Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/9.2
9.2 DE KADERRICHTLIJN WATER
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS444947:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, Pb EG L 327). Een uitgebreide analyse van deze richtlijn is te vinden in Van Rijswick 2001, p. 61-90. Een beschrijving op hoofdlijnen is onder meer te vinden in de publicaties van Schippers en Geerdink 2008a en 2008b en Van den Broek e.a. 2008a.
Art. 2, onder 13 Krw.
Art. 2, onder 15 Krw.
Art. 3, lid 1 Krw.
Art. 3, lid 1 en 2 Krw.
Art. 5, lid 1 Krw jo. Bijlagen II en III Krw.
Art. 3, lid 3 Krw.
Informatie hierover is onder meer te vinden in Havekes en Van Rijswick 2010, p. 147-149 en het Ministerie van Verkeer en Waterstaat e.a. 2009b, p. 11-12.
Havekes en Van Rijswick 2010, p. 130-131.
Art. 11, lid 1 Krw.
Art. 11, lid 2 en 3 Krw. Een omschrijving van aanvullende maatregelen is te vinden in art. 11, lid 4 Krw.
Art. 11, lid 3 sub a jo. Bijlage VI (Lijst van in de maatregelenprogramma’s op te nemen maatregelen), nrs. ii) en x).
Van Rijswick 2001, p. 75-78.
Art. 16 Krw (oppervlaktewater) en art. 17 (grondwater). Een uiteenzetting van dit systeem is te vinden in Van Rijswick 2001, p. 66-68 en 70-72.
Richtlijn prioritaire stoffen (richtlijn 2008/105/EG van het Europese Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 85/ 513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG, PbEU L 348).
Grondwaterrichtlijn (richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand, PbEU L 372).
Art. 4, lid 1 sub a jo. art. 2, onder 18 Krw (oppervlaktewater) en art. 4, lid 1subb jo. art. 2, onder 20 Krw (grondwater).
Art. 4, lid 4 en 6 Krw.
Art. 4, lid 1 sub c jo. Bijlage IV (Beschermde gebieden), artikel 1, nummer v).
Art. 4, lid 4 Krw.
European Commission 2010b, p. 6-7.
Art. 13, lid 1 Krw.
Zie Bijlage VII (Stroomgebiedbeheerplannen), nrs. 1, 2, 4, 5 en 7.
Art. 13, lid 7 Krw.
Art. 13, lid 5 en 7 Krw.
De Kaderrichtlijn Water (hierna: Krw) is vastgesteld op 23 oktober 2000.1 Doel van de richtlijn is de vaststelling van een juridisch kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater.2 Om water te beschermen is het noodzakelijk om de waterkwaliteit te verbeteren en de waterkwantiteit te waarborgen. Deze doelstelling kan worden bereikt door de waterverontreiniging te verminderen en de gevolgen van overstromingen en perioden van droogte ‘af te zwakken’.3
Bij de realisering van de bovenstaande doelstelling vormt de ‘stroomgebiedsbenadering’ het uitgangspunt. Lidstaten zijn verplicht om op hun nationale grondgebied de afzonderlijke stroomgebieden van rivieren aan te wijzen. Dit zijn gebieden ‘vanwaar al het over het oppervlak lopende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt’.4 Het beheer van een stroomgebied wordt ondergebracht in één of meer stroomgebiedsdistricten. Een stroomgebieddistrict omvat het gebied van land en zee, gevormd door één of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met de bijbehorende grond- en kustwateren.5 De grond- en de kustwateren worden toegewezen aan de dichtsbijgelegen of het meest geschikte stroomgebiedsdistrict.6 Het is verplicht om voor ieder stroomgebieddistrict een bevoegd gezag aan te wijzen en ‘passende administratieve regelingen’ te treffen.7 Daarnaast moet voor ieder stroomgebiedsdistrict een beschrijving worden opgesteld. Een beschrijving moet bestaan uit een analyse van de kenmerken van het gebied, een beoordeling van de effecten van de menselijke activiteiten op het water, en een economische analyse van het watergebruik.8 De bovenstaande verplichtingen zijn ook van toepassing op stroomgebieden die het grondgebied van meerdere Lidstaten bestrijken.9 De problematiek van internationale stroomgebieden en stroomgebiedsdistricten blijven verder buiten beschouwing.10
