Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/1.2
1.2 Belang van de studie
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS609016:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
N.H. de Vries en R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht, Vennootschapsbelasting, onderdeel 2.9.1.B.a1.
Kamerstukken II 2004/05, 30 107, nr. 2.
J. Gooijer, ‘Een aanzet tot aanpassing van het verbondenheidscriterium in de vennootschapsbelasting’, WFR 2006, p. 560.
T. Blokland, ‘Partnerschap in box 2 Wet IB 2001’, MBB 2001, nr. 11.
E.J.W. Heithuis, ‘Ruim baan voor de FBI!’, WFR 2007, p. 709.
A.J.A. Stevens, ‘De tien geboden tot afschaffing van de open cv’, NTFR 2006/1727.
Kamerstukken II 2005/06, 30 375, nr. 2.
Overigens was dit in de literatuur al bepleit door Stevens (2004), en ook door N.C.G. Gubbels, ‘Het partnerbegrip’, in: A.C. Rijkers en H. Vording, Vijf jaar Wet IB 2001, Deventer: Kluwer 2006.
Kamerstukken II 2006/07, 30 804, nr. 8, p. 21.
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 4, p. 35 en 36.
Bijvoorbeeld: Kamerstukken I 1989/90, 19 968, nr. 41c, p. 10 en 11, Kamerstukken II 1988/89, 20 603, nr. 6, p. 13 en Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 5, p. 35.
In de fiscale literatuur zijn de verschillen in begripsomschrijvingen niet onbeschreven gelaten. De Vries en De Vries merken op dat men in de belastingwetgeving tevergeefs zal zoeken naar algemene bepalingen van fiscaal concernrecht.1 In vergelijkbare zin mist Snel (2005) in de Wet VPB 1969 een integrale en consequent doorgevoerde visie op groepsrelaties.2 In dit verband doet Gooijer een poging om een uniform begrip ‘verbonden lichaam’ te omschrijven voor de vennootschapsbelasting.3 Voorts merkt Blokland op dat het uit een oogpunt van eenheid van wetgeving is aan te bevelen en ook voor de hand ligt om het begrip ‘partner’ in de diverse fiscale wetten zoveel mogelijk te uniformeren en eenzelfde inhoud te laten hebben.4 Een verbrokkelde inhoud leidt volgens hem niet tot een evenwichtige en bevredigende uitkomst. Ik ben dit met Blokland eens, maar ik wijs wel op de hiervoor genoemde verschillen in begripsomschrijving die kunnen worden opgeroepen door de aard en functie van fiscale regelingen.
Heithuis werpt de vraag op waarom het in 2007 geïntroduceerde regime voor vrijgestelde beleggingsinstellingen (vbi) in beginsel wel openstaat voor dga’s, maar de vergelijkbare regeling voor fbi’s niet.5 In de wetsgeschiedenis zijn hiervoor geen goede argumenten genoemd. Heithuis denkt daarom dat dit alleen kan worden verklaard vanuit de altijd weerbarstige en standvastige status quo: wat er eenmaal is, krijgt men niet zo gemakkelijk weg. Stevens spreekt in dit verband van de neiging tot symptoombestrijding.6 Ik denk dat dit ook voor veel verbondenheidsbegrippen geldt. In de loop der jaren zijn regelmatig nieuwe begrippen geïntroduceerd, waarbij het lijkt alsof de wetgever telkens een omschrijving heeft gekozen waarmee hij op dat moment dacht een probleem te kunnen oplossen. De bruikbaarheid van bestaande verbondenheidsbegrippen is daarbij niet, of onvoldoende, onderzocht. Dit heeft mijn interesse gewekt voor een studie waarin fiscale verbondenheidsbegrippen worden geanalyseerd en de mogelijkheden tot uniformering worden onderzocht.
Ook in de politiek is men zich bewust van de uiteenlopende wettelijke inhoud van begrippen die duiden op ‘verbondenheid’. Bij de behandeling van het rapport ‘Breder, lager, eenvoudiger? Een evaluatie van de belastingherziening 2001’ is aangekondigd dat de verschillende maatregelen in de terbeschikkingstellingsregelingen van art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001 zullen worden gestroomlijnd.7 Hierbij is opgemerkt dat de discussie over de uniformering van het begrip ‘partner’ in de zin van art. 1.2 Wet IB 2001 in een breder verband moet worden beschouwd. Daarbij is gedacht aan het partnerbegrip in andere heffingswetten, zoals in de SW 1956, maar ook in de AWIR.8 Bij de behandeling van het wetsvoorstel ‘Belastingplan 2007’ is nog eens om een heroverweging van de regelingen gevraagd.9 Tot op heden is op dit punt echter geen wetgevend initiatief genomen.
