Conversie en aandelen
Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/2.5:2.5 Door mij aangehangen ruime opvatting van conversie
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/2.5
2.5 Door mij aangehangen ruime opvatting van conversie
Documentgegevens:
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS363331:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 december 2007, JOR 2008/11, m.nt. A. Doorman (DSM).
Zie hierover ook Bier 2008, p. 62-66.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tegen de enge opvatting ten aanzien van conversie is als zodanig weinig in te brengen in de zin dat deze gevallen in ieder geval conversie betreffen. Wanneer een aandeel van een bepaalde soort wordt omgezet in een aandeel van een andere soort – waarbij ik onder soort ook aanduiding schaar – vindt er geen intrekking van het bestaande aandeel plaats tegen uitgifte van het nieuwe. Zoals betoogd is er ook vanuit een goederenrechtelijke benadering geen reden om conversie op die wijze te begrijpen. De aandeelhoudersrelatie wordt gecontinueerd. In de aan het aandeel verbonden rechten en/of verplichtingen wordt wijziging gebracht doordat een aandeel van de ene soort wordt tot aandeel van een andere soort. Wanneer de nominale waarde van het aandeel voor en na conversie dezelfde is, speelt het vraagstuk hoe in andere gevallen een kapitaalvermindering of kapitaalvermeerdering zou moeten worden gezien niet.
De ruimere opvatting aanvaardt daarnaast dat ofwel de nominale waarde van de aandelen door conversie wel wijzigt maar het aantal aandelen niet (zoals Norbruis, Schoonbrood, Winter en Wezeman) ofwel het aantal aandelen wel wijzigt maar de totale nominale waarde voor en na conversie dezelfde is (zoals Timmermans en Prinsen). Beide opvattingen lijken mij zonder meer aanvaardbaar.
Zoals kapitaalvermindering ingevolge de wet kan geschieden door verlaging van de nominale waarde van aandelen meen ik dat kapitaalverhoging kan plaatsvinden door verhoging van de nominale waarde van aandelen. Artikel 2:121a BW onderkent die laatste mogelijkheid ook nadrukkelijk. Kapitaalvermindering door verlaging van de nominale waarde van aandelen vereist geen intrekking van de betreffende aandelen en uitgifte van nieuwe aandelen met een lagere nominale waarde, evenmin als kapitaalvermeerdering door verhoging van de nominale waarde intrekking en uitgifte vraagt. Het aandeel zoals het door conversie is geworden vindt zijn goederenrechtelijke oorsprong in het geconverteerde aandeel. Betreft het hier voor en na conversie hetzelfde aandeel waaraan andere rechten en/of verplichtingen zijn verbonden of is door conversie een nieuw aandeel ontstaan? Beide kan het geval zijn. Echter, de goederenrechtelijke lijn waarlangs gerechtigdheid tot het aandeel en eventuele beperkte rechten op het aandeel lopen, blijven door conversie intact. Dat is zowel het geval als de nominale waarde van een aandeel hetzelfde blijft maar aan het aandeel andere rechten en verplichtingen worden verbonden, wanneer de nominale waarde van een aandeel wijzigt, alsook wanneer aandelen worden samengevoegd of gesplitst. Anders dan Van Olffen meen ik dan ook dat de verkrijgingstitel van de aandelen zoals deze na conversie bestaat niet de conversie is, maar de verkrijging van de geconverteerde aandelen gevolgd door de conversie.
Wanneer een aandeel wordt gesplitst in twee aandelen met een nominale waarde die de helft is van de oorspronkelijke nominale waarde ontstaat er geen plicht tot bijstorting, noch een recht op terugbetaling. De door splitsing ontstane aandelen hebben hun oorsprong in goederenrechtelijke zin in het aandeel dat is gesplitst. Hetzelfde geldt voor samenvoeging. De aandeelhoudersrelatie is ononderbroken voortgezet, zij het dat aan een aandeel na conversie andere rechten en/of verplichtingen zijn verbonden dan voordien. Welke deze rechten dan wel verplichtingen dat zijn wordt bepaald door de statuten, die de aandeelhoudersrelatie bepalen. In het geval van samenvoeging en splitsing kan niet worden beweerd dat de aandelen respectievelijk het aandeel voor conversie dezelfde zijn als het aandeel respectievelijk de aandelen na samenvoeging of splitsing. Het aantal aandelen voor en na conversie is immers niet hetzelfde. Echter, in dat geval vinden evenzeer de nieuwe aandelen hun oorsprong in goederenrechtelijke zin in de geconverteerde aandelen. Zo wordt de houder van een gesplitst aandeel van rechtswege houder van de daaruit door splitsing voortgekomen aandelen en zal de houder van samengevoegde aandelen van rechtswege houder worden van de door samenvoeging ontstane aandelen. Anders dan voor emissie is voor conversie ook geen overeenkomst tussen de vennootschap en de aandeelhouder vereist omdat door conversie immers geen nieuwe aandelen worden uitgegeven, maar deze ontstaan uit reeds gehouden aandelen. Samenvoeging en splitsing leiden tot aandelen waaraan andere rechten en/of verplichtingen zijn verbonden. Dat geldt mogelijk niet per aandeelhouder, maar wel per aandeel. Als bijvoorbeeld een aandeelhouder vijf aandelen met een nominale waarde van € 100 heeft, welke worden samengevoegd tot één aandeel van € 500, zonder dat overigens wijzigingen in de zeggenschap, winstgerechtigdheid of anderszins aan het aandeel zijn verbonden, wijzigt het recht van de aandeelhouder dat samenhangt met zijn aandelenbezit niet. Per aandeel echter wijzigt de gerechtigdheid tot uitkeringen wel: deze wordt vervijfvoudigd.
