Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/7.7
7.7 Verhaal op de enquêteverzoeker
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652504:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1909/10, 217, 3, p. 42; Belinfante 1929, p. 99; SER-advies 1988, p. 25.
Kamerstukken II 1969/70, 9596, 12. Zie ook Handelingen II 1969/70, 62, p. 2964; Handelingen II 1969/70, 63, p. 2997. Vgl. verder Kamerstukken II 1971/72, 11005, 6, p. 12.
Kamerstukken II 1968/69, 9595, 9596, 6, p. 16. Zie ook Handelingen II 1969/70, 61, p. 2923. Anders De Meijer 2003, p. 398.
Geerts 1993, p. 41; Geerts 2004, p. 228.
Zie ook HR 4 december 2009 (r.o. 3.6), NJ 2011/131, m.nt. J.B.M. Vranken; JOR 2010/175, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Greenworld/G c.s.).
Zo ook SER-advies 2003, p. 68; Verburg 2007, p. 367; Van Calker 2017, p. 528; Josephus Jitta 2018a, p. 83; Jager 2019, p. 364-365.
Van der Vlis 2000, p. 321 en p. 324; Willems 2010, p. 226; Jager 2019, p. 365.
Zie bijv. OK 21 juni 1979 (r.o. 9), NJ 1980/71, m.nt. J.M.M. Maeijer (onder NJ 1980/73) (Batco); OK 26 mei 1983, NJ 1984/481, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2022/56, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Linders/Hofstee); OK 28 oktober 1993, NJ 1994/566 (RLA).
Zie bijv. OK 1 februari 2006 (r.o. 2.3), ARO 2006/45 (Van Baarsen Halfweg); OK 20 juni 2007 (r.o. 3.36), JOR 2007/203 (Cordial).
Handelingen II 1969/70, 62, p. 2964-2965; Kamerstukken II 2005/06, 30413, 25, p. 14. Zie ook Van der Vlis 1997, p. 228; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/779.
Van der Vlis 1997, p. 228 en voetnoot 24.
In de kern bevat art. 2:354 BW twee grondslagen: één tot verhaal van de kosten van het onderzoek op de enquêteverzoeker en één tot verhaal van de kosten van het onderzoek op de voor het wanbeleid verantwoordelijken, waarover par. 7.9. Verhaal van de kosten van het onderzoek op een enquêteverzoeker is mogelijk indien uit het onderzoeksverslag blijkt dat het enquêteverzoek niet op redelijke grond is gedaan, welke formulering overeenstemt met de tekst van art. 2:350 lid 2 BW (par. 7.8). De regeling tracht lichtvaardig gebruik (misbruik) van enquêterecht te voorkomen.1 Bij amendement is getracht de mogelijkheid tot verhaal van de kosten van het onderzoek op de enquêteverzoeker op grond van art. 2:354 BW te schrappen, echter zonder succes.2
Verhaal van de kosten van het onderzoek is in beginsel mogelijk op iedere enquêteverzoeker. Volgens de minister past een veroordeling van de advocaat-generaal echter niet in ons staatsbestel.3 Kritisch hierover is Geerts, die deze argumentatie niet erg overtuigend acht, zeker tegen de achtergrond dat de Staat wel in de faillissementskosten en het salaris van de curator kan worden veroordeeld op grond van art. 15 lid 3 Fw, indien het Openbaar Ministerie de faillietverklaring heeft aangevraagd en deze wordt vernietigd.4 Ik zie voor persoonlijke aansprakelijkheid van de advocaat-generaal uit hoofde van art. 2:354 BW geen ruimte, gelet op het bepaalde in art. 42 lid 1 Wrra jo. art. 1 sub b onder 6o Wet RO.5 Wel mogelijk is dat de Staat op grond van deze regeling wordt veroordeeld voor de kosten van het onderzoek als gevolg van een enquêteverzoek van de advocaat-generaal dat niet op redelijke grond is gedaan.
Uit de jurisprudentie zijn mij geen gevallen van toewijzing van een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek op de enquêteverzoeker op grond van art. 2:354 BW bekend.6 Om deze reden is ook wel afschaffing van dit onderdeel van art. 2:354 BW bepleit.7 Er bestaan wel gevallen waarin is getracht de kosten van het onderzoek te verhalen op de enquêteverzoeker. Als van wanbeleid is gebleken, kan de Ondernemingskamer die verzoeken eenvoudig afdoen.8 Als niet van wanbeleid is gebleken, is dat op zichzelf overigens onvoldoende voor het oordeel dat het enquêteverzoek niet op redelijke grond is gedaan.9
Toewijzing van een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek op een enquêteverzoeker is ook moeilijk voorstelbaar, omdat de Ondernemingskamer steeds in een eerder stadium van de enquêteprocedure al heeft vastgesteld dat er gegronde redenen waren voor twijfel aan een juist beleid. In de parlementaire geschiedenis wordt toepassing van deze aansprakelijkheidsgrondslag enkel mogelijk geacht als uit het onderzoeksverslag blijkt dat de enquêteverzoeker te kwader trouw onjuiste gegevens heeft verstrekt bij zijn verzoek die de Ondernemingskamer bij toewijzing van het verzoek op het verkeerde spoor hebben gezet.10
Omdat art. 2:354 BW enkel een grondslag biedt voor verhaal van de kosten van het onderzoek (par. 7.5), is de rechtspersoon voor eventuele andere schade aangewezen op een gewone civiele procedure, waarin dient te worden getoetst of de enquêteverzoeker onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in art. 6:162 BW. Met Van der Vlis meen ik dat het criterium dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan daarbij niet noodzakelijkerwijs een beperking vormt ten opzichte van de mogelijkheden die art. 6:162 BW biedt.11