Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/16.6:16.6 Literatuur
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/16.6
16.6 Literatuur
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS483599:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Polak 1958, p. 10-12.
Rodrigues Lopes 1996, p. 2.
Hartkamp 1999, p. 216.
Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 153; vgl. ook de tekst van art. 5:84 lid 2.
Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 188.
Davids 1999, p. 9; Davids 1994, p. 15; Davids 1988, p. 38.
Berger 2001, p. 25.
Smalbraak 1980, p. 54.
Davids 1988, p. 38.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Polak1 meent aan de hand van de verschillende uitleg van het begrip ‘erf’ te hebben aangetoond dat
‘een wetgeving die niet uit een centraal punt is opgebouwd, juist daardoor problemen opwerpt die bij een andere opzet vermeden kunnen worden.’
En nog steeds wordt in het burgerlijk recht, waartoe ik mij hier beperk, het begrip niet eenduidig uitgelegd. De meningen die in de parlementaire geschiedenis aan de orde kwamen, zien wij hier terug. Zo lijkt Rodriques Lopes2 van mening dat de termen ‘erf’ en ‘onroerende zaak’ in art. 5:60 synoniem zijn. Immers hij merkt op dat voor het bestaan van mandeligheid ten minste drie erven nodig zijn.
Bij de bespreking van het burenrecht wordt door Hartkamp3 opgemerkt dat in het huidig Burgerlijk Wetboek onder ‘erf’ moet worden verstaan ‘grondstuk’ (zowel een land- als een waterperceel) inclusief de daarop staande opstallen. In titel 5.6 (erfdienstbaarheden) wordt volgens Hartkamp een ruimer begriperf gehanteerd. In die titel moet onder ‘erf’ worden verstaan:
‘iedere onroerende zaak, derhalve ook een opstal los van de grond.’
Deze laatste omschrijving wordt door Asser/Mijnssen/Davids/Van Velten aanvaard voor zowel titel 4 als titel 6 van Boek 5. Wel wordt aan de omschrijving toegevoegd dat een opstal los van de grond kan worden aangemerkt als een zelfstandige zaak.4 Voor wat betreft titel 5.5 wordt opgemerkt dat er ‘onvoldoende aanwijzingen’ zijn om in die titel af te wijken van het begriperf zoals ten aanzien van de titels 5.4 en 5.6 besproken.5
Davids6 wenst laatst gemelde omschrijving zowel in het burenrecht als in de titel over erfdienstbaarheden te gebruiken. Aldus ook Berger.7
Een opmerkelijke verandering van terminologie doet zich voor in de twee opeenvolgende drukken van het boek ‘Burenrecht’. In beide drukken wordt zowel aan het oude als het huidige Burgerlijk Wetboek aandacht besteed. Smalbraak,8 sprekend over burenrecht en erfdienstbaarheden, stelt voorop dat onder ‘erf’ moet worden verstaan elke onroerende zaak.
Hij merkt vervolgens opdat ingeval er wordt gesproken van een bebouwd perceel de onroerende zaak kan bestaan uit:
het erf in zijn geheel;
het bebouwde gedeelte van het erf;
het gebouw zonder ondergrond.
Davids,9 uitgaande van dezelfde beginsituatie is van mening dat in geval van een bebouwd perceel de onroerende zaak kan bestaan uit:
het erf in zijn geheel;
het bebouwde gedeelte van het erf, zonder de grond,
‘wanneer deze opstal als een zelfstandige zaak kan worden beschouwd.’
Stolker10 merkt opdat in de titels 3, 4, 5, en 6 het woord ‘erf’ de betekenis heeft van grondstuk (zowel land- als waterpercelen), inclusief eventuele op dat grondstuk staande opstallen.
Vervolgens wenst Stolker11 in het burenrecht, onder erf te verstaan:
‘iedere onroerende zaak, waaronder ook een gebouw zonder de grond moet worden begrepen.’
In de inleidende opmerkingen bij titel 6 van Boek 5 gaat Stolker12 uit van een andere omschrijving. Volgens hem is dan de term ‘onroerende zaak’ ruimer dan de term ‘erf’. Erf betekent in het nieuwe wetboek ‘grondstuk’. En vervolgens merkt hij nog op:
‘het artikel (art. 5:70) spreekt over het ruimere “onroerende zaak” omdat ook een opstal los van het grondstuk waarop deze is aangebracht, met een erfdienstbaarheid belast kan worden.’