Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.5.3.3
16.5.3.3 Angst voor aansprakelijkheid
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368569:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 9 juni 2016, ARO 2016/150 (Gravier).
Makkink.
Borrius, p. 79.
Hof Amsterdam (OK) 27 januari 2006, ARO 2006/34 (Begemann), r.o. 3.7. Dat partijen bij een enquêteprocedure nog verder kunnen gaan blijkt uit Hof Amsterdam (OK) 5 oktober 2015, ARO 2015/222 (Leaderland). De tijdelijke bestuurder werd bedreigd met geweld. Deze werd op eigen verzoek vervangen, ter gelegenheid waarvan de ondernemingskamer het partijen op de voet van art. 2:357 lid 2 BW verbood om rechtstreeks contact te hebben met de tijdelijke bestuurder.
Zie Cornelissen, p. 77 en 78, Olden 2009, p. 129 en 132 en Makkink. Vgl. Borrius, p. 79 en 80.
Zie ook par. 16.3.2 en 16.5.2. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 13 en 14 december 2007, ARO 2008/1 en 2, JOR 2008/34 m.nt. Josephus Jitta (e-Traction).
Hof Amsterdam (OK) 17 december 2008, ARO 2009/3 (Medisch Centrum Voor Esthetische Geneeskunde).
Hof Amsterdam (OK) 17 juni 2009, ARO 2009/120 (Medisch Centrum Voor Esthetische Geneeskunde). Vgl. Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2004, ARO 2004/34 (Headscanning Patent B.V.).
Cornelissen.
Zie par. 16.7.3.
Zie zijn noot bij Hof Amsterdam (OK) 14 december 2007, JOR 2008/34 (e-Traction).
Cornelissen. Zie ook Makkink.
Hof Amsterdam (OK) 11 december 2013, JOR 2014/36 m.nt. Josephus Jitta (Meromi en Jeemer) en Voorzieningenrechter Rechtbank Noord-Holland 20 december 2013, JOR 2014/35 (Delta Onroerend Goed/Van Waveren c.s.).
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2013, JOR 2013/337 m.nt. Josephus Jitta (Novero).
Zie hierover ook Sinninghe Damste 2014 en Leijten 2014, par. 4.
Hof Amsterdam (OK) 18 maart 2013, JOR 2013/136, m.nt. Leijten (De Orthopedische Schoenmakerij).
Aldus de huidige voorzitter (Makkink).
In de kwestie van Meromi en Jeemer ging het om de verkoop van aandelen in een BV die een ziekenhuis dreef. Dat ziekenhuis bevond zich in financieel zwaar weer en had behoefte aan rust op aandeelhoudersniveau. De aandeelhouders van de verkopende partij hadden een hoogoplopend conflict, terwijl dat zich niet voordeed bij de koper. De desbetreffende aandelen waren verkregen tegen storting van het minimumkapitaal ad € 18.000 en konden 5 jaar later worden verkocht tegen een prijs ad € 3 miljoen, zodat een rendement van meer dan 16.500% werd gemaakt (meer dan 3.300% op jaarbasis). Een rendement dat zelfs de gulzigste kapitalist zou moeten verzadigen. Desondanks vonden de minderheidsaandeelhouders van de verkopende partij dat moest worden geprobeerd om een nog hogere prijs te realiseren (al was er geen concreet alternatief voor handen) en zij waren daarom tegen deze verkoop. Daarentegen hadden de ondernemingsraad, de cliëntenraad, de medische specialisten, de raad van bestuur en de raad van commissarissen van het ziekenhuis een dringend beroep gedaan op de tijdelijke bestuurder om belang van de continuïteit van het ziekenhuis (met 1.500 werknemers) en de zorg voor haar patiënten (130.000) te laten prevaleren boven het privébelang van de minderheidsaandeelhouders. De op de desbetreffende vennootschappen toepasselijke Zorgbrede governance code diende met het maatschappelijke belang van het ziekenhuis rekening te worden gehouden. In deze code staat ook: “Voor deze code geldt het uitgangspunt dat een eventuele keuze voor aandeelhouders én het behalen van winst slechts een middel is om als maatschappelijke onderneming beter te gaan presteren. Het is evident dat in de zorgsector geen ruimte is voor ondernemingen met maximalisatie van aandeelhouderswaarde als primaire doelstelling.” Het is in die omstandigheden nauwelijks voorstelbaar dat het doorgang laten vinden van de verkoop zou moeten worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar onbehoorlijk bestuur. Misschien ben ik echter bevooroordeeld omdat ik optrad als advocaat van de raad van commissarissen van het ziekenhuis.