Naast de enge en de ruimere opvattingen aangaande conversie, meen ik dat er nog een derde opvatting mogelijk is, die ik de ruime opvatting noem. Overigens is niet uitgesloten dat een aantal van de genoemde schrijvers (zoals Huizink, Portengen & Groot) deze ruime opvatting aanhangen. Onder dit ruime conversiebegrip versta ik mede de conversie die plaatsvindt door splitsing of samenvoeging van aandelen, waarbij de totale nominale waarde van de betreffende aandelen voor en na splitsing niet dezelfde is. Als bijvoorbeeld elk aandeel met een nominale waarde van € 100 wordt gesplitst in vier aandelen met een nominale waarde van € 30, vinden deze nieuwe aandelen goederenrechtelijke evenzeer hun oorsprong in het gesplitste aandeel. Dat hierdoor een pro rata bijstortingsverplichting van € 5 voor ieder gesplitst aandeel ontstaat doet daaraan niet af. Hetzelfde geldt voor samenvoeging. Als iedere drie aandelen met een nominale waarde van € 50 worden samengevoegd tot een aandeel met een nominale waarde van € 120, leidt dat weliswaar tot een kapitaalvermindering die derhalve met inachtneming van de wettelijke regels daarvoor moet plaatsvinden, in goederenrechtelijke zin vindt het aldus door samenvoeging ontstane aandeel evenzeer zijn oorsprong in de drie samengevoegde aandelen. De gerechtigde tot de geconverteerde aandelen wordt gerechtigde tot de door conversie ontstane aandelen. De relatie tussen aandeelhouder en vennootschap wordt ook hier door conversie niet onderbroken, maar continueert.
Nu conversie geen wettelijk begrip is, en er naar ik meen ook geen juridische bezwaren tegen een ruim conversiebegrip zijn, is het in zekere zin een keuze hoe ver men het begrip conversie wil laten strekken. Wel is er een grens. Waar conversie een continuering van de aandeelhoudersrelatie veronderstelt, dient het dus te gaan om een en dezelfde vennootschap. Door juridische fusie kunnen aandeelhouders van de verdwijnende vennootschap aandelen krijgen in de verkrijgende vennootschap (2:311 lid 2 BW). Het betreft hier ter gelegenheid van de fusie nieuw uit te geven aandelen die in de plaats komen van aandelen in de verdwijnende vennootschap welke aandelen met de verdwijnende vennootschap bij fusie ophouden te bestaan. Bij juridische zuivere splitsing van vennootschappen is dit niet anders. De aandeelhoudersrelatie met de vennootschap wordt niet gecontinueerd, integendeel. De uitgifte van aandelen bij fusie of splitsing aan houders van aandelen in een vennootschap die bij fusie of splitsing ophoudt te bestaan lijkt mogelijk in economisch opzicht op conversie, conversie noem ik dit niet.
Omdat in de praktijk conversie zich zowel in de hierboven omschreven enge zin, ruimere zin, als ruime zin voordoet is het denk ik voor een systematische behandeling van de diverse aspecten van conversie zinnig om het ruime conversiebegrip te hanteren. Conversie is dan te definiëren als:
‘het omzetten van een of meer aandelen in het kapitaal van een vennootschap in een of meer aandelen in het kapitaal van dezelfde vennootschap met een gelijke, lagere of hogere nominale waarde, waaraan ingevolge de statuten andere rechten en/of andere verplichtingen zijn verbonden’.
De soort of aanduiding van het aandeel behoeft door conversie niet te wijzigen. Zou, bijvoorbeeld, door conversie aan het aandeel met nummer 7 een recht tot goedkeuring van bepaalde bestuursbesluiten worden verbonden, dan beschouw ik dat als een vorm van conversie. Een vernummering van aandelen zonder meer beschouw ik niet als conversie. Verhoging of verlaging van de nominale waarde van aandelen valt wel onder de definitie. De verkrijging van aandelen in een andere entiteit, zoals bij fusie en splitsing, valt niet onder deze definitie.
