Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/1.3.3
1.3.3 Rechtsvergelijkende methode
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713166:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 4.2.
Par. 4.4 en 4.5.
Over het belang van een heldere doelstelling bij het opzetten van rechtsvergelijkend onderzoek: Oderkerk, RabelsZ 2015, p. 597.
Glenn 2006, p. 57-65; Van Hoecke, Law and Method 2015, p. 2; Dannemann 2019, p. 408 e.v.
Zweigert & Kötz & Weir 1998, p. 18.
Daarvoor is uiteraard wel nodig dat de ‘oplossing’ in het buitenland naar tevredenheid werkt en dat het juridisch systeem overeenkomt met het Nederlands stelsel. Zie: Zweigert & Kötz & Weir 1998, p. 17. Zie met betrekking tot zogenaamde ‘legal transplants’: Legrand, Maastricht Journal of European and Comparative Law 1997, p. 111-124; Watson 2000.
Zweigert & Kötz & Weir 1998, p. 46. In die zin is de rechtsvergelijking niet neutraal. Zie over deze ‘postmoderne versie’ van rechtsvergelijking: Kischel 2019, hoofdstuk 3, nr. 28.
Oderkerk, RabelsZ 2015, p. 612 e.v. Discussie bestaat of functionality het basisprincipe is van rechtsvergelijkend onderzoek. In deze zin: Zweigert & Kötz & Weir 1998, p. 34 e.v. Zie voor een bespreking van kritiekpunten op deze opvatting: Husa, Revue internationale de droit comparé 2006, p. 1098 e.v.; Örücü, European Journal of Law Reform 2006, p. 33 e.v.; Oderkerk, RabelsZ 2015, p. 594 e.v.; Kischel 2019, hoofdstuk 3, nr. 28 e.v.; Michaels 2019.
Par. 4.5.
Örücü, European Journal of Law Reform 2006, p. 33-34.
Oderkerk, RabelsZ 2015, p. 610: “The common element that the objects of comparison must share in order to make useful comparison is referred to as tertium comparationis.” Zie ook: Örücü, European Journal of Law Reform 2006, p. 36.
Oderkerk, RabelsZ 2015, p. 610-611.
Het ging om: Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, de Verenigde Staten en Zwitserland.
In (rechtsvergelijkende) handboeken en online databases (Rechtsorde, Legal intelligence, Google Scholar, Westlaw, Beck) is gezocht op de termen: ‘enterprise liability’, ‘organi(z)(s)ational negligence’, ‘organi(z)(s)ational tort’, ‘organi(z)(s)ational fault,’ ‘Organisationspflichten’, ‘Organisationsverschulden’.
Rott & Ulfbeck 2015, p. 425 e.v; Brüggemeier, New European Law Review 1994, p. 18, 38-39; Faure & Hartlief, Maastricht Journal of European and Comparative Law 1996, p. 235-270; Brüggemeier 2011, p. 71; Grabovets 2014. Deze vorm van daderschap werd overigens niet altijd scherp onderscheiden van kwalitatieve aansprakelijkheid van de ondernemer voor een gedraging die niet terug te voeren is tot een werknemer (vicarious liability for anonymous negligence). Zie ook: Rott & Ulfbeck 2015, p. 426, met verdere verwijzingen in noot 48. Zie ook de rapporten in: Spier 2003.
Ten tijde van de jurisdictieselectie ging het in Frankrijk, Oostenrijk en Zwitserland bijvoorbeeld om wetsvoorstellen. Zie voor Frankrijk: art. 1353 Avant projet de réforme du droit des obligations et de la prescription: ‘défaut d’organisation ou de foctionnement’, later voortgezet in art. 7 van het wetsvoorstel Terré en vervolgens opgenomen in het voorgestelde art. 1242-I); Cartwright & Vogenauer & Whittaker 2009, p. 295. In de voorbereidingen van het wetsvoorstel en in de literatuur is weinig aandacht besteed aan het nieuwe 1242-I. Op verzoek van de Tresor van het Franse ministerie van Economie en Financiën, heeft het Haut Comité Juridique de la Place financière de Paris (HCJP) een werkgroep samengesteld die de wenselijkheid van de invoering van een dergelijke bepaling heeft onderzocht: HCJP, Rapport sur l’introduction de regles spécifiques aux personnes morales dans le droit de la responsabilité extracontractuelle, 1 oktober 2018. Zie voor Oostenrijk: §1304 van het Oostenrijkse wetsvoorstel. Zie voor Zwitserland: art. 49a van het Zwitserse wetsvoorstel.
