Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/5.2.1
5.2.1 Toepassingsbereik
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940717:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Feteris 2007, par. I.4.3.
In de wetgeving betreffende de heffingen van lagere overheden is doorgaans ook een artikel(onderdeel) opgenomen dat een uitzondering maakt op de algemene regel dat de AWR van overeenkomstige toepassing is. In het geval van de Waterschapswet is dat bijvoorbeeld artikel 126. De artikelen van de AWR die de fiscale bestuurlijke boetes regelen, worden daar echter niet uitgezonderd.
Zie bijvoorbeeld artikel 231 lid 1 (en art. 236 lid 1) Gemeentewet. De bevoegdheden en verplichtingen van de inspecteur en de ontvanger worden in dat kader vervuld door de heffingsambtenaar en de invorderingsambtenaar, zie bijvoorbeeld art. 231 lid 2 onder b en c Gemeentewet.
Zie paragraaf 5.2.2.1 voor een toelichting op het begrip ‘aangiftebelastingen’.
Titel 8A.3 Wet luchtvaart. De Minister van Infrastructuur en Milieu is de competente autoriteit.
De boetebepalingen zijn niet uitgezonderd.
Art. 58, art. 59 en art. 60 Wfsv, art. 49 en art. 51 Zvw. Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat hetzelfde geldt voor zover de heffing van de premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet plaatsvindt bij wege van aanslag. De gelijkschakeling verloopt dan via de inkomstenbelasting.
De algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes kunnen worden opgelegd wegens overtredingen die samenhangen met verschillende materiële heffingswetten of andere algemeen verbindende voorschriften van fiscale aard. Deze beboetbare feiten zijn in algemene termen geformuleerd en gelden in beginsel voor alle heffingen waarop de AWR van toepassing is. Dat zijn in ieder geval de rijksbelastingen, zoals de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting, de omzetbelasting en de loonbelasting. Het kan echter ook gaan om de heffingen van lagere overheden of van andere competente autoriteiten, althans indien en voor zover in de betreffende wetgeving de AWR ook met betrekking tot de bestuurlijke boeten van overeenkomstige toepassing is verklaard.1 Voor de invordering geldt hetzelfde, zij het dat in de Inv. slechts een gering aantal boetes is geregeld.
In artikel 123 lid 2 van de Waterschapswet wordt bijvoorbeeld (onder meer) de AWR van overeenkomstige toepassing verklaard, door te bepalen dat ‘de heffing’ en ‘de invordering’ van waterschapsbelastingen plaatsvindt als waren het rijksbelastingen. In de woorden ‘de heffing’ ligt besloten dat ook de beboeting van fouten die in het kader van de heffing worden gemaakt, overeenkomstig de in de AWR vastgelegde regels plaatsvindt.2 Datzelfde geldt voor ‘de invordering’, met dien verstande dat het daarbij uiteraard gaat om de regels uit de Inv..3 Ook de wet- en regelgeving van andere lagere overheden bevat doorgaans een dergelijke bepaling, waardoor de AWR en de Inv. voor wat betreft de boeteoplegging evenzeer gelden voor de heffingen van die lagere overheid.4 Dat wil niet zeggen dat de gelijkschakeling altijd volledig is. In de Gemeentewet is de overeenkomstige toepassing van de AWR voor wat betreft de fiscale bestuurlijke boetes bijvoorbeeld beperkt met betrekking tot de parkeerbelasting. De boetebepalingen uit de AWR die zien op aangiftebelastingen5 zijn specifiek voor die belasting buiten toepassing verklaard.6
Een voorbeeld van een heffing van een andere competente autoriteit is de zogeheten geluidsheffing burgerluchtvaart. Deze heffing wordt bij wege van aanslag geheven van eigenaren of houders van vliegtuigen die op Schiphol landen.7 In artikel 8a.39 lid 2 Wet luchtvaart is bepaald dat de betreffende heffing wordt geheven met overeenkomstige toepassing van de AWR.8
In dit kader verdienen ten slotte de loonheffingen bijzondere aandacht. De boetebepalingen uit de AWR en de Inv. gelden namelijk niet alleen voor de loonbelasting (een rijksbelasting), maar ook voor de andere loonheffingen. Het gaat dan om de premie volksverzekeringen, de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. In de betreffende heffingswetten is telkens een bepaling opgenomen die regelt dat de heffing plaatsvindt met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing en invordering van de loonbelasting geldende regels.9 Voor deze loonheffingen is de rijksbelastingdienst aangewezen als de heffende en de invorderende instantie.10