Met betrekking tot het wetsvoorstel ‘Werken aan winst’ heeft de Raad van State de suggestie gedaan om te komen tot een eensluidende definiëring van het begrip ‘verbonden zijn’ in de Wet VPB 1969, de Wet IB 2001 en de Wet LB 1964.10 Voorts is tijdens de parlementaire behandeling verzocht om een overzicht van de begrippen ‘verbonden persoon’ en ‘verbonden lichaam’ in de fiscale wetgeving. Daarbij is ook gevraagd of er meer uniformiteit mogelijk is, en of een algemene definitie zou kunnen worden opgenomen in de AWR. Hierop is door de Staatssecretaris van Financiën als volgt geantwoord:11
‘In de fiscale wetgeving worden voor verbonden persoon en verbonden lichaam al naar gelang de situatie de begrippen gehanteerd die zijn gedefinieerd in de artikelen 10a en 12c van de Wet VPB, de artikelen 3.6 en 3.91 van de Wet IB, artikel 7 van de Wet LB, artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer en artikel 24b van boek 2 BW. In artikel 10a VPB 1969 worden de begrippen verbonden lichaam en verbonden natuurlijk persoon voor de toepassing van een aantal artikelen in die wet gedefinieerd, wat de uniformiteit ten goede komt. In het voorgestelde artikel 12c is een afwijkende definitie opgenomen, waarbij de grens is gelegd bij een meerderheidsbelang. In de Wet IB vervult artikel 3.91 een centrale functie voor toepassing van die wet. Laatstgenoemd artikel bevat een zeer ruime omschrijving van het begrip verbonden persoon. De definitie in artikel 3.6 IB geldt alleen voor het urencriterium en is aanzienlijk beperkter. Specifiek voor de Wet LB is er de definitie van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap in artikel 7. In artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer vinden we definities voor de toepassing van die wet. Ten slotte wordt op enkele plaatsen in de Wet VPB, bijvoorbeeld bij de thincapregeling, verwezen naar het begrip verbondenheid in artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Alles overziende is het aantal gehanteerde begrippen beperkt.’
In hoofdstuk 6 tot en met 11 wordt aangetoond dat het overzicht in dit citaat verre van compleet is: er bestaan in het belastingrecht nog tientallen andere, afwijkende begrippen waarin verbondenheid eveneens een rol speelt. Naar mijn mening had de suggestie tot inventarisatie van de begrippen en de eventuele uniformering dan ook serieuzer kunnen worden genomen. De grote verscheidenheid in de omschrijvingen van verbondenheid leidt namelijk tot een onoverzichtelijk begrippenkader. Ik vind dat het gebruik van verschillende bepalingen uit een oogpunt van logica, rechtszekerheid en efficiency zou moeten worden vermeden, en dat het aanbeveling verdient om verbondenheidsbegrippen in de verschillende fiscale regelingen te baseren op criteria die zoveel mogelijk identiek zijn.
Een andere kwestie is of de gehanteerde verbondenheidsbegrippen voldoende duidelijk zijn. In de wetsgeschiedenis en de literatuur is bijvoorbeeld verschillende keren gevraagd om een toelichting van de onduidelijke term ‘belang’ die onder meer wordt gehanteerd in de definitie van het begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969.12 Het antwoord van de wetgever op deze vragen hebben de inhoud van het begrip naar mijn mening niet verduidelijkt. De inhoud en reikwijdte lijken bewust niet nader omschreven.
Ik realiseer mij dat men van mening kan verschillen over de noodzaak van omschrijvingen die zeer precies en gedetailleerd zijn. Ten aanzien van de term ‘belang’ in art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 is echter sprake van een zeer verwarrende situatie. In art. 40 lid 4 INV 1990 is de gelijknamige term namelijk wel gedetailleerd omschreven als ‘een gerechtigdheid, direct of indirect, tot ten minste een derde gedeelte van het vermogen of het resultaat van het lichaam’. Hetzelfde begrip ‘belang’ is in art. 5b lid 2 Uitv.besl. WBR ook precies gedefinieerd, maar dan als ‘het onmiddellijk of middellijk bezit van aandelen’. Deze verschillende definities maken het begrip ‘belang’ naar mijn mening niet duidelijker.
Ook kan men zich afvragen of de omschrijving van fiscale verbondenheidsbegrippen een juiste weergave is van de realiteit. Verschillende auteurs hebben zich bijvoorbeeld gebogen over de kwestie of voor de fiscale eenheid in de zin van art. 15 Wet VPB 1969 een formeel-juridisch criterium moet gelden in de vorm van een minimumbezitseis ten aanzien van de aandelen, of juist een materieel-economische maatstaf. Zo pleit Van Sonderen (1995) voor een materieel-economisch concernbegrip, waarbij aansluiting zou kunnen worden gezocht bij het begrip ‘groep’ in art. 2:24b BW. Verbondenheidsbegrippen voor lichamen kunnen in dit verband worden getoetst aan de economische realiteit die het studieobject vormt van de bedrijfseconomie. De omschrijving van de economische realiteit in juridische begrippen is ook aan de orde in andere rechtsgebieden. In dit verband kan worden onderzocht of in het ondernemingsrecht en het jaarrekeningenrecht aangrijpingspunten kunnen worden gevonden voor de fiscale definities.
Bij de definities van relaties van natuurlijke personen gaat het om de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid, dat wil zeggen, de wijze waarop mensen hun relaties in het alledaagse leven vormgeven. Het personen- en familierecht zou hiervoor aangrijpingspunten kunnen bieden.
Over een aantal specifieke verbondenheidsbegrippen, zoals de fiscale eenheid, is al zeer veel geschreven. Andere begrippen zijn ook beschreven, maar meestal alleen in het kader van de desbetreffende fiscale regeling waarin zij een rol spelen. Er ontbreekt een overzicht van alle verbondenheidsbegrippen met daarin een vergelijking en analyse van de verschillende omschrijvingen van de begrippen. Deze studie beoogt hierin te voorzien.