties en overheveling van hun taken aan de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (Wet opheffing product- en bedrijfschappen) 2 De aanneming van dit wetsvoorstel zou tot gevolg hebben dat de taken die de productschappen in het kader van de uitvoering van de Europese subsidieregelingen hebben in de toekomst zullen worden uitgevoerd door de minister van EL&I. De Europese subsidieregelgeving staat hieraan niet in de weg.
Gelet op het beginsel van institutionele autonomie is het — voor zover de Europese subsidieregelgeving niet anders bepaalt — aan de lidstaten om te bepalen welke nationale uitvoeringsorganen met de uitvoering daarvan worden belast. Vanuit de Europese subsidieregelgeving bestaat geen bezwaar tegen het delegeren van de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving aan decentrale overheden en productschappen. Ten opzichte van de Europese Commissie blijft de lidstaat Nederland echter aansprakelijk voor een onjuiste uitvoering van de Europese subsidieregelgeving, hetgeen kan resulteren in het terugbetalen van Europese subsidies dan wel een infractieprocedure op grond van artikel 258 VWEU.3 Gelet hierop, geldt voor de Nederlandse centrale overheid een risico-aansprakelijkheid.4 Het Rijk wenst uiteraard te voorkomen dat eventuele fouten van decentrale overheden en productschappen in het kader van de verstrekking van Europese subsidies ten laste komt van de Nederlandse staatskas. Indien decentrale overheden en de productschappen zijn belast met de verstrekking van Europese subsidies, maar de Europese gelden wel aan de lidstaat worden betaald, is veelal geen sprake van een subsidierelatie tussen het Rijk en de decentrale overheid ofwel de productschappen.5 Anders dan Den Ouden, Jacobs en Verheij veronderstellen,6 biedt de subsidietitel van de Awb in dat geval niet de mogelijkheid om de Europese gelden van de decentrale overheden terug te vorderen. Voor zover decentrale overheden verantwoordelijk zijn voor de verstrekking van Europese subsidies is dan ook in convenanten met het Rijk neergelegd, dat het Rijk de bevoegdheid heeft om door de Europese Commissie teruggevorderde Europese gelden op de desbetreffende decentrale overheid te verhalen.7
Decentrale overheden kunnen ook nog op een andere wijze zijn betrokken bij de uitvoering van Europese subsidieregelingen. Zij kunnen namelijk ook optreden als eindontvanger van de Europese subsidie. Zo verstrekt de minister van szw ESF-subsidies aan gemeenten8 en in de programmaperiode 20002006 ook aan de minister van OC&w.9 In dat geval ontstaat een subsidierelatie in de zin van de subsidietitel van de Awb.10 Ook dan treden risico's op voor de centrale overheid. Indien decentrale overheden zich als eindontvanger van de Europese subsidie niet aan de voor hen geldende subsidieverplichtingen houden, kan dit in de eerste plaats tot gevolg hebben dat de Europese Commissie besluit Europese gelden terug te vorderen van de lidstaat Nederland. In dat geval kan de minister die de Europese subsidie heeft verstrekt, deze subsidie lager vaststellen, dan wel intrekken, en terugvorderen. Het niet-naleven van subsidieverplichtingen door decentrale overheden kan in de tweede plaats ook tot een infractieprocedure van de Europese Commissie leiden, namelijk indien een decentrale overheid zich bij de uitvoering van de met Europees geld gesubsidieerde projecten niet houdt aan de Europese aanbestedingsregels.
Inmiddels bestaat er ook wetgeving die ervoor moet zorgdragen dat de financiële risico's voor de centrale overheid ten gevolge van schendingen van het Europese (subsidie)recht door decentrale overheden en productschappen worden beperkt. Voorheen ging het om de Wet TES. Met ingang van 13 juni 2012 is deze wet opgegaan in de op die datum in werking getreden Wet NErpe.11 Vanwege de nauwe samenhang tussen de oude Wet TES en de nieuwe Wet NErpe, worden zij in de volgende twee paragrafen beide besproken.