Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/5.4.3:5.4.3 Menselijke waardigheid en autonomie is als grondslag weinig concreet
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/5.4.3
5.4.3 Menselijke waardigheid en autonomie is als grondslag weinig concreet
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500758:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 9.5.2 hierna.
Zie eerder Van Toor 2011, onderdeel 3.2, die erop wijst dat het EHRM de kern van de rechten uit het EVRM baseert op de menselijke waardigheid (en vrijheid).
Knigge, noot onder EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1997, 699, pt. 6.
Jansen en Luchtman, noot onder EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland), AB 2002/343, laatste alinea.
Zie nader § 7.3.4.6 hierna.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van niet-integer handelen is per definitie sprake wanneer het bewijs is verkregen in strijd met art. 3 EVRM. Dan is schending van nemo tenetur (in beginsel) gegeven.1 Buiten situaties van foltering en onmenselijke behandeling is het respect voor de menselijke waardigheid en autonomie als ratio weinig concreet. Hieraan zal wel bijdragen dat de menselijke waardigheid in specifiek de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak geen uitdrukkelijke rol speelt.2
Voor wat betreft de procesautonomie is vooral de vraag hoeveel vrijheid nodig is om verdragsrechten effectief te kunnen uitoefenen. Een praktisch en werkbaar antwoord zal waarschijnlijk niet zozeer feitelijk, maar eerder normatief van aard (moeten) zijn. Vgl. Knigge die meent dat het respecteren van de (proces)autonomie van de verdachte, meebrengt dat inbreuken daarop die niet in de verklaringsvrijheid liggen (vgl. Jalloh), op redelijkheid worden getoetst.3 Jansen en Luchtman wijzen erop dat die toetsing in het bijzonder geboden is wanneer materiaal weliswaar een bestaan heeft buiten de wil van de betrokkene, maar zonder zijn hulp niet kan worden verkregen, als gevolg waarvan hij onder druk wordt gezet.4 Hierbij teken ik aan dat de verdachte mijns inziens evenzeer onder druk wordt gezet, wanneer het bewijs weliswaar buiten hem om kan worden verkregen, maar de overheid ervoor kiest om dat van hemzelf te verkrijgen.5