Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/11.3
Paragraaf 11.3 De aard van het recht
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS391796:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
ECRM 12 oktober 1986, 11921/86, punt 1 (Verein “Kontakt-Information-Therapie enSiegfried Hagen/Oostenrijk); Wood & Scharff 2002.
ECRM 17 december 1968, 3798/68, p. 6 (Church of X/Verenigd Koninkrijk).
ECRM 8 maart 1976, 7374/76, p. 158 (X/Denemarken).
ECRM 5 mei 1979, 7805/77, punt 2 (X. en Church of Scientology/Zweden).
Timmerman 2000, p. 144.
HR 17 januari 1990, BNB 1990/193, r.o. 4.2 (X BV/Inspecteur).
HR (strafkamer) 1 juni 1993, NJ 1994/52 (L. Shipping B.V.).
HR 18 februari 1994, NJ 1994/742, r.o. 3.4 (Copo B.V.).
EHRM 16 april 2002, 37971/97, punt 41 (Société Colas Est e.a./Frankrijk).
EHRM 16 april 2002, 37971/97, punt 49 (Société Colas Est e.a./Frankrijk).
Volgens Dommering in zijn noot bij EHRM 16 december 1992, 13710/88, NJ 1993/400, m.nt. E.J. Dommering (Niemietz/Duitsland) zou een verschil in behandeling tussen de ‘grote’ en ‘kleine’ rechtspersonen in elk geval tot een willekeurige ongelijke behandeling leiden.
EHRM 8 juni 1976, 5100/71, punt 58 (Engel e.a./Nederland): het recht op vrijheid als bedoeld in art. 5 lid 1 EVRM ziet op de fysieke vrijheid van een natuurlijk persoon.
Harris, O’Boyle & Warbrick 2009, p. 795; Bovens 1998, p. 656.
Bijv. ECRM 9 september 1992, 13914/88 (Informationsverein Lentia e.a./Oostenrijk); EHRM 7 juli 1989, 10873/84 (Tre Traktörer Aktiebolag/Zweden); EHRM 31 juli 2003, 16163/90 (Eugenia Michaelidou Developments Ltd en Michael Tymvios/Turkije); ECRM 30 juni 1993, 15153/89 (Vereinigung Demokratischer Soldaten Österreichs en Gubi/Oostenrijk).
EHRM 16 april 2002, 37971/97, punt 54-55 (Société Colas Est e.a./Frankrijk); EHRM 6 april 2000, 35382/97, punt 34-35 (Comingersoll/Portugal).
Of een vennootschap een bepaald grondrecht (in gelijke mate als een natuurlijk persoon) daadwerkelijk kan uitoefenen, hangt af van de aard van het recht,1 hetgeen niet altijd eenvoudig te beoordelen is. Van sommige rechten werd aanvankelijk gemeend dat deze alleen aan natuurlijke personen konden toekomen, terwijl de bescherming later werd uitgebreid naar vennootschappen. Zo vond de toenmalige Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (hierna: de Commissie) eerst dat alleen natuurlijke personen de rechten genoemd in art. 9 lid 1 EVRM (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst) konden hebben en uitoefenen,2 later dat een vennootschap alleen werd beschermd door art. 9 EVRM via de rechten die haar leden toekomen,3 terwijl tegenwoordig het standpunt wordt ingenomen dat zowel vennootschappen als natuurlijke personen zelfstandig de rechten uit art. 9 lid 1 EVRM kunnen uitoefenen.4 Het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM valt onder de persoonlijkheidsrechten en leek in eerste instantie niet bestemd voor rechtspersonen; onder andere Timmerman merkte op dat toepassing op rechtspersonen verdedigbaar is.5 In onder andere 1990,6 19937 en 19948 oordeelde de Hoge Raad uitdrukkelijk dat de in art. 6 EVRM neergelegde waarborgen, waaronder het recht op berechting binnen een redelijke termijn, ook voor rechtspersonen gelden.
In Société colas est e.a./Frankrijk (2002), maakte het EHRM duidelijk dat het EVRM een levend instrument is, dat moet worden gelezen in de geest van de tijd:9
‘The Court reiterates that the Convention is a living instrument which must be interpreted in the light of present-day conditions (…). As regards the rights secured to companies by the Convention, it should be pointed out that the Court has already recognised a company’s right under Article 41 to compensation for non-pecuniary damage sustained as a result of a violation of Article 6 § 1 of the Convention (…). Building on its dynamic interpretation of the Convention, the Court considers that the time has come to hold that in certain circumstances the rights guaranteed by Article 8 of the Convention may be construed as including the right to respect for a company’s registered office, branches or other business premises (…).’
Het EHRM laat hier open of een onderscheid gemaakt mag worden tussen de mate van bescherming voor bedrijven en voor natuurlijke personen.10 Wel kan de geest van de tijd met zich brengen dat vennootschappen in steeds verdergaande mate rechten zullen kunnen ontlenen aan het EVRM. Waar een onderscheid tussen vennootschappen en natuurlijke personen nu nog gerechtvaardigd is, is het dit in de toekomst mogelijk niet meer.11 Vooralsnog is het echter slecht voorstelbaar dat vennootschappen aanspraak kunnen maken op het verbod van foltering,12 op het verbod van slavernij (het recht op vrijheid)13 of bijvoorbeeld op het recht op gelijke benoembaarheid in openbare dienst en op het recht op arbeid.14
Als een verdragsrecht van een vennootschap wordt geschonden, dan heeft de vennootschap recht op schadevergoeding. Dit varieert van vergoeding van kosten en uitgaven15 tot een in een geldbedrag omgezette vergoeding van immateriële schade.16