Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/4.2
4.2 Een beknopt wetshistorisch overzicht
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS392218:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In paragraaf 8.5 zal de mogelijke frictie tussen artikel 2:19 lid 4 en 2:23c lid 1 BW enerzijds en artikel 2:19 lid 5 BW anderzijds aan bod komen.
HR 12 november 1924, NJ 1924, 86 (Lugdunum).
Toelichting op het Ontwerp Heemskerk van 1925.
Nethe 1995, p. 43.
Van der Heijden, 1926, p. 326.
HR 31 december 1958, NJ 1959, 92.
Nethe 1995, p. 45.
Nethe 1995, p. 47.
Kamerstukken II 1954/55, 3769, nr. 2 (Ontwerp van wet), p. 3.
Kamerstukken II 1982/83, 17 725, nr. 2 (Ontwerp van wet), p. 14.
Kamerstukken II 1982/83, 17 725, nr. 2 (Ontwerp van wet), p. 17.
Zie ook paragraaf 3.4.2.
Kamerstukken II 1991/92, 22 482, nr. 2 (Voorstel van wet), p. 2 & 4.
Zie o.a. M.J. Kroeze (m.m.v. H. Beckman, M.A. Verbrugh), Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefeninvan het Nederlands Burgerlijk Recht. 2. Rechtspersonenrecht. Deel I. De rechtspersoon, Deventer: Kluwer 2015, nr. 380 enKamerstukken II 1991/92, 22 482, nr. 3 (MvT), p. 17. Zie ook paragraaf 8.1.
Kamerstukken II 1991/92, 22 482, nr. 2 (Voorstel van wet), p. 2.
Kamerstukken II 1991/92, 22 482, nr. 3 (MvT), p. 1.
Kamerstukken II 1991/92, 22 482, nr. 3 (MvT), p. 6.
Kamerstukken II 1991/92, 22 482, nr. 3 (MvT), p. 11.
Naast het bepaalde in artikel 2:19 lid 4 BW zijn ook de artikelen 2:19 lid 5 en 2:23c lid 1 BW voor de turboliquidatie van belang.1 Het vijfde lid van artikel 2:19 BW lijkt de wettelijke tegenhanger van het vierde lid te zijn:
‘De rechtspersoon blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. In de stukken en aankondigingen die van hem uitgaan, moet aan zijn naam worden toegevoegd: in liquidatie.’
Artikel 2:23c lid 1 BW is het artikel op grond waarvan een turbogeliquideerde BV die als het ware verdwenen is, kan herleven:
‘Indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiserof gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, kan derechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig eenvereffenaar benoemen. In dat geval herleeft de rechtspersoon, doch uitsluitend ter afwikkelingvan de heropende vereffening. De vereffenaar is bevoegd van elk der gerechtigdenterug te vorderen hetgeen deze te veel uit het overschot heeft ontvangen.’
De geschiedenis van de ontbinding van lege vennootschappen gaat ver terug. Reeds na de inwerkingtreding van de Registratiewet 1917 is in de literatuur aandacht ontstaan voor lege vennootschappen. Ingevolge artikel 46 van deze wet werd destijds op de oprichtingsakte van een NV een registratierecht geheven van 2,5% over het gestorte kapitaal en 0,25% over het niet-gestorte kapitaal. Gepoogd werd deze belastingheffingen te omzeilen door ‘lege’ NV’s te kopen. De registratieambtenaren verzetten zich tegen dergelijke praktijken, maar tevergeefs: de Hoge Raad stelde de ambtenaren in het ongelijk.2
Een specifieke wettelijke regeling ter bestrijding van lege vennootschappen ontbrak destijds. Een NV kon op grond van artikel 55 WvK (oud) slechts worden ontbonden door het verstrijken van een bepaalde tijd, door een daartoe strekkend besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders of door haar insolventie, nadat zij in staat van faillissement was verklaard. Het wetsartikel verwees bovendien naar artikel 37b WvK (oud), op grond waarvan de rechter op verzoek van het OM een NV waarvan de werkzaamheid in strijd was met de goede zeden of de openbare orde kon ontbinden. De opsomming van ontbindingsgronden in artikel 55 jo. 37b WvK (oud) werd gezien als limitatief.3 Door de verwijzing in artikel 15 WvK (oud) naar de bepalingen van burgerlijk recht en de beschouwing van de NV als gekwalificeerde maatschap werd het mogelijk geacht om artikel 1683 sub 2 BW (oud) toe te passen op de NV. In voormeld artikel werd gelezen dat een ‘lege’ NV van rechtswege ontbonden werd:4
‘Een maatschap wordt ontbonden door het tenietgaan van een goed of de volbrengingder handeling, die het onderwerp der maatschap uitmaakt.’