Denemarken is niet geselecteerd voor rechtsvergelijkend onderzoek, vanwege de taalbarrière. In de zaak U 1985.368 H (die ging over aansprakelijkheid van het ziekenhuis voor een medische fout) onderzocht de rechter of er redenen waren om aan te nemen dat het ziekenhuis slecht georganiseerd was en dat daardoor schade aan derden kon ontstaan. Zie voor een bespreking van deze zaak: Rott & Ulfbeck 2015, p. 426.
Oderkerk, RabelsZ 2015, p. 603, 609; Dannemann 2019, p. 411 e.v.
Zie over het belang van deze context bij de selectie van een jurisdictie: Oderkerk, RabelsZ 2015, p. 603.
Kokkini-Iatridou 1988, p. 10 e.v.; Zweigert & Kötz & Weir 1998, p. 5; Örücü, European Journal of Law Reform 2006, p. 31 e.v.
Steege 2022, p. 232.
Zie over enterprise liability als theoretische stroming bijv.: Goldberg, Georgetown Law Journal 2003, p. 537 e.v.
Voor het deel over het daderschap van de ondernemer wordt gebruik gemaakt van de rechtsvergelijkende methode. In hoofdstuk 4 staan twee typen daderschap centraal: indirect en direct daderschap.1 Indirect daderschap houdt in dat het daderschap van de rechtspersoon wordt vastgesteld aan de hand van een fysieke gedraging van een individu. Direct daderschap houdt in dat het daderschap los van fysieke gedragingen van individuen wordt vastgesteld. In de rechtspraak en literatuur staat ter discussie of het daderschap ook op directe wijze – bijvoorbeeld door middel van een toestandstoerekening of via het aannemen van organisatieplichten – kan worden vastgesteld.2 Door het bestuderen van een andere jurisdictie die een dergelijke vorm van ‘direct daderschap’ kent, kan worden bekeken of het Nederlandse recht bijstelling of nadere duiding behoeft. Het doel3 van de rechtsvergelijking is het opdoen van inspiratie,4 het plaatsen van het Nederlandse daderschapscriterium in een ander licht5 en eventueel het doen van aanbevelingen.6 De rechtsvergelijking in dit proefschrift dient voornamelijk een nationaal doel.7
Voor het rechtsvergelijkend deel wordt gebruik gemaakt van de functionele methode. De functionele methode houdt in dat eerst wordt gekeken wat de juridische oplossing is voor een maatschappelijk probleem in jurisdictie A, om vervolgens te onderzoeken welke juridische oplossing jurisdictie B biedt.8 Het maatschappelijke probleem is het vaststellen van daderschap van de rechtspersoon in gevallen van arbeidsdeling en structurele fouten. In de Nederlandse literatuur wordt gepleit voor twee juridische oplossingen:9 toestandstoerekening of het aannemen van organisatieplichten. Vervolgens is onderzocht of in andere jurisdicties regels of principes te vinden zijn die een vergelijkbare functie (het vaststellen van daderschap van de rechtspersoon zonder aan te knopen bij individualiseerbaar menselijk handelen) vervullen.10 De tertium comparationis, het gemeenschappelijk element van de onderzoeksobjecten in verschillende jurisdicties,11 is ‘de functie’.12
Verscheidene jurisdicties kwamen in aanmerking voor een rechtsvergelijkende studie.13 Op basis van een verkennende studie, is een shortlist gemaakt van jurisdicties die een vorm van direct daderschap kennen.14 In de literatuur wordt direct daderschap omschreven als ‘enterprise liability’, ‘organizational negligence’, of ‘organizational torts’.15 Sommige jurisdicties vielen af, omdat zij nog geen of nog weinig ervaring hebben met het leerstuk, en derhalve geen inspiratie kunnen bieden voor het Nederlandse recht.16 Andere jurisdicties vielen af vanwege praktische overwegingen.17
Vanwege bovengenoemde doelstelling en praktische overwegingen,18 is de keuze op het Duitse recht gevallen. Zo kent het Duitse recht een (vroeg) ontwikkeld systeem van zorgplichten op grond van foutaansprakelijkheid die specifiek voor ondernemers gelden (Organisationspflichten) en bestaat bovendien een uitvoerige discussie over de grondslagen van deze Unternehmenshaftung. Omdat dit leerstuk al lange tijd erkend is in de rechtspraak en de literatuur, was het aannemelijk dat er voldoende bronnen beschikbaar zouden zijn en dat voldoende in kaart was gebracht hoe het leerstuk functioneerde. Bovendien is de juridische, sociale en politieke context in Duitsland vergelijkbaar met die in Nederland19 en vormt de taal geen (groot) obstakel.