Rechten die een aandeelhouder toekomen op grond van zijn aandeelhouderschap vloeien voort uit de rechten die de statuten aan de aandelen verbinden. Maar ook kan een differentiatie in rechten voortvloeien uit het aandeelhouderschap. In het DSM- arrest1 bepaalde de Hoge Raad dat de hoofdregel omtrent de gelijkheid van aandeelhouders zoals vastgelegd in artikel 2:92 lid 1 BW, welke inhoudt dat aan alle aandelen in hun verhouding tot hun bedrag gelijke rechten en verplichtingen zijn verbonden, van regelend recht is nu daar bij de statuten van kan worden afgeweken. De Hoge Raad overweegt daarbij dat artikel 2:92 lid 1 BW zich niet verzet tegen een statutaire regeling waarbij aan geregistreerde aandeelhouders onder bepaalde voorwaarden een financiële uitkering wordt toegekend, mits deze regeling geen schending oplevert van het gelijkheidsbeginsel. De Hoge Raad overweegt het volgende:
‘Uit de tekst en de strekking van deze bepaling volgt niet dat een statutaire afwijking van deze hoofdregel slechts mogelijk is met betrekking tot aandelen van een bepaalde soort. In het bijzonder schrijft artikel 2:92 lid 1 BW, gelezen in verband met het bepaalde in artikel 2:105, niet dwingend voor dat aan aandelen van dezelfde soort altijd in omvang gelijke aanspraken op dividend moeten zijn verbonden.’
In het gegeven geval voorzagen de statuten in een regeling waarbij aandeelhouders zich ter registratie konden aanmelden. Hun aandelen zouden bij die gelegenheid worden tot geregistreerde aandelen. Als de aandeelhouder zijn (geregistreerde) aandelen voor een aangesloten periode van drie jaar had gehouden, kwam hem op grond van de statutaire regeling ter zake een zogenaamd ‘loyaliteitsdividend’ toe, hetgeen neerkwam op een bevoordeling van deze categorie aandeelhouders. A-G Timmerman stelt dat het loyaliteitsdividend niet aan een aandeelhouder wordt uitgekeerd als recht dat aan het aandeel is verbonden, maar omdat de aandeelhouder een bepaald aantal aandelen houdt en voldoet aan een aantal voorwaarden die in de statuten van DSM zijn opgenomen. Om in rechten van aandeelhouders te differentiëren is, zo meent hij, slechts een statutaire basis nodig, die voldoende duidelijk is waar het gaat om het bepalen of een aandeelhouder de betreffende rechten toekomen en wat de omvang van die rechten is. Een zodanige regeling mag echter niet in strijd komen met de regel van artikel 2:92 lid 2 BW welke inhoudt dat de naamloze vennootschap de aandeelhouders en certificaathouders die zich in een gelijke positie bevinden, op dezelfde wijze moet behandelen. Van strijd met dat beginsel was in het gegeven geval geen sprake. De A-G meent ook dat het vreemd zou zijn om aan te nemen dat door de creatie van verschillende soorten aandelen iets zou mogen wat anders niet zou zijn toegestaan en dat het om een kwestie van vennootschappelijke techniek gaat. Bij dat laatste past naar ik meen een kanttekening. Het gaat er toch uiteindelijk niet alleen om of de uitkomst – in het gegeven geval de toekenning van een loyaliteitsdividend aan langjarige aandeelhouders – linksom of rechtsom mogelijk zou zijn, maar of dit ook via de juiste vennootschappelijke techniek wordt vormgegeven. Ik meen overigens dat een differentiatie van aandeelhoudersrechten op de wijze als bij DSM mogelijk is.
Hoe moeten we het bovenstaande zien in het licht van conversie? Ook buiten de aandelen om, via de lijn van de aandeelhoudersrelatie kunnen rechten van aandeelhouders dus statutair worden vormgegeven. Conversie lijkt het dan niet te betreffen. Nader bezien echter kan de hierboven omschreven differentiatie in rechten ook als conversie worden beschouwd. Naast gewone aandelen openden de statuten de mogelijkheid van gewone geregistreerde aandelen aan de houder waarvan een bijzonder winstrecht toekwam, hetgeen ik als een statutaire differentiatie van aan aandelen verbonden winstrecht zie. Er worden daarmee aandelen van een aparte soort gecreëerd, zonder dat het zo wordt genoemd. Een en ander had naar ik meen ook via een conversieregeling in de statuten kunnen worden bewerkstelligd. In het geval van DSM denk ik dat betoogd kan worden dat hier wel een vorm van conversie optrad. Al werd dat niet zo genoemd en al werd het anders verklaard.2