Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/9.1
9.1 De feitelijke grondslag naar Nederlands recht
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS302243:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Reichold 2009, p. 280 (nr. 2) en 283 (nr, 3ee); Herb 2007, p. 58-62; Jauernig 2007, p. 74-76; Murray & Stürner 2005, p. 170-172.
De Bock (2011) ziet dit anders (p. 113): “De rechter moet dit (…) niet doen, met name niet omdat de rechter dan partijen de mogelijkheid onthoudt hun visie te geven op die feiten en daarmee het beginsel van hoor en wederhoor schendt.” Vermoedelijk heeft zij hierbij het oog op de aanvulling van feiten in de uitspraak. In dat geval is het juist dat de rechter zich daar van zou moeten onthouden, gelet op het verdedigingsbeginsel.
Snijders, Klaassen & Meijer 2011, p. 53 (nr. 45 (a)). Ook: De Bock 2011, p. 84.
Vgl. De Bock (2011) die op p. 87 stelt dat de rechter geen detective is, “die zomaar zelf ‘in de wereld’ rondkijkt en feiten vaststelt; de rechter wordt rondgeleid door partijen.”
296.
Artikel 149 Rv is geënt op het verdedigingsbeginsel. Partijen behoeven er, los van het bestaan van artikel 24 Rv, niet vanuit te gaan dat er andere feiten aan de uitspraak ten grondslag zullen worden gelegd dan de feiten die de rechter uit het dossier put. Strikt genomen is een bepaling als artikel 149 Rv volgens mij niet noodzakelijk voor het eerbiedigen van het beginsel van hoor en wederhoor. Immers, de rechter mag al gegevens gebruiken die zich niet in het dossier bevinden, mits het gaat om feiten van algemene bekendheid. Onder omstandigheden kan de rechter ook gegevens die hem bekend zijn uit eigen wetenschap aan zijn beslissing ten grondslag leggen. In het Duitse civiele proces wordt dit probleem van hoor en wederhoor ook minder als een obstakel gezien. De Duitse rechter kan per saldo een aanzet geven tot feitengaring via een Hinweise. Hij kan partijen wijzen op tekortkomingen in de door hen aangevoerde gegevens, mits hij voor de Hinweise een aanknopingspunt in het partijdebat vindt.1 En daar zit ook de crux. Als de rechter nieuw gevonden informatie eerst aan partijen voorhoudt alvorens het te gebruiken, zijn eventuele bezwaren vanuit het verdedigingsbeginsel volgens mij afgedekt.2
297.
Uit artikel 149 Rv spreekt echter tevens een opvatting over de verdeling van de processuele taken tussen de rechter en partijen.3 Deze aan artikel 149 Rv ten grondslag liggende opvatting (partijautonomie) wordt eigenlijk in alle onderzochte rechtsstelsels gedeeld. Het openstellen van de mogelijkheid tot ambtshalve feitengaring hoeft mijns inziens echter niet zonder meer te strijden met het beginsel van partijautonomie, omdat aan partijen ook nadat de rechter ambtshalve feiten heeft vergaard nog de mogelijkheid kan worden geboden om te beslissen of zij die feiten in hun geschil wensen te betrekken. Hiermee zou de partijautonomie niet verdwijnen maar het moment waarop dit beginsel naar voren komt zou dan verschuiven.4 Een actievere rol voor de civiele rechter hoeft dus niet perse te strijden met de aan artikel 6 EVRM ontleende beginselen.