De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/11.2.1:11.2.1 Duitsland
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/11.2.1
11.2.1 Duitsland
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369007:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
MilKo-Grothe (2003), § 199 Rnr. 2 en in vergelijkbare zin Staudinger-Peters (2004), § 199 Rnr. 1.
Staudinger-Peters (2004), § 199 Rnr. 3; MilKo-Grothe (2003), § 199 Rnr. 4.
Gesetzentwurf 2001, p. 108.
De nog volgende § 11.3 zal die herkenning naar ik hoop nog versterken.
Staudinger-Peters (2001), Rnr 45, Vorbem zu §§ 194 ff.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Duitse verjaringsrecht kent de volgende bepalingen:
"§ 195 BGB
Die regelmäßige Verjährungsfrist beträgt drei Jahre."
"§ 199 BGB
(1) Die regelmäßige Verjährungsfrist beginnt mit dem Schluss des Jahres, in dem
der Anspruch entstanden ist und
der Gläubiger von den den Anspruch begnindenden Umständen und der Person des Schuldners Kenntnis erlangt oder ohne grobe Fahrlässigkeit erlangen mϋsste."
Aan deze regelmäßige Verjährungsfrist zijn alle vorderingen onderworpen die geen eigen, bijzonder verjaringsregime kennen. Dat is de overgrote meerderheid; de Duitse regelmäßige Verjährungsfrist is, anders dan de Nederlandse, inderdaad de over het algemeen toepasselijke termijn.
Wij zien dat § 199 BGB een subjectieve en een objectieve component heeft. Lid 1 sub 2 geeft een subjectief criterium: de kennis van de crediteur vormt daar de maatstaf. De Duitsers spreken hier van een Überlegungsfrist (`overwegingstermijd ); hij beschermt de crediteur tegen de verjaring van hem onbekende aanspraken en hij beschermt de debiteur tegen Entschlusslosigkeit (dralen bij het nemen van een beslissing) van de crediteur.1 Lid 1 sub 1 geeft een objectief criterium: de termijn loopt pas vanaf het ontstaan van de vordering. Daarmee beoogt de Duitse wetgever te verzekeren dat de vordering niet verjaart voordat de crediteur haar kon geldend maken.2
Het lijkt niet te gewaagd § 199 BGB aanhef en de eerste twee leden sterke gelijkenis met onze subjectieve termijnen toe te dichten. De overeenkomst met het tweede lid, waarin een kennisafhankelijk criterium wordt gesteld, spreekt voor zich. Dat het eerste lid van § 199 BGB een objectief criterium bevat, rechtvaardigt niet de conclusie dat § 199 BGB wezenlijk van de Nederlandse subjectieve termijn zou verschillen. Het ontstaansmoment van de vordering is niet afhankelijk van de individuele crediteur betreffende omstandigheden. In die betekenis is het dus niet subjectief. Maar wel gaat het om het vermogen van de crediteur zijn vordering in te stellen; zou de termijn kunnen lopen voordat der Anspruch entstanden is, dan zou de crediteur zijn vordering kunnen verliezen nog voordat hij tot actie kon komen. Dat wil lid 1 voorkomen en dat streven strookt heel goed met onze subjectieve termijn.
Een bepaling als § 199 BGB is niet nieuw in het Duitse recht; hij is ontleend aan de oude, voor de praktijk zeer belangrijke — en overigens aan ons art. 3:310 BW identieke — bepaling over verjaring van de vordering tot schadevergoeding.3 Die luidde:
"§ 852
Der Anspruch auf Ersatz des aus einer unerlaubten Handlung entstandenden Schadens verjährt in drei Jahren von dem Zeitpunkt an, in welchen der Verletzte von dem Schaden und der Person des Ersatzpflichtigen Kenntnis erlangt (...)."
De overwegingen van de Duitse wetgever om de subjectieve termijn van bijzondere tot algemene regel te promoveren zijn voor ons herkenbaar:4
" Die Regelverjährung von dreißig Jahren erscheint als zu lang bemessen; der Eintritt der Verjährung dürfte früher angemessen sein, so daß hier mit dem Institut der Verwirkung ein in seinen Voraussetzungen unsicherer Ersatz herangezogen wird”5
Ofwel: de dertigjaarstermijn is te lang, de rechtsverwerking is een onzekere vervanging, het ware daarom beter de verjaringstermijn te bekorten.