Vanwege het gemis van een met artikel 1683 sub 2 BW (oud) vergelijkbare bepaling voor de NV stelde Van der Heijden voor de opsomming in artikel 55 WvK (oud) enuntiatief te maken. De rechter zou dan ingevolge artikel 15 WvK (juncto artikel 1638 sub 2 BW (oud)) een NV waarvan het doel is bereikt of de (bedrijfs)middelen ontbreken om het doel van de NV te verwezenlijken, ontbonden kunnen achten.5 Aan de toepassing van artikel 1638 sub 2 BW (oud) op de NV maakte de Hoge Raad in 1958 een einde door te overwegen dat de opsomming van ontbindingsgronden in artikel 55 WvK (oud) limitatief was.6 Als reactie hierop werd artikel 2.3.1.10a ingevoerd:7
‘De rechtbank, binnen wier rechtsgebied de naamloze vennootschap haar woonplaatsheeft, kan haar op vordering van het openbaar ministerie ontbinden, wanneer het doelvan de vennootschap, door een gebrek aan baten niet kan worden bereikt.’
Een gelijkluidend artikel werd later voor de BVopgenomen in artikel 2.3a.1.13. Met ingang van 1976 werden de artikelen 2.3.1.10a en 2.3a.1.13 vervangen door de artikelen 74 en 185 BW,8 de voorgangers van de thans bestaande artikelen 2:74 en 2:185 BW.
Wanneer men de voor dit onderzoek relevante wetsartikelen beschouwt, gaat de geschiedenis wat betreft het bepaalde in artikel 2:19 lid 5 en 2:23c lid 1 BWook ver terug. In het Ontwerp Meijers van 1954 zijn gelijksoortige bepalingen terug te vinden. 9 Artikel 11 lid 1 van Titel 1 Boek 2 (oud) van voormeld Wetboek luidt nagenoeg hetzelfde als het huidige artikel 2:19 lid 5 BW:
‘Een rechtspersoon blijft na haar ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffeningvan haar vermogen nodig is. In stukken en aankondigingen die van haar uitgaan, moetaan haar naam worden toegevoegd: in liquidatie.’
Bij de wetswijzigingen in het Burgerlijk Wetboek in 1992 kreeg artikel 2:19 lid 5 BW de huidige vorm, zij het in het vierde lid van artikel 2:19 BW (oud):
‘De rechtspersoon blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening vanzijn vermogen nodig is. In stukken en aankondigingen die van hem uitgaan, moet aanzijn naam worden toegevoegd: in liquidatie.’10
Met deze wetswijziging werd ook de basis gelegd voor het huidige artikel 2:23c lid 1 BW, zij het in het vijfde lid van artikel 2:23c BW (oud):
‘Indien achteraf nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van hetbestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende devereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen. De vereffenaar is bevoegdvan elk der gerechtigden terug te vorderen hetgeen deze te veel uit het overschot heeftontvangen.’11
Pas bij de invoering van de mogelijkheid tot ontbinding van rechtspersonen door de Kamer van Koophandel in 199412 werden de artikelen 2:19 lid 4 en 2:23c lid 5 BW (oud) gewijzigd in de huidige teksten van de artikelen 2:19 lid 5 en 2:23c lid 1 BW.13 Met deze wetswijziging werd ook de mogelijkheid tot turboliquidatie – een in de praktijk ontwikkeld fenomeen waarbij lege vennootschappen werden ontbonden zonder vereffeningsprocedure te volgen14 – ingevoerd:
‘Na lid 3 wordt een nieuw lid ingevoerd, luidende: 4. Indien de rechtspersoon op hettijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij alsdan op te bestaan. In datgeval doet het bestuur, of, bij toepassing van artikel 19a, de Kamer van Koophandel enFabrieken, daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven.’15
