Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.6
14.6 Invordering
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232762:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 3, pagina 60 – 62, alsmede Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 9, pagina 50 – 51 en pagina 83. Uit de wettekst volgt een bepaalde volgorde bij de invordering overigens niet.
Zie Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, pagina 82 – 83, evenals Kamerstukken II vergaderjaar 2009/10, 31 930, nr. 13, pagina 6 – 9.
M.W.C. Feteris, Nieuwe formeelrechtelijke verschijnselen in de schenk- en erfbelasting, in: Draaicirkels van formeelbelastingrecht, vriendenbundel R. Niessen, Sdu Amersfoort 2009, pagina 122 – 126.
Tot slot zal ik kort ingaan op een specifieke regeling voor de invordering van aan APV’s gerelateerde belastingschulden, die gelijktijdig met de APV-regeling is ingevoerd. Artikel 23a Invorderingswet geeft de ontvanger een bijzonder verhaalsrecht voor zover aanslagen zijn opgelegd als gevolg van de toerekening van APV-vermogen op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001. Verhaal is in dat geval tevens mogelijk op goederen van:
het APV zelf; en
een derde waarin het APV direct of indirect een belang heeft van 5% of meer. In dit laatste geval is het verhaal beperkt tot het belang van het APV in de desbetreffende entiteit.
In de parlementaire geschiedenis wordt de invordering van APV-gerelateerde belastingschulden omschreven als een drietrapsraket: eerst wordt geprobeerd de belastingschuld te innen bij de inbrenger, voor zover dat niet slaagt bij het APV en voor zover invordering bij het APV niet slaagt bij entiteiten waarin het APV een belang heeft. De laatste mogelijkheid is met name bedoeld voor de situatie dat de inbrenger onvoldoende verhaal biedt en invordering bij het APV op praktische problemen stuit vanwege de vestiging van het APV in een jurisdictie waarin de invordering niet of moeilijk geëffectueerd kan worden. Indien het APV dan een belang heeft in bijvoorbeeld een Nederlandse BV, zou verhaal op het vermogen van de BV mogelijk zijn.1
Op deze regeling is van meerdere kanten kritiek gekomen, zoals de volgende:
De Raad van State achtte het verhaalsrecht onevenredig aan het te dienen belang en heeft geadviseerd om artikel 23a Invorderingswet te schrappen.2 De vraag of de rechten van derden voldoende beschermd zijn komt ook op meerdere punten terug in de parlementaire geschiedenis, evenals de houdbaarheid van het verhaalsrecht in het licht van artikel 1 lid 1 Eerste Protocol EVRM.3
Vetter4 heeft meerdere aandachtspunten bij het verhaalsrecht, waaronder in hoeverre de derde, waarin het APV een belang heeft, indien deze geconfronteerd wordt met invordering door de ontvanger de mogelijkheid heeft om de onderliggende aanslag ter discussie te stellen, alsmede de belangen van (niet-gerelateerde) anderen die een belang hebben in de desbetreffende entiteit. Ook wijst hij op tekstuele onvolkomenheden, zoals het ontbreken van een toevoeging aan de wettekst dat het verhaal geen betrekking heeft op boetes (omdat verhaal hiervoor op het vermogen van een derde die geen verwijt treft niet mogelijk is) en het niet expliciet vermelden dat het verhaalsrecht ook op de schenk- en erfbelasting ziet. Voorts merkt hij op dat artikel 23a Invorderingswet in strijd kan zijn met artikel 1 lid 1 Eerste Protocol EVRM.
Feteris5 wijst onder meer op beperkingen die in de parlementaire geschiedenis gesuggereerd worden, maar niet in de wettekst tot uitdrukking zijn gebracht. Dit betreft een beperking van het verhaalsrecht tot de Nederlandse eigendommen van het APV en het vermogen van in Nederland gevestigde deelnemingen, alsmede de volgorde waarin invordering zou moeten plaatsvinden. Hij vindt de mogelijkheid van verhaal op het vermogen van een deelneming van het APV ook niet voor de hand liggen, vanwege onder meer de omstandigheid dat deze deelneming haar aandeelhouders en hun fiscale betalingsgedrag niet uitkiest.
Het lijkt mij inderdaad goed denkbaar dat toepassing van dit verhaalsrecht onredelijke gevolgen heeft, met name voor een deelneming van het APV of derden die tevens een belang in deze deelneming hebben. De praktische toepassing van het verhaalsrecht lijkt overigens in de praktijk tot dusver beperkt. Ik ben althans niet bekend met jurisprudentie met betrekking tot deze regeling.