Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.3.2.3:10.3.2.3 Beoordeling door het EHRM
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.3.2.3
10.3.2.3 Beoordeling door het EHRM
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197360:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 29 januari 2016, nr. 15/00340, BNB 2016/163, r.o. 2.4.5.
Pauwels 2009, p. 422.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens het EHRM had M.A. geen door artikel 1 Eerste Protocol beschermde verwachting dat het bij verkoop van de opties behaalde voordeel belast zou worden tegen het ten tijde van de toekenning van de opties geldende belastingtarief:
“the Court considers that the applicants did not have an expectation protected by Article 1 of Protocol No. 1 that the tax rate would, at the time when they would have been able to draw benefits from the stock option programme according to the original terms of the programme, i.e. between 1 December 1998 and 31 January 2000, be the same as it was in 1994 when the applicants subscribed the bonds.”
Dat zou volgens het EHRM anders kunnen liggen voor de zogenoemde “pure cases”:
“The Court does not exclude that the situation might have to be assessed differently, had the law applied (which it did not) even to cases in which the exercise of the stock options was possible before 1 January 1995 according to the relevant terms and conditions of the stock option programmes in question. In such a situation, in which the applicants did not find themselves, taxation at a considerably higher tax rate than that in force on the date of the exercise of the stock options could arguably be regarded as an unreasonable interference with expectations protected by Article 1 of Protocol No. 1.”
Wat deze overwegingen duidelijk maken, is dat belastingplichtigen er rekening mee moeten houden dat belastingtarieven in de toekomst kunnen veranderen. Dat is vooral een relevant gegeven bij duurcontracten zoals de onderhavige aandelenregelingen, waarbij er een lange tijd kan zitten tussen de toekenning van een recht en het zich voordoen van een belastbaar feit op basis van dat recht. Het is ook een standaard overweging van de Hoge Raad dat burgers er in redelijkheid niet op kunnen vertrouwen dat belastingtarieven ongewijzigd zullen blijven.1 Het is echter een ander verhaal als belastingtarieven met terugwerkende kracht worden gewijzigd. Daardoor kunnen wel door artikel 1 Eerste Protocol beschermde verwachtingen worden geschonden. Dat volgt uit wat het EHRM in M.A. heeft opgemerkt over de “pure cases”. Belastingplichtigen als M.A., die door middel van kunstgrepen anticiperen op een aangekondigde nadelige wetswijziging, kunnen er echter niet op vertrouwen dat de wet niet met terugwerkende kracht zal worden aangepast om de door hen beoogde antifiscale effecten van hun kunstgreep te verijdelen.
De toets die vervolgens moet worden aangelegd is volgens het EHRM:
“Whether it is compatible with Article 1 of Protocol No. 1 depends, first, on the reasons for the retroactivity and, secondly, on the impact of the retroactive law on the position of the applicants.”
Volgens deze overweging moet dus worden nagegaan (i) welke de redenen zijn voor de terugwerkende kracht, en (ii) wat het effect van de terugwerkende kracht van de wetgeving is op de (financiële?) positie van de betrokkene. Ad (i) overwoog het EHRM:
“The Court finds that the main aim of the retrospective implementing provision was to prevent stock option arrangements, which were originally planned to fall under the amended
Ad (ii) overwoog het EHRM:
“As to the impact of the measure, the Court considers that the legislation was not such as to amount to confiscatory taxation or of such a nature as could deprive the legislation of its character as a tax law. Despite its important financial consequences for the applicants, the measure cannot be said to have imposed an excessive burden on them, taking into account the maximum percentage of the tax levy and the fact that the levy, which in part was a reflection of the very high general income level of the applicants, was based on real profits made from the sale of the stock options. The Court notes that the impact of the taxation measures should be assessed, from the point of view of Article 1 of Protocol No. 1, above all with reference to the situation existing at the time of the exercise of the stock options by the applicants, without regard to the subsequent developments in the stock market.”
Het EHRM aanvaardt de door Finland aangevoerde argumenten voor de terugwerkende kracht als niet onredelijk. Dit is bepaald geen intensieve toetsing en zij contrasteert met de strengere maatstaf die het EHRM in andere arresten over terugwerkende belastingmaatregelen heeft aangelegd. Zo waren er volgens het EHRM in N.K.M. en P. Plaisier B.V. “specific and compelling reasons” nodig om terugwerkende kracht te kunnen rechtvaardigen. Het EHRM accepteert de terugwerkende kracht in M.A., omdat ermee wordt bewerkstelling dat (i) er belasting wordt geheven naar de oorspronkelijke bedoeling van de regeling, en (ii) belastingplichtigen die wel en niet gerommeld hebben met de optievoorwaarden gelijk worden behandeld.
De (ogenschijnlijk) marginale toetsing in M.A. kan worden verklaard door het feit dat er geen gerechtvaardigde verwachtingen werden geschonden, omdat M.A. in de optiek van Finland en het EHRM had gekaatst en daarom de bal kon verwachten. M.A. kon er dan ook niet op vertrouwen dat de puur antifiscale wijziging van zijn optievoorwaarden het door hem gewenste effect zou hebben.
Pauwels verbaast zich erover hoe gemakkelijk het EHRM in M.A. aannam dat het ging om onaanvaardbare tax planning.2 Het wijzigen van de optieovereenkomsten na aankondiging, maar voor inwerkingtreding, van nieuwe wetgeving is inderdaad niet bijzonder agressief te noemen. De “tax avoidance scheme” in de zaak Huitson is bijvoorbeeld van een heel andere agressie-orde. Het punt is kennelijk dat M.A. met zijn anticipatiegedrag de bedoeling van de wetgever om toekomstige winsten hoger te belasten bij voorbaat frustreerde. Hoe geavanceerd, gekunsteld of juist voor de hand liggend de daarvoor gebruikte tax planning is, doet dan kennelijk niet ter zake: de wetgever moet kunnen wetgeven. Als aankondigingseffecten niet verijdeld zouden mogen worden, zou de maatschappij nog tot in lengte van vele jaren kunnen vastzitten aan ongewenste en juist daarom afgeschafte oude wetgeving.