Zie daarover 16.7.5.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 5 maart en 26 mei 2003, ARO 2003, 51 en 89(Huis 77) en Hof Amsterdam (OK) 13 en 14 december 2007, ARO 2008 1 en 2, 2008/34 m.nt. Josephus Jitta (e-Traction). Zie ook Borrius, p. 81.
De aansprakelijkheid van tijdelijke bestuurders komt in par. 16.7.2 aan de orde. Tijdelijke bestuurders worden geregeld aansprakelijk gesteld, hoewel het zeker ook voorkomt dat tijdelijke bestuurders tot grote tevredenheid van ieder functioneren.1 Volgens Makkink2 is het aantal aansprakelijkstellingen de afgelopen jaren toegenomen, als gevolg van toegenomen assertiviteit, een afnemende vanzelfsprekendheid van gezag en mogelijk een grotere mate van meegaandheid van advocaten ten opzichte van hun cliënten.
Aansprakelijkstellingen gaan meestal uit van aandeelhouders, die al dan niet tevens zijn geschorst als bestuurder en die in een conflict verwikkeld zijn met hun medeaandeelhouders.3 Daaraan verwant is de praktijk om tijdelijke bestuurders te willen “grillen” tijdens de aandeelhoudersvergadering en te dreigen décharge te onthouden et cetera.4 Het is bepaald niet denkbeeldig dat de tijdelijke bestuurder niet ter verantwoording wordt geroepen wegens een daadwerkelijke onbehoorlijke taakvervulling, maar dat er sprake is van een poging van een partij om de tijdelijke bestuurder te knechten.5 In feite zal dan sprake zijn van een voortzetting van het geschil dat tot de enquête leidde. Er is bijvoorbeeld een strijd om de macht gaande en de aansprakelijkstelling dient om af te dwingen dat de tijdelijke bestuurder voortaan (wel) luistert naar de aansprakelijk stellende partij.6 De wijze waarop tijdelijke bestuurders daarmee omgaan, is van invloed op de wijze waarop zij de vennootschap besturen en daarmee op hoe de tertiaire gevolgen van de tijdelijke aanstelling van een bestuurder uitpakken.
Het optreden van Cornelissen als tijdelijke bestuurder is ook hier weer illustratief. Hij kan gekenschetst worden als een niet bange tijdelijke bestuurder. Een duidelijk voorbeeld daarvan is zijn optreden als tijdelijk bestuurder bij de bekende esthetische kliniek van de mondaine familie Schoemacher. Uit de beschikking van 17 december 20087 blijkt dat Cornelissen werd aangesteld vanwege het ontbreken van het bestuur en diepgaande conflicten tussen de aandeelhouders die een negatieve en verlammende invloed hadden op de besluitvorming en de bedrijfsvoering. Dan lijkt het geschil een andere wending te krijgen, zo blijkt uit een beschikking van 17 juni 2009.8 Het optreden van Cornelissen leidt namelijk bij de betrokkenen tot veel verontwaardiging en frustratie. De steen des aanstoots is dat Cornelissen, in zijn hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap, surseance van betaling aanvraagt in mei 2009. In de visie van Cornelissen was het aanvragen van surseance van betaling de enige resterende mogelijkheid na jarenlang financieel mismanagement. Onder meer via de media beschuldigden betrokkenen Cornelissen echter van het ten gronde richten van het bedrijf. Tevens lijkt het er sterk op dat een of meer partijen Cornelissen aansprakelijk hebben gesteld. Cornelissen verzoekt namelijk décharge aan de ondernemingskamer. In zijn bijdrage aan genoemd liber amicorum9 stelt Cornelissen in algemene termen dat hij dergelijke verzoeken pleegt te doen als sprake is van aansprakelijkstellingen.
Cornelissen is zich bewust van de toentertijd reeds spelende discussie over de vraag of de ondernemingskamer een dergelijke décharge wel kan verlenen.10 Josephus Jitta 11noemde bijvoorbeeld een décharge door de ondernemingskamer “een slag in de lucht”. Waarschijnlijk om die reden noemt Cornelissen een dergelijke décharge op zijn minst “een goede steun” “bij een eventueel geding ter zake een claim wegens aansprakelijkheid”.12
Van belang is dat het verzoek om décharge pas na de aanvraag van surseance van betaling is gedaan. Uit de gepubliceerde beschikkingen blijkt niet dat Cornelissen vooraf steun heeft gezocht bij de ondernemingskamer, al stelt hij dat hij als tijdelijke functionaris zo nu en dan contact heeft gehad met de toenmalige voorzitter van de ondernemingskamer (Willems). Het betrof dan bijvoorbeeld specifieke rechtsvragen die opkwamen tijdens zijn werkzaamheden of uitzonderlijke problemen. In een eventuele aansprakelijkheidsprocedure biedt dergelijk informeel overleg waarschijnlijk weinig steun.