Deze wetswijziging had in de eerste plaats ten doel de ontbinding van rechtspersonen die hun werkzaamheden hebben beëindigd of die nooit actief zijn geweest, te vereenvoudigen, door het mogelijk te maken dat deze rechtspersonen zonder rechterlijke tussenkomst konden worden ontbonden door een beschikking van de Kamer van Koophandel indien bepaalde omstandigheden zich voordoen.16 Doordat de focus van het wetsvoorstel lag op de invoering van artikel 2:19a BW, wordt in de parlementaire geschiedenis nauwelijks gesproken over de andere mogelijkheid die door dit wetsvoorstel werd ingevoerd: de turboliquidatie. In de memorie van toelichting is slechts terug te lezen dat voor situaties waarin niets meer te vereffenen valt, ‘in hetnieuwe artikel 19 lid 4 is bepaald dat, als de rechtspersoon reeds op het tijdstip vanontbinding geen baten meer heeft, hij op dat tijdstip ophoudt te bestaan. Alsdan zalgeen vereffenaar hoeven te worden benoemd.’ 17
In de artikelsgewijze toelichting wordt iets dieper ingegaan op het bepaalde in artikel 2:19 lid 4 BW:
‘Lid 4 bevat een regeling voor de rechtspersoon die reeds op het tijdstip van zijn ontbindinggeen baten meer heeft. Alsdan zal men aan een vereffening niet toekomen en zal derechtspersoon reeds bij de ontbinding hebben opgehouden te bestaan. Bepaald is dat indat geval door het bestuur, of de Kamer van Koophandel bij toepassing van artikel 19a,bij de opgave van ontbinding aan het handelsregister tevens opgave wordt gedaan vanhet feit dat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan. (...) Het feit dat de rechtspersoonophoudt te bestaan op het tijdstip waarop geen aan hem bekende baten meer aanwezigzijn blijkt thans uit lid 5. (...) Een bate is er nog wel, indien de rechtspersoon bijvoorbeeldnog een vordering heeft tegen bestuurders of commissarissen wegens wanbeleid. Alsdanis de vereffening pas geëindigd indien deze vordering is geïnd en het bedrag daarvanonder de rechthebbenden is verdeeld.’18
Hier dringt zich het beeld op van de situatie waarin de wetgever artikel 2:19 lid 4 BW primair deed ontstaan in het kader van de vereenvoudigde ontbinding van slapende vennootschappen door de Kamer van Koophandel, en dat deze wijze van introductie, leidend tot potentieel grootschalig gebruik van het instrument van de turboliquidatie bij ontbinding ook zonder betrokkenheid van de Kamer van Koophandel, niet is doordacht.
Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat al vroeg werd geschreven over het fenomeen ‘lege vennootschappen’ (reeds na de invoering van de Registratiewet in 1917), maar dat de codificatie van de turboliquidatie als wijze van ontbinding van een lege BV pas in 1994 plaatsvond. Daarentegen bestaan de artikelen omtrent het blijven voortbestaan van een rechtspersoon na ontbinding voor zover dit tot vereffening van het vermogen nodig is en de heropening van de vereffening al langere tijd, waarbij opgemerkt dient te worden dat deze pas in de jaren ’90 van de vorige eeuw werden gewijzigd in de huidige wetteksten. Als gevolg van het feit dat de turboliquidatie werd ingevoerd met de invoering van de mogelijkheid tot ontbinding zonder rechterlijke tussenkomst door een beschikking van de Kamer van Koophandel, ontbreekt in de parlementaire geschiedenis een uitgebreide toelichting op de turboliquidatie als ontbindingswijze. Een en ander heeft mijns inziens bijgedragen aan het ontstaan van allerhande discussiepunten gerelateerd aan toepassing van het instrument van de turboliquidatie.