De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/18.1:18.1 Inleiding; instemming met de fundamenten, bedenkingen bij onderdelen van uitwerking
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/18.1
18.1 Inleiding; instemming met de fundamenten, bedenkingen bij onderdelen van uitwerking
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS372600:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de inleiding schreef ik dat de introductie van een subjectieve vijfjaarstermijn de belangrijkste wijziging ten opzichte van het oude recht is, en in hoofdstuk één schreef ik de subjectieve vijfjaarstermijn een aanwinst voor ons verjaringsrecht te vinden. Het oordeel over ons nieuwe verjaringsrecht moet dus wel overwegend positief zijn. Wat betreft de fundamenten van het nieuwe recht is dat inderdaad waar. Niet alleen de subjectieve termijn, maar ook de andere pijler van het nieuwe verjaringsrecht, de objectieve twintigjaarstermijn, verdient instemming.
De subjectieve vijfjaarstermijn, die men als een gestandaardiseerde vorm van rechtsverwerking kan beschouwen, leidt ertoe dat de ten detrimente van de debiteur dralende crediteur zijn recht verliest, en de objectieve twintigjaarstermijn leidt ertoe dat vorderingen die niet meer actueel zijn of waarover the obfuscating power of time de discussie onmogelijk heeft gemaakt, zonder nader debat worden afgewezen. Dat is precies wat men van een verjaringsregel mag verwachten.
Deze inhoudelijke overwegingen worden gesteund door de rechtsvergelijking: het huidige stelsel komt op hoofdlijnen overeen met bestaande of voorgenomen verjaringsregels in de landen om ons heen. Men kan lang twisten over de waarde van een dergelijke constatering, maar dat de waarde nul zou zijn, zullen weinigen bepleiten. Denk aan voordelen van harmonisatie, maar ook aan de aannemelijkheid dat recent ampel beraad in Duitsland en Engeland ten minste aanvaardbaar en misschien zelfs wel The best Law heeft opgeleverd.
Op de uitwerking van ons verjaringsregime lijkt wel kritiek mogelijk: de objectieve termijn zou anders vormgegeven moeten worden (hoofdstuk 2), de personenschade is ten onrechte aan de objectieve termijn onttrokken (hoofdstuk 2), het is ongelukkig dat de formele hoofdregel niet de materiële hoofdregel is (hoofdstuk 3), het verjaringsrecht is verbrokkeld (hoofdstuk 4), de vijfjaarstermijn zou een driejaarstermijn moeten zijn (hoofdstuk 5), het artikel over de verjaring van schadevergoedingsvorderingen
— art. 3:310 BW — is niet goed geformuleerd (hoofdstuk 6), de stuitingsregeling dwingt de crediteur ten onrechte tot niet meer dan het sturen van een tweeregelig briefje (hoofdstuk 7) en het artikel over de stuitende werking van de schriftelijke mededeling
— art. 3:317 BW — is niet goed geformuleerd (hoofdstuk 7).
Na kritiek op de huidige regeling is aan de orde of, en zo ja hoe, die regeling dan gewijzigd zou moeten worden. In dat kader merk ik het volgende op.