Naast het Duitse recht is art. 4:202Principles of European Tort Law (PETL) betrokken in dit onderzoek naar het (direct) daderschap van de rechtspersoon. De PETL is het resultaat van een harmonisatieproject van de onderzoeksgroep European Group on Tort Law. In art. 4:202 PETL heeft de onderzoeksgroep een nieuwe benadering van ondernemersaansprakelijkheid geïntroduceerd. Gelet op de functie van de PETL (harmonisatie van en inspiratie voor het nationale aansprakelijkheidsrecht) is het interessant om te bezien of dit artikel inspiratie kan bieden voor het Nederlandse recht of, althans, het Nederlandse recht in een ander licht kan zetten. Andere academische harmonisatieprojecten, zoals de Draft Common Frame of Reference, zijn niet betrokken in dit onderzoek, omdat zij geen vergelijkbare bepaling over enterprise liability bevatten.
Gelet op het doel van de rechtsvergelijking is het niet noodzakelijk om het gehele Duitse Deliktsrecht of de gehele PETL in kaart te brengen. De rechtsvergelijking in dit boek is een voorbeeld van ‘microrechtsvergelijking’.20 Alleen de regels die zien op het daderschap van de rechtspersoon zijn voor deze studie relevant. Daarnaast is geen rechtsvergelijkend onderzoek verricht naar de betekenis van de hoedanigheid van ondernemer voor de inkleuring van de onrechtmatigheid en de toerekenbaarheid. De reden hiervoor is tweeledig. Ten eerste lijkt dit onderzoek ook in andere rechtsstelsels nog in de kinderschoenen te staan. Er zijn mij geen publicaties bekend, waarin een vergelijkbaar systematisch onderzoek is verricht. Steege werpt weliswaar de vraag op of het Duitse Deliktsrecht strengere normen stelt aan bedrijfsmatige rechtspersonen dan aan individuele personen, die zich van hulppersonen bedienen, maar beantwoordt deze vraag niet. Hij geeft aan dat dit afhangt van alle omstandigheden van het geval.21 Deze conclusie brengt het Nederlands recht niet veel verder. Ten tweede is het onrechtmatigedaadsrecht erg nationaal georiënteerd. Dit maakt het lastig om te bepalen of een oplossing in een andere jurisdictie relevant is voor de Nederlandse context.
Tot slot vormt de Amerikaanse literatuur over de theoretische stroming enterprise liability een onderdeel in dit proefschrift.22 Dit vormt echter geen volwaardig rechtsvergelijkend onderzoek. Het Amerikaanse positieve recht is niet onderzocht. Zo is niet onderzocht in hoeverre de enterprise liability-gedachte daadwerkelijk terug te zien is in het Amerikaanse recht. Ook is niet onderzocht in hoeverre enterprise liability daadwerkelijk een vorm van strict liability is of dat het (deels) gebaseerd is op fault. Over deze discussie bestaat veel literatuur en een eigen onderzoek hiernaar ligt buiten de reikwijdte van dit proefschrift. Bovendien verschillen de Amerikaanse rechtscultuur en de heersende ideeën over de positie van ondernemingen in de maatschappij in sterke mate van de Nederlandse rechtscultuur en ideeën. Het is denkbaar dat de Amerikaanse business-friendly houding doorwerkt in het aansprakelijkheidsrecht, waardoor ondernemers minder snel aansprakelijk zijn. Of dit daadwerkelijk het geval is, is een vraag die in dit proefschrift niet wordt beantwoord. Dit doet niet af aan het feit dat enterprise liability als theorie wel inspiratie kan bieden voor het Nederlandse recht.