Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.4.3.1
8.4.3.1 De aanloop naar het Securenta-arrest
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291718:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 8 maart 1988, zaak 165/86, BNB 1988/275, m.nt. Ploeger (Intiem).
HvJ EG 22 juni 1993, zaak C-333/91, FED 1993/608 (Sofitam).
J.J.P. Swinkels, De belastingplichtige en de Europese BTW (diss.), Den Haag: Koninklijke Vermande 2001, p. 199. Zie ook: conclusie A-G Van Gerven 20 januari 1993, zaak C-333/91, ECLI:EU:C:1993:21, punten 15 en 16 (Sofitam).
HvJ EG 14 november 2000, zaak C-142/99, V-N 2000/53.17 (Floridienne/Berginvest), r.o. 22 en HvJ EG 27 september 2001, zaak C-16/00, FED 2002/31, m.nt. Swinkels, r.o. 42 (Cibo).
HvJ EG 11 juli 1996, zaak C-306/94, BNB 1997/38, m.nt. Van Hilten, r.o. 13 en 14 (Régie dauphinoise).
HvJ EG 29 april 2004, zaak C-77/01, BNB 2004/285, m.nt. Van Hilten, r.o. 54 (EDM).
Conclusie A-G Stix-Hackl 6 maart 2001, zaak 16/00, ECLI:EU:C:2001:131, punt 31 (Cibo).
Om de beslissing in de zaak Securenta goed te begrijpen, acht ik het noodzakelijk om de verschillende stappen na te gaan die het Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft gezet en die uiteindelijk tot deze beslissing heeft geleid. Zie ik goed, dan moeten we beginnen bij de zaak Intiem. In deze zaak overweegt het Hof dat ‘blijkens de aftrekregeling in de artikelen 17 tot en met 20 Zesde Richtlijn het recht op btw-aftrek geldt met betrekking tot de goederen en diensten die verband houden met de uitoefening van de beroepsactiviteit van de belastingplichtige’. De aftrekregeling moet daarom zo (ruim) worden toegepast dat deze zoveel als mogelijk samenvalt met de beroepsactiviteit van de belastingplichtige.1 In het Sofitam-arrest2 borduurt het Hof voort op ‘een zodanige toepassing van de aftrekregeling dat zij zoveel mogelijk samenvalt met de uitoefening van de economische activiteiten door een belastingplichtige’. In dit arrest overweegt het Hof dat het enkel houden van aandelen in een deelneming geen economische activiteit is en dat dividenden die daaruit voortvloeien daarom niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen. Hieraan verbindt het Hof de conclusie (‘bijgevolg’) dat de dividenden ‘geheel losstaan van het stelsel van het recht op aftrek en daarom niet meetellen in de noemer van de pro ratabreuk’. Dat dividenden niet in de noemer van de pro ratabreuk thuishoren, onderschrijf ik. Naar mijn mening is dat echter niet omdat dividenden niet de vergoeding zijn voor belastbare handelingen, zoals het Hof in het Sofitam-arrest suggereert, maar omdat dividenden niet de vergoeding zijn voor (onbelastbare) handelingen.3 Een (uitgaande) handeling veronderstelt immers het verrichten van een levering of dienst en bij het sec houden van aandelen is daarvan (net zomin als bij het houden van de eigendom van vastgoed) geen sprake.
Het Hof heeft zowel in het Cibo-arrest als het Floridienne/Berginvest-arrest geoordeeld dat het uitsluiten van dividenden zich door bepaalde kenmerken van het dividend laat verklaren en in dat kader heeft het Hof erop gewezen dat uit de aard van het dividend zelf volgt dat het de opbrengst van een deelneming in een vennootschap vormt en uit de loutere eigendom daarvan volgt.4 Toch heeft het Hof in de bijzondere kenmerken van dividend geen aanleiding gezien om deze situatie niet op één hoop te gooien met de situatie waarin de belastingplichtige (uitgaande) onbelastbare handelingen verricht. Uit het Régie Dauphinoise-arrest is reeds op te maken dat het Hof de deur van de aftrekregeling en de daarin vervatte splitsingsregels ook voor uitgaande onbelastbare uitgaande handelingen heeft gesloten.5 In het EDM-arrest expliciteert het Hof dat het deze stap heeft gezet:
“Dienaangaande volgt uit de rechtspraak van het Hof dat, wil de door het gemeenschappelijk stelsel van BTW nagestreefde doelstelling van volstrekte neutraliteit niet worden geschaad, de handelingen die niet binnen de werkingssfeer van de Zesde richtlijn vallen [onderstreping; MvdW] en dus geen recht op aftrek geven, moeten worden uitgesloten van de prorataberekening van de aftrek, bedoeld in de artikelen 17 en 19 van de Zesde richtlijn (zie in die zin onder meer arrest Sofitam, reeds aangehaald, punten 13 en 14, en arrest van 27 september 2001, Cibo Participations, C-16/00, Jurispr. blz. I-6663, punt 44).”6
Voor het uitsluiten van de onbelastbare uitgaande handelingen van de aftrekregeling en de daarin vervatte splitsingsregels is in de richtlijnhistorie en de bewoordingen van art. 173 tot en met 175 Btw-richtlijn naar mijn mening geen steun te vinden (zie paragraaf 8.4.2). Dat het Hof en de A-G’s die geconcludeerd hebben in deze zaken dit punt over het hoofd gezien hebben, onderstreept mijns inziens het belang van specialistische btw-kennis binnen het Hof van Justitie, maar dat terzijde (zie paragraaf 2.3.5.4.2). Ook de Europese Commissie heeft blijk gegeven de richtlijnhistorie van de splitsingsregels in art. 173 tot en met 175 Btw-richtlijn slecht te kennen. Uit de conclusie van A-G Stix-Hackl in de zaak Cibo Participation blijkt namelijk dat door de Europese Commissie in deze zaak het volgende is opgemerkt:
“(…) Aangezien in artikel 17 van de Zesde richtlijn niets over de omzet uit economische activiteiten buiten de werkingssfeer van de richtlijn wordt geregeld, zijn de lidstaten bevoegd om de methode vast te leggen op grond waarvan aftrek is uitgesloten. (…)”7