De Kaderrichtlijn Water bevat een opsomming van de benodigde maatregelen om het water te beschermen.11 De Lidstaten moeten voor ieder stroomgebiedsdistrict op het nationale grondgebied een maatregelenprogramma opstellen.12 Ieder maatregelenprogramma bevat ‘basismaatregelen’ en eventueel ‘aanvullende maatregelen’.13 Basismaatregelen zijn minimumvereisten waaraan moet worden voldaan. Het betreft onder meer maatregelen die zijn vereist op basis van de Vrl en de Hrl.14 Bij het opstellen van een maatregelenprogramma moet rekening worden gehouden met de gebiedsbeschrijving, en gelden de milieudoelstellingen van artikel 4 Krw als uitgangspunt.15 De richtlijn bevat milieudoelstellingen voor oppervlaktewateren, het grondwater en beschermde gebieden. De Lidstaten moeten zorgen voor een ‘goede oppervlaktewatertoestand’ en een ‘goede grondwaterstand’. Dit is een situatie waarin ten minste sprake is van een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en grondwater. De Lidstaten moeten met het oog op dat doel maatregelen nemen.16 Om een goede chemische toestand van het oppervlakte- en het grondwater te realiseren zijn twee dochterrichtlijnen opgesteld: de richtlijn prioritaire stoffen17 en de grondwaterrichtlijn.18 De voorschriften uit deze richtlijnen worden verwerkt in de milieudoelstellingen (prioritaire stoffen) respectievelijk in het stroomgebiedbeheerplan (grondwater).19 In beginsel moet het oppervlakte- en grondwater uiterlijk 15 jaar na de inwerkingtreding van de Krw in een goede ecologische en chemische toestand verkeren.20 Onder stringente voorwaarden is het mogelijk om deze termijn te verlengen. In zeer uitzonderlijke gevallen (overmacht of een natuurlijke oorzaak) is zelfs een tijdelijke achteruitgang van de toestand van het water toegestaan.21 De Krw bevat een apart regime voor beschermde gebieden. In dergelijke gebieden moeten de waterkwantiteit en de waterkwaliteit uiterlijk 15 jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn, tenzij anders is bepaald in de unierechtelijke wetgeving, voldoen aan de normen en doelstellingen van de Krw. Bijlage V van de Krw bevat een opsomming van alle beschermde gebieden. Vrl-SBZ’s en Hrl-SBZ’s (Natura 2000-gebieden) vallen onder deze categorie.22 Uit het voorgaande lijkt te volgen dat in Natura 2000-gebieden de waterkwaliteit en waterkwantiteit uiterlijk in 2015 op orde moeten zijn, Desondanks is het ook bij de beschermde gebieden mogelijk om onder strikte voorwaarden en met behulp van een goede onderbouwing deze termijn te verlengen.23 Indien Lidstaten van deze mogelijkheid gebruik wensen te maken moet rekening worden gehouden met de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid Hrl. Een vertraagde uitvoering van Krw-maatregelen mag niet leiden tot verslechterende of significant verstorende effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. De realisering van een gunstige staat van instandhouding mag door het uitstel onder geen beding in gevaar komen.24
Het is verplicht om voor ieder stroomgebiedsdistrict een stroomgebiedbeheerplan op te stellen. De betrokken lidstaat is hiervoor verantwoordelijk. 25Bijlage VII van de Krw bevat een opsomming van de informatie die een stroomgebiedbeheerplan moet bevatten. Het betreft onder meer de volgende zaken:
Een algemene beschrijving van het stroomgebiedsdistrict (ex artikel 5 Krw);
Een overzicht van de significante belastingen en effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het water;
Kaarten van het oppervlaktewater, het grondwater en de beschermde gebieden die van het stroomgebiedbeheerplan uitmaken;
Een lijst met de milieudoelstellingen (ex artikel 4 Krw) voor het oppervlaktewater, het grondwater en de beschermde gebieden; en
Een samenvatting van het benodigde maatregelenprogramma (artikel 11 Krw).26
De kern van het stroomgebiedbeheerplan wordt gevormd door de milieudoelstellingen en de samenvatting van het daarvoor benodigde maatregelenprogramma. Alle maatregelen die noodzakelijk zijn om een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlaktewater en het grondwater in het stroomgebiedsdistrict te bereiken zijn hierin opgenomen. Indien noodzakelijk kan het stroomgebiedbeheerplan worden aangevuld met (andere) meer gedetailleerde programma’s en beheerplannen. Het eerste stroomgebiedbeheerplan moet uiterlijk 15 jaar na de inwerkingtreding van de Krw worden vastgesteld.27 Het is verplicht om een stroomgebiedbeheerplan één keer in de zes jaar te evalueren en waar nodig bij te stellen.28