Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.6.1:3.6.1 Inleiding
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.6.1
3.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS443545:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 28 juli 2016, Stcrt. 2016, 34921, nr. BLKB 2016/695M. Op grond van artikel 4:84 Awb jo. artikel 3:4, tweede lid, Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is dit voor de Belastingdienst een bindende instructie.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als laatste onderdeel van de onderlinge vergelijking van de heffingsmethoden richt ik me op de bestuurlijke boeten. Dit betreft primair het boeteregime in de AWR (paragraaf 3.6.2). Mijn belangrijkste reden hiervoor is dat eventuele verschillen tussen de heffingsmethoden eerst en vooral moeten worden gezocht in de wet. Daarna (paragraaf 3.6.3) vergelijk ik de boeten zoals die gelden op grond van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB).1Ik sluit dit onderdeel af met een analyse (3.6.4).
Behalve de bestuurlijke boeten is er nog de mogelijkheid om een belastingplichtige strafrechtelijk te vervolgen in geval hij een strafbaar feit begaat als bedoeld in de artikelen 68 en 69 van de AWR. Binnen deze strafrechtelijke artikelen van de AWR wordt geen onderscheid gemaakt tussen aangifte- en aanslagbelastingen. Het strafrecht laat ik om die reden verder buiten beschouwing in dit onderzoek.