De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.4:7.4 Conclusie
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.4
7.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS392115:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van artikel 4 EVRM en 8 IVBPR zijn staten verplicht strafbaarstellingen tegen slavernij, dienstbaarheid, dwangarbeid én mensenhandel op te stellen en een effectief preventief en repressief beleid tegen deze praktijken te voeren. Op grond van het VN Protocol en de EU Richtlijn mensenhandel zijn staten verplicht mensenhandel doeltreffend strafbaar te stellen. Bij de definitie van mensenhandel in het protocol en de richtlijn staat het oogmerk van uitbuiting centraal. Slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid worden daarbij als vorm van uitbuiting gezien. Bovendien wordt er in de praktijk vanuit gegaan dat met het oogmerk van uitbuiting tevens wordt gedoeld op de daadwerkelijke uitbuiting. Het mensenrechtelijk kader en internationale anti-mensenhandelverdragen bepleiten aldus beiden zowel een preventief als repressief beleid tegen situaties van slavernij, dienstbaarheid, dwangarbeid en overige vormen van uitbuiting. Slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid betreffen in beginsel harmful exploitation. Dwangarbeid kan onder omstandigheden ook mutually advantageous exploitation omvatten. De overige vormen van uitbuiting onder de anti-mensenhandelverdragen behelzen eveneens mutually advantageous exploitation. Op basis van de mensenrechten en anti-mensenhandelverdragen zijn staten aldus verplicht tot strafbaarstelling van beide uitbuitingsvormen.
Nederland heeft slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid niet expliciet strafbaar gesteld. Wel geldt een specifiek verbod op slavenhandel in artikel 274 Sr. Zoals in paragraaf 3.5.8 is gesteld, valt slavernij echter niet per definitie onder dit verbod. De mensenrechten in artikel 4 EVRM en 8 IVBPR en de positieve verplichtingen die hieruit voortvloeien hebben de wetgever niet aangezet tot verandering van de mensenhandelwetgeving. Nederland heeft wel op grond van het VN Protocol en de EU Richtlijn mensenhandel de strafbaarstelling veranderd. Aangezien de focus van het mensenrechtenkader en het anti-mensenhandelkader naar elkaar is toegegroeid, komt Nederland met de implementatie van anti-mensenhandelverdragen (sub 1 en 2) tevens tegemoet aan mensenrechtelijke verplichtingen. Indien echter blijkt dat situaties van slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid niet worden aangepakt op grond van artikel 273f Sr, bestaat de kans dat het EHRM een schending van artikel 4 EVRM aanwezig acht en alsnog specifieke strafbaarstelling vereist van slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid.
Nederland komt zowel formeelrechtelijk als materieelrechtelijk tegemoet aan de verplichtingen van het protocol en de richtlijn. De bepalingen in sub 1 en 2 zijn bijna een kopie van de mensenhandelverdragen. In sub 1 wordt strafbaar gesteld de persoon die een ander werft met behulp van een beïnvloedingsmiddel en het oogmerk van uitbuiting. In sub 2 wordt strafbaar gesteld de persoon die een minderjarige werft met het oogmerk van uitbuiting. Materieelrechtelijk gezien zou Nederland evenwel tevens kunnen volstaan met sub 1, nu de reikwijdte van sub 2 de facto hetzelfde is als het eerste sublid. De beïnvloedingsmiddelen in sub 1 hebben immers zo een ruim bereik dat ze onvermijdelijk zijn voor het bewijs van een ‘oogmerk van uitbuiting’. Uitbuiting betreft oneerlijk economisch gewin al dan niet in combinatie met onvrijheid van een ander (mutually advantageous dan wel harmful). De ene component van uitbuiting: onvrijheid kán alleen maar worden bereikt door dwang, bedreiging en misleiding. De andere component: oneerlijk economisch gewin gaat samen met misbruik. Materieelrechtelijk zou Nederland dus ook aan de anti-mensenhandel verplichting hebben voldaan als het had volstaan met sub 1.
De bepalingen gestoeld op de oude Nederlandse wetgeving, dat zijn de subleden 4, 5, 6, 7, 8 en 9, zijn naar internationaal recht niet nodig en zouden uit dien hoofde kunnen worden verwijderd.
De strafbepaling in sub 3 is op grond van de mensenrechten, het VN Protocol en de EU Richtlijn mensenhandel eveneens niet vereist. Nederland zou de wetsregel kunnen schrappen, maar dient dan ofwel het Vrouwenhandel verdrag van 1933 op te zeggen ofwel dit verdrag hedendaags te interpreteren (alleen gericht op immorele gedragingen anno nu).