Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.8.4:4.8.4 Vervolging van meineed voor het Hof van Justitie
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.8.4
4.8.4 Vervolging van meineed voor het Hof van Justitie
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
PbEU 2010, C 83/210.
Gepubliceerd in PbEG 1991, L 176/7, nadien geregeld gewijzigd. De meest recente versie is te vinden op http://curia.europa.eu.
PbEG 1974, L 350/29, wijzigingen gepubliceerd in PbEG 1997, L 103/4 en PbEG 2006, L 72/1.
In de eerste versie van het additioneel reglement, gepubliceerd in PbEG 1962, 34, p. 1113- 1114, wees art. 6 nog zonder uitzonderingen voor elke lidstaat de Minister van Justitie aan.
Namelijk bij Zweden, Estland, Letland en Litouwen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel er geen gepubliceerde gevallen bekend zijn, is het mogelijk dat in de procesvoering voor het Hof van Justitie meineed gepleegd wordt. Aangezien het Hof niet over een strafkamer beschikt en strafrechtelijke afdoening van meineed gezien de ernst van het delict wel wenselijk is, is er voor gekozen de nationale instanties daarin te betrekken.1 Artikel 30 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie2 bepaalt daarom: ‘Elke lidstaat beschouwt iedere schending van de eed der getuigen en deskundigen als het overeenkomstige strafbare feit bedreven voor een nationale rechtbank die in burgerlijke zaken uitspraak doet. Op aangifte van het Hof van Justitie vervolgt hij de daders van dit strafbare feit voor de bevoegde nationale rechterlijke instantie.’
Een nadere regeling van de gang van zaken in dit soort gevallen werd wenselijk geacht. Artikel 125 van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie,3 vastgesteld op grondslag van artikel 253vweu, bepaalt dat het Hof een additioneel reglement vaststelt waarin onder andere bepalingen moeten zijn opgenomen met betrekking tot de aangifte van meineed gepleegd door getuigen of deskundigen, zoals die door het Hof moet worden gedaan. Over de wijze waarop de meineed moet worden vastgesteld, en wat de bestanddelen van het delict zijn, is niets bepaald. Daarvoor zal de nationale wetgeving doorslaggevend zijn, omdat die immers in de eigenlijke strafzaak zal worden toegepast. Artikel 124 van het reglement voor de procesvoering bepaalt slechts de vorm van de eed, en legt de president van het Hof de verplichting op, de getuige of deskundige te waarschuwen voor de strafrechtelijke gevolgen die de schending van de eed kan meebrengen. In het additioneel reglement4 is in hoofdstuk III een regeling getroffen voor de aangifte van de schending van de eed door een getuige of deskundige. Artikel 6 bepaalt dat in geval van meineed het Hof de advocaat-generaal moet horen, en vervolgens kan beslissen dat van het feit aangifte zal worden gedaan bij de in een bijlage opgenomen nationale instantie. Voor Nederland noemt die bijlage als instantie de Minister van Justitie.5
Over deze nadere regeling in het additioneel reglement kunnen in verband met het opportuniteitsbeginsel twee opmerkingen worden gemaakt. De eerste opmerking betreft de opneming van het woord ‘kan’ in artikel 6. Daaruit moet worden afgeleid dat het hier geen verplichting van het Hof betreft om van een geconstateerde meineed bij de lidstaten aangifte te doen. Het doen van aangifte door het Hof is dus een discretionaire bevoegdheid. Uit de formulering lijkt wel naar voren te komen dat het Hof, wanneer het meineed constateert, eerst de advocaat-generaal hoort voordat het een beslissing neemt over het al dan niet doen van aangifte.
De tweede opmerking betreft de nationale instantie aan wie de aangifte van het Hof moet zijn geadresseerd. Voor Nederland is dat de Minister van Justitie, hetgeen vanuit verdragsrechtelijk oogpunt voor de hand ligt. De regeringen zijn immers de volkenrechtelijke vertegenwoordigers van de lidstaten. Vanuit strafrechtelijk oogpunt is de keuze om aangifte te doen bij de Minister van Justitie echter minder vanzelfsprekend. De minister bezit immers geen vervolgingsbevoegdheid. De vraag is daarom wat de minister, als het geval zich voor zou doen, precies kan met een dergelijke aangifte. Een mogelijkheid zou zijn dat de minister op zijn beurt aangifte doet, en dus als een soort ‘doorgeefluik’ fungeert. Een andere mogelijkheid, waarvan niet valt uit te sluiten dat men die bij de opstelling van het additioneel reglement voor ogen heeft gehad, is dat de minister na het ontvangen van een aangifte een aanwijzing ex artikel 127ro aan het om geeft. Die laatste optie zou, gezien de onderlinge verhoudingen, niet voor de hand liggen. De keuze voor de minister als aanspreekpunt geeft blijk van een visie op de minister, alsof hij in de positie is om de vervolging bindend voor te schrijven. Hoewel het additioneel reglement voor de meeste lidstaten de Minister van Justitie aanwijst, zijn er ook enkele lidstaten waarvoor het om de aangewezen instantie is.6