Ik leid hieruit af dat Cornelissen zich bij het nemen van de beslissing om surseance van betaling aan te vragen niet heeft laten leiden door angst voor aansprakelijkstellingen, maar meende dat zijn beslissing de enige juiste was en dat hij (daarom) niet voor aansprakelijkheden hoefde te vrezen.
Bestuurders die meer vrezen voor aansprakelijkstellingen, handelen minder voortvarend. Zij proberen eerst een expliciet goedkeurend oordeel van de ondernemingskamer uit te lokken alvorens zij een beslissing nemen met ingrijpende gevolgen waartegen een of meer aandeelhouders zich (hevig) verzetten. Zo verzocht een partij die belang had bij het doorgang vinden van een transactie de ondernemingskamer om te bepalen dat de tijdelijke bestuurder zelfstandig – en zonder dat zij daarvoor enige goedkeuring behoefde van de aandeelhoudersvergadering – namens de vennootschap deze transactie kon uitvoeren en, voor zover nodig, daaromtrent alle besluiten kon nemen die volgens haar daarvoor benodigd zijn en voorts dat de tijdelijke bestuurder gerechtigd was om al datgene te doen dat zij in dat kader overigens noodzakelijk achtte.13 In een andere zaak14 deden de tijdelijke bestuurders zelf zo’n verzoek. De desbetreffende tijdelijke bestuurders werden met aansprakelijkheidsvorderingen bedreigd en zij zochten daartegen kennelijk steun bij de ondernemingskamer.15
Volledigheidshalve wijs ik er op dat de ondernemingskamer enige maanden voor deze verzoeken was teruggekomen op haar jurisprudentie dat zij décharge zou kunnen verlenen aan tijdelijke bestuurders.16 Daarnaast was het niet meer mogelijk om met de voorzitter van de ondernemingskamer te overleggen.17 Ook Cornelissen had echter reeds twijfels over de juridische houdbaarheid van een dergelijke décharge.
Tevens is van belang dat het ging om noodzakelijke beslissingen die geen uitstel duldden. De desbetreffende transacties dienden om de continuïteit van de betrokken onderneming te waarborgen en er waren geen alternatieven, althans geen concrete alternatieven waarmee alle aandeelhouders tevreden konden worden gesteld, en uitstel was geen optie. De kans dat de tijdelijke bestuurder in dergelijke omstandigheden tegen bestuurdersaansprakelijkheid aanloopt, is mijns inziens gering,18 althans in het geval de tijdelijke bestuurder wel handelt. Nietsdoen met de aanwezige optie(s) en de continuïteit dus verder in de waagschaal stellen, zal eerder tot aansprakelijkheid kunnen leiden. Steun vanuit de ondernemingskamer was mijns inziens dus overbodig.
Toch was bij deze tijdelijke bestuurders kennelijk de wens om vóóraf “gedekt te worden” door de ondernemingskamer zo groot dat de desbetreffende besluiten werden uitgesteld totdat verzoekschriften aan de ondernemingskamer waren opgesteld, er tijd was geboden voor verweerschriften, een zitting had plaatsgevonden en de ondernemingskamer een beslissing had genomen. Er is een grote kans dat dergelijk uitstel de toch al hachelijke situatie geen goed deed en de nood deed toenemen.19
Aan de desbetreffende bestuurders kan echter worden toegegeven dat een procedure over aansprakelijkheid grote kosten kan meebrengen. Art. 2:357 lid 6 BW biedt evenwel de mogelijkheid om deze kosten af te wentelen op de vennootschap en om dienaangaande een verzekering af te sluiten, althans indien de tijdelijke bestuurder bij een kapitaalkrachtige vennootschap is aangesteld.20
Het bovenstaande demonstreert dat de wijze waarop tijdelijke bestuurders omgaan met aansprakelijkstellingen een grote impact kan hebben op de wijze waarop tijdelijke bestuurders beslissingen nemen. Zelfs als het aansprakelijkheidsrisico (zeer) gering is en het uitstellen van beslissingen kan leiden tot schade voor de vennootschap. In de hierboven besproken beschikkingen werden de desbetreffende beslissingen uiteindelijk genomen, maar feit blijft dat de desbetreffende beslissingen eigenlijk geen (langer) uitstel duldden. In de praktijk komt het ongetwijfeld ook voor dat de vennootschap wel uitstel kan lijden en de (al dan niet irrationele) angst voor aansprakelijkstellingen de besluitvorming lam legt.
In voorkomende gevallen kunnen aansprakelijkstellingen en dergelijke er ook toe leiden dat de tijdelijke bestuurder zich afvraagt of “het sop de kool nog wel waard is” en zelfs verzoekt om zijn ontslag.21